vonnis RECHTBANK OVERIJSSEL Team kanton en handelsrecht Zittingsplaats Almelo zaaknummer / rolnummer: C/08/266338 / HA ZA 21-226 Vonnis van 8 december 2021 in de zaak van [naam curator] , in hoedanigheid van curator in het faillissement van [A] , wonend in [woonplaats 1] , eiser tot verificatie, hierna genoemd: “[curator] q.q.”, advocaat: mr. D. Koerselman, tegen [verweerder] , wonend in [woonplaats 2] , verweerder tot verificatie, hierna genoemd: “[verweerder]”, advocaat: mr. K. Horstman. 1De procedure 1.
- Het verdere verloop van de procedure blijkt uit: het tussenvonnis van 18 augustus 2021, de “Akte overlegging producties” van [curator] q.q. met roldatum van 1 november 2021, ter griffie ontvangen op 18 oktober 2021, de mondelinge behandeling van 1 november 2021, de spreekaantekeningen van [curator] q.q. 2De feiten 2.
- Bij vonnis van deze rechtbank van 19 november 2019 is de heer [C] (hierna: “ [C] ”) in staat van faillissement verklaard, met aanstelling van mr. [B] tot curator. 2.
- Bij vonnis van deze rechtbank van 6 mei 2020 is de besloten vennootschap [A] (hierna: “ [A] ”) in staat van faillissement verklaard, eveneens met aanstelling van mr. [B] tot curator. [C] is de enige bestuurder van [A] 2.
- Bij beschikking van 2 december 2020 heeft de rechtbank mr. [B] op diens verzoek als curator in het faillissement van [A] ontslagen. [curator] q.q. is daarbij als vervangend curator aangesteld. 2.
- [curator] q.q. heeft [C] in privé aansprakelijk gesteld voor het boedeltekort in het faillissement van [A] wegens kennelijk onbehoorlijk bestuur. [curator] q.q. heeft een vordering ter hoogte van het boedeltekort ter verificatie ingediend in het faillissement van [C] . 2.
- In het faillissement van [C] heeft een verificatievergadering plaatsgevonden op 19 april en 17 mei
- Daarbij heeft mr. [B] de door [curator] q.q. ingediende vordering als concurrente schuld erkend tot een bedrag van € 475.029,08, waaronder een bedrag van € 22.854,12 aan faillissementskosten (exclusief btw). 2.
- [verweerder] heeft in het faillissement van [C] een vordering ter hoogte van € 1.120,00 ter verificatie ingediend, welke vordering tijdens de verificatievergadering (uiteindelijk) als concurrente schuld is erkend. [verweerder] heeft de door [curator] q.q. ingediende vordering tijdens de verificatievergadering betwist. Vanwege deze betwisting heeft de rechter-commissaris partijen verwezen naar deze renvooiprocedure. 3Het geschil 3.
- [curator] q.q. vordert (verkort weergegeven) dat de rechtbank zijn vordering in het faillissement van [C] erkent tot een bedrag van € 475.029,
- 3.
- [curator] q.q. legt daaraan onder meer het volgende ten grondslag: [C] is op grond van kennelijk onbehoorlijk bestuur aansprakelijk voor het boedeltekort in het faillissement van [A] . Er is namelijk geen administratie van de vennootschap beschikbaar en de jaarrekening over 2018 is niet gedeponeerd. Hierdoor staat vast dat [C] zijn taak als bestuurder onbehoorlijk heeft vervuld en wordt vermoed dat de onbehoorlijke taakvervulling een belangrijke oorzaak is van het faillissement. [verweerder] heeft dat vermoeden niet ontzenuwd. 3.
- [verweerder] voert verweer. Op de stellingen van partijen wordt, voor zover van belang, hierna nader ingegaan. 4De beoordeling De bestuurdersaansprakelijkheid van [C] 4.
- [curator] q.q. stelt dat [C] niet aan zijn administratie- en bewaarplicht uit artikel 2:10 BW heeft voldaan. [verweerder] voert daartegen aan (in navolging van hetgeen [C] zelf buitengerechtelijk heeft betoogd) dat [C] wel degelijk een deugdelijke administratie heeft gevoerd en dat [C] deze zorgvuldig heeft bewaard in zijn toenmalige woning. De administratie is volgens [verweerder] echter buiten schuld van [C] verloren gegaan. [verweerder] betoogt daartoe onder andere: dat de politie de woning op 10 juli 2019 is binnengetreden om deze te doorzoeken, waarbij onder meer de sloten van de toegangsdeuren fors zijn beschadigd; dat [C] (en diens echtgenote) daarbij zijn aangehouden en in voorlopige hechtenis zijn gesteld; dat de politie de woning onbeheerd heeft achtergelaten zonder die behoorlijk af te sluiten; en dat vervolgens onbevoegde derden de woning hebben leeggehaald tijdens de detentie van [C] , waarbij de volledige administratie is weggenomen. De rechtbank passeert het verweer van [verweerder] . In het licht van het ambtsedig opgemaakte proces-verbaal van de doorzoeking van de woning, waarin nadrukkelijk is vermeld dat geen schade aan de woning is toegebracht en dat deze in afgesloten staat is achtergelaten, heeft [verweerder] namelijk onvoldoende onderbouwd dat de woning vanwege het politieoptreden daadwerkelijk voor derden toegankelijk was. De enkele blote stelling van [verweerder] dat het proces-verbaal niet klopt, volstaat niet. Nu de rechtbank voorbij gaat aan het betoog van [verweerder] dat de afwezigheid van administratie te wijten is aan overmacht, staat vast dat [C] niet heeft voldaan aan zijn administratie- en bewaarplicht. Daaruit volgt op grond van artikel 2:248 lid 2 BW dat [C] zijn taak onbehoorlijk heeft vervuld en dat wordt vermoed dat de onbehoorlijke taakvervulling een belangrijke oorzaak is van het faillissement van [A] . 4.
