RECHTBANK OVERIJSSEL Team Strafrecht Meervoudige kamer Zittingsplaats Almelo Parketnummer: 08.122753.21 (P) Datum vonnis: 22 november 2021 Vonnis op tegenspraak in de zaak van de officier van justitie tegen: [verdachte] , geboren op [geboortedatum] 1981 in [geboorteplaats] , wonende aan [adres 1] . 1Het onderzoek op de terechtzitting Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 8 november 2021. De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie mr. M. Hoekstra, van wat door verdachte en zijn raadsman mr. J. Michels, advocaat in Oldenzaal, en van hetgeen door de benadeelde partij [aangever] en zijn advocaat, mr. M.J.E.C. Camps, advocaat in Enschede, naar voren is gebracht. 2De tenlastelegging De verdenking komt er, kort en zakelijk weergegeven, op neer dat verdachte [aangever] met een breekijzer op het hoofd heeft geslagen, en zich daarmee schuldig heeft gemaakt aan poging tot doodslag (primair), zware mishandeling (subsidiair) of poging tot zware mishandeling (meer subsidiair). Voluit luidt de tenlastelegging aan verdachte, dat: hij op of omstreeks 8 mei 2021 te Enschede ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [aangever] opzettelijk van het leven te beroven, met dat opzet (met veel kracht) meermalen althans eenmaal met een breekijzer/stang/staaf althans een hard en/of zwaar voorwerp op/tegen het hoofd/gezicht en/of het lichaam van voorgenoemde [aangever] heeft geslagen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid; subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden: hij op of omstreeks 8 mei 2021 te Enschede aan [aangever] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel, te weten een (hoofd)wond, heeft toegebracht door (met veel kracht) meermalen althans eenmaal een breekijzer/stang/staaf althans een hard en/of zwaar voorwerp op/tegen het hoofd/gezicht en/of het lichaam van voorgenoemde [aangever] te slaan; meer subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden: hij op of omstreeks 8 mei 2021 te Enschade ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [aangever] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet (met veel kracht) meermalen althans eenmaal met een breekijzer/stang/staaf althans een hard en/of zwaar voorwerp op/tegen het hoofd/gezicht en/of het lichaam van voorgenoemde [aangever] heeft geslagen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid. 3De voorvragen De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van deze zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging. 4De bewijsmotivering 4.1 Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie acht de primair ten laste gelegde poging tot doodslag te bewijzen. 4.2 Het standpunt van de verdediging Op basis van de beperkt beschikbare onderzoeksresultaten kan volgens de raadsman niet worden vastgesteld dat werd geslagen met een breekijzer, stang of staaf. Dat blijkt niet uit objectieve bewijsmiddelen. Ook kan op basis van het beperkte onderzoek niet worden vastgesteld dat sprake is van poging doodslag of zware mishandeling. Onduidelijk is hoe vaak en waar aangever met het voorwerp is geraakt en het geconstateerde letsel valt niet te kwalificeren als zwaar lichamelijk letsel. 4.3 Het oordeel van de rechtbank Verklaring verdachte Verdachte ontkent het tenlastegelegde. Hij heeft verschillende versies van wat er gebeurd zou zijn aan politie en de rechtbank verteld. In de kern komt zijn laatste verklaring, ter zitting, hierop neer dat aangever met het breekijzer voor de deur stond en hem aanviel en dat hij in de worsteling die toen volgde aangever dat breekijzer afhandig heeft gemaakt. Vaststelling feiten Op basis van de inhoud van het dossier en van wat ter terechtzitting is besproken stelt de rechtbank de volgende feiten vast. Aangever [aangever] is op 8 mei 2021 naar [adres 2] in Enschede gegaan, omdat zijn telefoon daar in de woning van [getuige] (hierna [getuige] ), waar ook verdachte zich bevond, zou liggen. Hij bonkte op de deur. Daarop kwam verdachte naar buiten met een breekijzer. Hij sloeg richting het hoofd van aangever die de slag kon aangever afweren met zijn linkerarm. Daarna sloeg verdachte voor de tweede keer met dat breekijzer op het hoofd van aangever. Verdachte is de woning weer in gegaan en had, zoals getuige [getuige] verklaart, toen een geel breekijzer, dat al een tijdje in haar woning had gelegen, in zijn hand. Dat breekijzer is, zoals de getuige verklaart, door de politie in beslag genomen. De politie vond het breekijzer, gewikkeld in een deken, in een kast in een leegstaande kamer in het pand waar [getuige] woont en nam het in beslag. De forensisch arts heeft vastgesteld dat aangever op zijn behaarde hoofd een lijnvormig huidletsel van ongeveer 8 cm had en op zijn linkerarm een bloeduitstorting. Tussenconclusie rechtbank De rechtbank is van