RECHTBANK OVERIJSSEL Team kanton en handelsrecht Zittingsplaats Zwolle Zaaknummers : 8695552 CV EXPL 20-3329 (hoofdzaak) en 8886774 CV EXPL 20-5058 (vrijwaring) Vonnis van 10 augustus 2021 in de hoofdzaak met zaaknummer 8695552 CV EXPL 20-3329 van 1 [A] , 2. [B] , beiden wonende in [woonplaats] , eisende partijen in de hoofdzaak, gemachtigde: mr. D.C. Poiesz, tegen 1 [C] , wonende in [woonplaats] , gedaagde partij in de hoofdzaak, gemachtigde: mr. J. Koster, 2. [D] , wonende in [woonplaats] , gedaagde partij in de hoofdzaak, gemachtigde: mr. J.W. Both, en in de vrijwaringzaak met zaaknummer 8886774 CV EXPL 20-5058 van [D] , wonende in [woonplaats] , eisende partij in conventie, verwerende partij in reconventie, gemachtigde: mr. J.W. Both, tegen [C] , wonende in [woonplaats] , gedaagde partij in conventie, eisende partij in reconventie, gemachtigde: mr. J. Koster. Partijen worden hierna ‘ [A en B] ’, ‘ [D] ’ en ‘ [C] ’ genoemd. 1De procedure 1.1. Het verloop van de procedure in de hoofdzaak blijkt uit: het tussenvonnis van 16 februari 2021; een brief van mr. Poiesz van 26 april 2021 met bijlagen 1 en 2; pleitaantekeningen van mr. Both; de mondelinge behandeling van 6 mei 2021, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt. 1.2. Het verloop van de procedure in de vrijwaringszaak blijkt uit: het tussenvonnis van 16 februari 2021; de conclusie van antwoord in reconventie in vrijwaring, tevens akte overlegging producties; een e-mail van mr. Koster van 23 april 2021 met productie 25; twee e-mails van mr. Both van 30 april 2021 met bijlagen; pleitaantekeningen van mr. Both, pleitaantekeningen van mr. Koster, de mondelinge behandeling van 6 mei 2021, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt. 1.3. Ten slotte is zowel in de hoofd- als in de vrijwaringszaak een datum bepaald voor het vonnis. 2De feiten 2.1. [A en B] zijn de ouders van [C] . 2.2. Op 16 juli 2015 hebben [C] en [D] een vennootschap onder firma opgericht met de naam V.o.f. Onze Zaak (hierna: de vennootschap). Met deze vennootschap exploiteerden zij Café Bruut aan de Voorstraat 3-5 in Zwolle. 2.3. Op 26 augustus 2015 hebben [A en B] , [D] en [C] een overeenkomst van geldlening ondertekend, op grond waarvan [A en B] aan [D] en [C] een bedrag van € 20.000 hebben uitgeleend ten behoeve van de verbouwing van het bedrijfspand aan de Voorstraat 3-5 te Zwolle en voor de aankoop van inventaris. De geldlening is aangegaan voor de duur van vijf jaar en de hoofdsom of het restant daarvan is (onder meer) terstond opeisbaar in geval van staking of beëindiging van de bedrijfsuitoefening of het kennelijke voornemen daartoe (artikel 5 lid 1 sub d van de geldleningsovereenkomst). 2.4. Op 15 november 2015 zijn partijen in aanvulling op de geldleningsovereenkomst van 26 augustus 2015 overeengekomen dat [D] en [C] een (extra) bedrag van € 5.000 lenen van [A en B] ten behoeve van het vervangen van de vetput. 2.5. In verband met onenigheid tussen [C] en [D] hebben zij besloten de onderneming te verkopen. Op 15 mei 2018 is de onderneming verkocht aan de heer [X] . Op 1 augustus 2018 is [D] uitgetreden als vennoot en de vennootschap onder firma is op 6 december 2018 uitgeschreven uit het handelsregister van de Kamer van Koophandel. 2.6. [X] heeft de onderneming ingebracht in de op 22 mei 2018 opgerichte besloten vennootschap BKBD B.V., waarvan hij en de heer [Y] aandeelhouder zijn. De vriendin van [D] , [E] , is werkzaam bij De Jong. 2.7. Tot op heden heeft geen verdeling plaatsgevonden van de gemeenschap van de vennootschap tussen [D] en [C] . 