RECHTBANK OVERIJSSEL Team Strafrecht Zittingsplaats Zwolle Parketnummer: 08.056266.21 Datum vonnis: 2 december 2021 Vonnis op tegenspraak van de rechtbank Overijssel, meervoudige kamer voor strafzaken, rechtdoende op de vordering op grond van artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht (Sr) van de officier van justitie ten aanzien van de veroordeelde: [verdachte] , geboren op [geboortedatum] 1993 in [geboorteplaats] , wonende aan de [adres] , nu verblijvende in de P.I. Zwolle. 1De vordering van de officier van justitie De officier van justitie vordert dat de rechtbank het bedrag vaststelt waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel als bedoeld in artikel 36e Sr wordt geschat en de veroordeelde de verplichting oplegt tot betaling aan de Staat van het geschatte voordeel tot een bedrag van € 43.172,
- 2De procedure De vordering is behandeld op de openbare terechtzitting van 18 november
- De veroordeelde, bijgestaan door zijn raadsvrouw mr. M.G. Pekkeriet-Bischop, advocaat in Deventer, is op die terechtzitting op de vordering gehoord. Op de terechtzitting heeft de officier van justitie mr. M. Hoekstra zijn vordering gehandhaafd. De raadsvrouw heeft, overeenkomstig de overgelegde pleitnota, gesteld dat zij ten aanzien van de berekening van het voordeel en de opgenomen posten geen opmerkingen heeft. De raadsvrouw staat op het standpunt dat het totaalbedrag verminderd moet worden, omdat zij meent dat van 261 kalenderdagen uitgegaan moet worden in plaats van 441 dagen. Het totaalbedrag komt volgens haar berekeningen neer op € 25.551,
- De veroordeelde heeft tevens de verdeling tussen de crack en snuifcocaïne aangescherpt. Volgens hem moet worden uitgegaan van een verdeling van 75/25 of van 80/
- 3De beoordeling van de vordering 3.1 Veroordeling De veroordeelde is bij vonnis van deze rechtbank van 2 december 2021 veroordeeld, voor zover van belang, voor het strafbare feit: medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder B van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd. 3.2 De beoordeling van de omvang van het wederrechtelijk verkregen voordeel De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder het met deze vordering samenhangende strafdossier en het in de onderhavige zaak opgemaakte rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel van 11 oktober 2021 (hierna: het rapport). De rechtbank neemt als grondslag voor de ontnemingsvordering wat bewezen is verklaard in het hiervoor genoemde vonnis van de rechtbank. De periode die de rechtbank in haar vonnis bewezen heeft verklaard, is 1 maart 2020 tot en met 17 mei
- De rechtbank gaat uit van 441 kalenderdagen. De rechtbank acht op basis van de wettige bewijsmiddelen aannemelijk dat de veroordeelde voordeel heeft genoten van de door hem verkochte cocaïne en de rechtbank ontleent aan de inhoud van die bewijsmiddelen tevens de schatting van dat voordeel. De rechtbank acht de berekening in het rapport aannemelijk en zal deze dan ook volgen. De rechtbank gaat niet uit van de door de veroordeelde aangescherpte verdeling tussen crack en snuifcocaïne. Deze stelling is niet nader onderbouwd en is niet in het voordeel, maar juist in het nadeel van de veroordeelde. De 80-20 verdeling levert namelijk een hoger te ontnemen bedrag op, te weten € 57.042,
- De rechtbank stelt op grond van wettige bewijsmiddelen de omvang van het wederrechtelijk verkregen voordeel vast op € 43.172,
- 3.3 De vaststelling van de betalingsverplichting De rechtbank is van oordeel dat aan de veroordeelde de verplichting moet worden opgelegd tot betaling aan de Staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel van een bedrag van € 43.172,
- 4De wettelijke voorschriften De oplegging van de maatregel is gegrond op artikel 36e Sr. 5De beslissing De rechtbank: stelt het bedrag waarop het door de veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op € 43.172,
- legt de veroordeelde de verplichting op tot betaling van € 43.172,75 aan de Staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel; bepaalt de duur van de gijzeling die met toepassing van artikel 6:6:25 van het Wetboek van Strafvordering ten hoogste kan worden gevorderd op 863 dagen. Dit vonnis is gewezen door mr. V.P.K van Rosmalen, voorzitter, mr. N.J.C. Monincx en A.S. Metgod, rechters, in tegenwoordigheid van mr. Y.W. van den Bosch, griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 2 december
- Mr. N.J.C. Monincx en mr. A.S. Metgod zijn niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.