oordeel dat op grond van de hiervoor genoemde bewijsmiddelen én de verklaring van verdachte dat hij het breekijzer in handen heeft gehad, kan worden vastgesteld dat verdachte geprobeerd heeft aangever op zijn hoofd te slaan en toen diens linkerarm heeft geraakt en daarna nogmaals heeft geslagen met het breekijzer, op het hoofd van aangever. Poging doodslag? De vraag waarvoor de rechtbank zich vervolgens gesteld ziet of kan worden bewezen dat verdachte aangever van het leven heeft willen beroven. De rechtbank is van oordeel dat dat niet het geval is. Aangever verklaart weliswaar zelf dat hij voelde dat hij met kracht is geslagen, maar verder is er geen bewijs om vast te stellen dat er bij verdachte sprake is geweest van opzet, ook niet in voorwaardelijke zin, op het van het leven beroven van aangever. Van het primair ten laste gelegde wordt verdachte daarom vrijgesproken. Zware mishandeling? De rechtbank is van oordeel dat op basis van het strafdossier niet is komen vast te staan dat het door verdachte toegebrachte letsel als zwaar lichamelijk letsel moet worden aangemerkt. Dit blijkt niet uit letselrapportage. Ook het forensisch onderzoek van aangever bij de politie biedt hiervoor geen aanknopingspunten. Van het subsidiair ten laste gelegde wordt verdachte daarom ook vrijgesproken. Poging tot zware mishandeling? De rechtbank is van oordeel dat er geen bewijs is dat verdachte aangever willens en wetens zwaar lichamelijk letsel wilde toe brengen. Van vol opzet is dus geen sprake. De vervolgvraag is of bij verdachte sprake is geweest van voorwaardelijk opzet op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel bij aangever. Voorwaardelijk opzet op een bepaald gevolg is aanwezig indien de verdachte zich willens en wetens heeft blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat dat gevolg zal intreden. De rechtbank is van oordeel dat het met een breekijzer slaan op het hoofd – een vitaal lichaamsdeel – naar algemene ervaringsregels kan leiden tot zwaar lichamelijk letsel. Verder dienen de gedragingen van de verdachte naar hun uiterlijke verschijningsvorm te worden aangemerkt als zo zeer gericht te zijn geweest op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel, dat de verdachte door deze gedragingen de aanmerkelijke kans op dat gevolg heeft aanvaard. Van contra-indicaties is niet gebleken. Er is dus sprake van voorwaardelijk opzet op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel. Daarmee is wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich op 8 mei 2021 schuldig heeft gemaakt aan een poging tot zware mishandeling. 4.4 De bewezenverklaring De rechtbank acht op grond van de in de bijlage opgenomen bewijsmiddelen waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan, met dien verstande dat: hij op of omstreeks 8 mei 2021 te Enschede ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [aangever] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet (met veel kracht) meermalen althans eenmaal met een breekijzer/stang/staaf althans een hard en/of zwaar voorwerp op/tegen het hoofd/gezicht en/of het lichaam van voorgenoemde [aangever] heeft geslagen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid. De rechtbank acht niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd, zodat zij hem daarvan zal vrijspreken. De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten zijn verbeterd in de bewezenverklaring. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging. 5De strafbaarheid van het bewezenverklaarde De verdediging heeft aangevoerd dat sprake is geweest van een noodweersituatie waardoor verdachte niet anders kon dan handelen op de wijze zoals hij heeft gedaan. Verdachte zelf heeft verklaard dat hij door aangever, die een breekijzer bij zich had, is aangevallen. Voor noodweer is onder meer vereist dat de verdediging is gericht tegen een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding. Naar het oordeel van de rechtbank is van een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding geen sprake geweest. Uit de verklaring van [getuige] blijkt dat het breekijzer, waarmee verdachte op het hoofd van aangever heeft geslagen, uit de woning van [getuige] kwam. Verdachte is in de woning naar beneden gerend, naar de gesloten voordeur waarvoor aangever op dat moment buitenstond. Dat het aangever is geweest die met het breekijzer, dat zich voor de confrontatie in de woning bevond, van buiten de woning de confrontatie met verdachte zocht, is niet aannemelijk geworden. Ook niet omdat verdachte wisselende verklaringen heeft afgelegd over de gang van zaken rondom het breekijzer, en een weinig geloofwaardige verklaring heeft gegeven voor het feit dat hij het breekijzer (en zichzelf) na het incident had verstopt. De rechtbank is dan ook van oordeel dat verdachte zich niet in een situatie bevond waarin hij zich moest verdedigen tegen een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding. Dit betekent dat er geen sprake is geweest van een noodweersituatie. Ook voor het overige zijn er geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Het bewezenverklaarde is strafbaar gesteld in de artikelen 45 en 302 van het Wetboek van Strafrecht (Sr). Het bewezenverklaarde levert op: meer subsidiair het misdrijf: poging tot zware mishandeling. 