3Het geschil In de hoofdzaak 3.1. [A en B] vorderen dat de kantonrechter [D] en [C] hoofdelijk veroordeelt tot betaling van een bedrag van € 25.000,-, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente, gerekend vanaf 31 juli 2020 tot de dag van volledige betaling, te vermeerderen met de proceskosten. 3.2. [A en B] voeren daartoe aan dat zij op grond van de geldleningsovereenkomst van 26 augustus 2015, de aanvullende geldlening van 15 november 2015 en overige geldleningen geld hebben uitgeleend. Hierop zijn terugbetalingen ontvangen, maar in totaal staat nog een bedrag van € 43.205,63 open. Vanwege de bevoegdheid van de kantonrechter, wordt de vordering gematigd tot € 25.000,-. De geldleningen zijn opeisbaar, omdat de onderneming waar het geld voor was bedoeld, is beëindigd. Subsidiair voeren [A en B] aan dat zij het geld onverschuldigd hebben betaald. 3.3. [C] heeft het verstek tijdens de mondelinge behandeling gezuiverd. Hij voert geen verweer. [D] voert wel verweer. 3.4. Op de standpunten en verweren van partijen wordt hierna nader ingegaan, voor zover dat van belang is voor de beoordeling van het geschil. In de vrijwaringzaak 3.5. [D] vordert – kort samengevat – voor het geval hij jegens [A en B] in de hoofdzaak wordt veroordeeld tot betaling, om [C] te veroordelen tot betaling van dit bedrag, te vermeerderen met de wettelijke rente, proceskosten en nakosten. 3.6. [C] voert verweer en vordert in reconventie – kort samengevat – primair een verklaring voor recht dat [D] onrechtmatig heeft gehandeld en een schadevergoeding, nader op te maken bij staat. Subsidiair vordert [C] te verklaren voor recht dat [D] niet handelingsbevoegd was om namens de vennootschap afstand te doen van betaling van de koopprijs. Daarnaast vordert [C] vergoeding van de proceskosten. 3.7. [D] voert verweer in reconventie. 3.8. Op de stellingen en verweren van beide partijen wordt hierna nader ingegaan, voor zover dat van belang is voor de beoordeling van het geschil. 4De beoordeling In de hoofdzaak De vorderingen van [A en B] jegens [C] 4.1. Met betrekking tot de vordering jegens [C] geldt het volgende. Omdat [C] geen (inhoudelijk) verweer voert, zal de rechtbank de vorderingen van [A en B] in de hoofdzaak jegens hem toewijzen. Daarbij merkt de rechtbank op dat [D] wel verweren heeft aangevoerd. Omdat geen sprake is van een rechtsbetrekking die ertoe noopt dat ten aanzien van alle gedaagden in dezelfde zin moet worden beslist, zal de vordering van [A en B] jegens [D] hierna inhoudelijk worden besproken. De vorderingen van [A en B] jegens [D] 4.2. Tussen [A en B] en [D] is niet in geschil dat [A en B] geld hebben uitgeleend ten behoeve van het bedrijf dat [D] en [C] hadden opgestart, en dat deze lening opeisbaar is nu het bedrijf is opgehouden te bestaan. In geschil is wel hoeveel geld er is uitgeleend en hoeveel er is terugbetaald, en derhalve hoeveel geld er openstaat en terugbetaald moet worden. a. wat is uitgeleend en afbetaald? 4.3. [A en B] stellen zich op het standpunt dat zij in totaal € 42.435,30 hebben uitgeleend aan de vennootschap, bestaande uit de geldlening van 26 augustus 2015 ter hoogte van € 20.000,-, de aanvullende geldlening van 15 november 2015 ter hoogte van € 5.000,-, en diverse contante betalingen en overboekingen aan zowel de vennootschap, [C] als schuldeisers van de vennootschap. Zo is op 30 augustus 2016 een bedrag van € 2.305,05 overgemaakt aan Administratiekantoor De Kei en op 6 oktober 2016 een bedrag van € 2.000,- aan de vennootschap in verband met wijnaankopen. [A en B] stellen zich op het standpunt dat in totaal een bedrag van € 7.100,- hiervan is afbetaald, zodat, na verrekening van de verschuldigde rente, op dit moment een bedrag van € 43.205,63 open staat. 