6De strafbaarheid van verdachte De verdediging heeft aangevoerd dat sprake is geweest van noodweerexces. Voor een geslaagd beroep op noodweerexces moet sprake zijn van een overschrijding van de grenzen van de noodzakelijke verdediging die het onmiddellijke gevolg is geweest van een hevige gemoedsbeweging, die is veroorzaakt door een onmiddellijke en wederrechtelijke aanranding. Hiervoor heeft de rechtbank vastgesteld dat van een ogenblikkelijke en wederrechtelijke aanranding geen sprake is geweest. Daarom faalt ook het beroep op noodweerexces. Ook voor het overige zijn er geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De rechtbank oordeelt daarom dat verdachte strafbaar is voor het bewezen verklaarde feit. 7De op te leggen straf of maatregel 7.1 De vordering van de officier van justitie De officier van justitie is uitgegaan van een bewezenverklaring van poging tot doodslag en heeft een gevangenisstraf van dertig maanden geëist. 7.2 Het standpunt van de verdediging De raadsman heeft betoogd dat het optreden van het slachtoffer sterk tot uitdrukking moet komen in de op leggen straf. Als de rechtbank tot een bewezenverklaring van poging tot zware mishandeling komt, is een gevangenisstraf van vijf maanden passend. Indien de rechtbank dat onvoldoende punitief vindt, dient dit wat de raadsman betreft te worden aangevuld met een deels voorwaardelijke gevangenisstraf en/of een taakstraf. 7.3 De gronden voor een straf of maatregel Bij de strafoplegging houdt de rechtbank rekening met de aard en de ernst van het gepleegde feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte zoals die uit het dossier en tijdens de behandeling ter terechtzitting naar voren zijn gekomen. De rechtbank acht daarbij in het bijzonder het volgende van belang. Verdachte heeft geprobeerd het slachtoffer zwaar lichamelijk letsel toe te brengen door hem met een breekijzer op het hoofd te slaan. Dat daar mogelijk hinderlijk gedrag van het slachtoffer aan vooraf is gegaan doet aan de ernst van dit feit en de sanctie die daarop moet volgen niets af. Tijdens de zitting heeft het slachtoffer gebruik gemaakt van zijn spreekrecht en verteld over de impact die het voorval op hem heeft gehad. Gezien de ernst het gepleegde feit kan niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf. Bij het bepalen van de hoogte daarvan heeft de rechtbank acht geslagen op de oriëntatiepunten van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS). Daarin wordt voor het ‘opzettelijk toebrengen van middelzwaar lichamelijk letsel met behulp van een wapen (niet zijnde een vuurwapen)’ een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van zeven maanden als uitgangspunt van denken genoemd. De rechtbank heeft ook acht geslagen op artikel 45, derde lid, Sr, waarin is bepaald dat het maximum van de hoofdstraffen bij poging met een derde wordt verminderd. Ten nadele van verdachte heeft de rechtbank meegewogen dat verdachte veelvuldig met justitie in aanraking is gekomen, en eerder is veroordeeld voor geweldsdelicten. Dat dat enige tijd is geleden (in 2016) acht de rechtbank minder relevant, nu verdachte tot december 2020 met een ISD-maatregel gedetineerd was. Alles afwegende acht de rechtbank een geheel onvoorwaardelijke gevangenisstraf van vijf maanden passend en geboden. 7.4 De inbeslaggenomen voorwerpen De officier van justitie heeft het standpunt ingenomen dat het in beslag genomen breekijzer moet worden verbeurdverklaard De raadsman heeft zich over het beslag niet uitgelaten. De rechtbank is van oordeel dat het breekijzer moet worden verbeurdverklaard, omdat het feit hiermee is begaan. 8De schade van benadeelde 8.1 De vordering van de benadeelde partij [aangever] heeft zich, bijgestaan door mr. M.J.E.C. Camps, advocaat in Enschede, als benadeelde partij gevoegd in dit strafproces. De benadeelde partij vordert verdachte te veroordelen om schadevergoeding te betalen tot een totaalbedrag van € 5.696,50, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment waarop het strafbare feit is gepleegd. De gevorderde materiële schade (€ 696,50) bestaat uit de volgende posten: - € 100,-- kledingschade - € 385,-- eigen risico zorgverzekering Menzis 2021 - € 15,-- kosten medicijnen/hulpmiddelen - € 50,-- reiskosten: € 0,26 per km huisarts, fysiotherapeut
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.