4.4. [D] erkent de geldleningen van 26 augustus en 15 november 2015, maar betwist dat daarna nog geld door [A en B] is uitgeleend. Hij voert daartoe aan dat hij enkel beschikking heeft over de bankafschriften die zijn overgelegd door [A en B] en [C] , omdat [C] de administratie van de vennootschap zou bijhouden maar dat ten onrechte niet heeft gedaan. Uit de bankafschriften leidt [D] af dat [A en B] geld aan [C] in privé overboekten. [D] betwist dat die overboekingen geldleningen aan de vennootschap betreffen. Daarnaast betwist [D] dat de overschrijvingen aan derden in opdracht van en ten dienste van de vennootschap waren. Verder blijkt uit de bankafschriften volgens [D] dat in ieder geval een bedrag van € 14.024,91 aan [A en B] is afgelost. 4.5. De kantonrechter overweegt dat van de geldlening van 26 augustus 2015 en van 15 november 2015 documenten aanwezig zijn, waaruit volgt dat sprake is van een geldlening. Van de overboekingen zijn wel bankafschriften overgelegd door [A en B] , maar deze zien veelal op overboekingen van hun bankrekening naar de privé rekening van [C] of aan derden, zoals administratiekantoor De Kei. Dat ten aanzien van deze bedragen sprake is van een geldlening aan de vennootschap, hebben [A en B] onvoldoende onderbouwd. Ter zitting hebben [A en B] immers erkend dat zij ook geld aan [C] in privé overboekten dat niet zag op de vennootschap, en dat zij een onderneming dreven of hebben gedreven waar administratieve werkzaamheden voor verricht zijn. Dat is enkel anders voor de storting van 6 oktober 2016 met als bijschrift: ‘bijdrage i.v.m. wijnaankoop’. Dit betreft namelijk een storting op de bankrekening van de vennootschap met een duidelijk opschrift. Het verweer van [D] dat deze overboeking ziet op eigen consumptie van [A en B] is niet aannemelijk gelet op de hoogte van het bedrag en de omstandigheid dat (zoals [D] ook erkent) [A en B] (in ieder geval aanvankelijk) geld beschikbaar stelden aan de vennootschap. De kantonrechter komt daarom tot de conclusie dat [A en B] voldoende hebben onderbouwd dat zij een bedrag van € 27.000,- (zijnde: € 20.000,- + € 5.000,- + €2.000,-) hebben uitgeleend aan de vennootschap. [D] heeft onder verwijzing naar dezelfde bankafschriften voldoende onderbouwd dat een bedrag van € 14.024,91 is afgelost. Dat maakt dat ten aanzien van een bedrag van € 12.975,09 is komen vast te staan dat het nog door de vennootschap aan [A en B] moet worden terugbetaald. b. overige stellingen van [A en B] 4.6. Voor zover [A en B] ten aanzien van het verschil tussen het hiervoor vastgestelde bedrag van € 14.024,91 en de vordering van € 25.000,- een beroep doen op onverschuldigde betaling, slaagt dat beroep niet omdat, gelet op het voorgaande, niet is komen vast te staan dat de stortingen ten behoeve van de vennootschap waren. 4.7. De vordering van [A en B] ziet daarnaast op een bedrag aan rente. Zij zijn in hun berekening evenwel uitgegaan van andere bedragen dan de kantonrechter hiervoor heeft vastgesteld. De renteberekening is verder niet inzichtelijk gemaakt. De kantonrechter zal derhalve enkel de rente toewijzen over het hiervoor genoemde bedrag van € 12.975,09 en te berekenen vanaf de dag van dagvaarding. c. overige verweren van [D] 4.8. [D] voert aan dat [A en B] misbruik maken van recht en/of handelen in strijd met de normen van het maatschappelijk verkeer, omdat zij de geldlening(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.