- Verder heeft [verweerder] niet bestreden dat [C] niet heeft voldaan aan zijn verplichtingen uit artikel 2:394 BW met betrekking tot de jaarrekening. Ook op die grond staat derhalve vast dat [C] zijn taak onbehoorlijk heeft vervuld en wordt vermoed dat de onbehoorlijke taakvervulling een belangrijke oorzaak is van het faillissement. 4.
- [verweerder] bepleit dat geen enkel verband bestaat tussen de schending door [C] van zijn bovengenoemde bestuurdersverplichtingen en het faillissement van [A] . Volgens [verweerder] is de werkelijke faillissementsoorzaak gelegen in hoge schulden in het faillissement van [C] in privé. De rechtbank volgt echter zonder nadere toelichting, die ontbreekt, niet hoe het bestaan van (hoge) schulden in het faillissement van [C] , geleid kan hebben tot het faillissement van [A] . Het vermogen van [A] is immers afgescheiden van het privévermogen van [C] , en [A] is in beginsel niet voor privéschulden van [C] aansprakelijk. Bovendien is het bestaan van schulden in directe zin altijd, als noodzakelijke voorwaarde, de aanleiding voor een faillietverklaring (zie artikel 1 Fw). De stelling van [verweerder] dat het faillissement is veroorzaakt door het bestaan van hoge schulden, is dus op zichzelf nietszeggend. Bepalend is door welke oorzaak of oorzaken [A] is opgehouden haar schulden te betalen, maar daarover heeft [verweerder] geen concrete stellingen ingenomen. Hetgeen [verweerder] heeft aangedragen is derhalve onvoldoende om het vermoeden te ontzenuwen dat de onbehoorlijke taakvervulling door [C] een belangrijke oorzaak is van het faillissement. 4.
- Uit het voorgaande volgt dat (tussen [curator] q.q. en [verweerder] ) is komen vast te staan dat [C] op grond van artikel 2:248 lid 1 BW aansprakelijk is voor het boedeltekort in het faillissement van [A] . De hoogte van het boedeltekort 4.
- [curator] q.q. heeft bij zijn conclusie van eis ter specificatie van het gevorderde boedeltekort een overzicht ingebracht van de vorderingen die de schuldeisers in het faillissement van [A] hebben ingediend, en een overzicht van de faillissementskosten bestaande uit de uren die besteed zijn aan de afwikkeling van het faillissement. [verweerder] betwist de hoogte van het boedeltekort in het faillissement van [A] , waaronder ook de faillissementskosten. [verweerder] heeft daartoe bij antwoordconclusie aangevoerd dat [curator] q.q. heeft nagelaten om de onderliggende bewijsstukken te verstrekken voor de bij hem ingediende vorderingen. De rechtbank gaat daaraan voorbij. [curator] q.q. heeft bij nadere akte namelijk bewijsstukken voor de bij hem ingediende vorderingen ingebracht, waarop [verweerder] niet is ingegaan. [verweerder] heeft met name niet bestreden dat dat de bij [curator] q.q. ingediende vorderingen door deze bewijsstukken genoegzaam zijn onderbouwd. Bovendien heeft mr. [B] de vordering die [curator] q.q. heeft ingediend erkend tot een bedrag van € 475.029,08, waaronder een bedrag van € 22.854,12 aan faillissementskosten (exclusief btw). 4.
- Onderdeel van het door [curator] q.q. gestelde boedeltekort in het faillissement van [A] , is een door de stichting Stichting Bedrijfstakpensioenfonds voor het Beroepsvervoer over de Weg (hierna: “het Pensioenfonds”) ingediende vordering van € 178.226,
- [A] en [C] zijn hoofdelijk tot betaling van dit bedrag veroordeeld in twee gerechtelijke procedures. [verweerder] voert als verweer aan dat deze vordering buiten beschouwing moet worden gelaten bij de berekening van het boedeltekort in het faillissement van [A] , omdat dezelfde vordering reeds is erkend in het faillissement van [C] in privé. De rechtbank volgt het verweer van [verweerder] niet. Uit het bepaalde in artikel 136 Fw volgt, zo heeft [curator] q.q. terecht aangevoerd, dat nu [C] en [A] als hoofdelijke schuldenaren in staat van faillissement verkeren, het Pensioenfonds in beide faillissementen kan opkomen voor het gehele bedrag totdat zijn vordering volledig is voldaan. Dit leidt er, anders dan [verweerder] suggereert, niet toe dat [C] twee keer aan dezelfde schuld moet voldoen. Immers, wanneer de schuld aan het Pensioenfonds geheel wordt betaald door [C] , zal [A] voor die schuld gekweten zijn en vermindert het boedeltekort waarvoor [C] aansprakelijk is. Daarin brengt de gevraagde erkenning van die schuld als onderdeel van het boedeltekort geen verandering. 4.
- Voor het overige heeft [verweerder] zijn betwisting van de hoogte van het boedeltekort niet van enige motivering voorzien. De rechtbank gaat daaraan dan ook als onvoldoende onderbouwd voorbij. De vordering 4.
- Gezien het voorgaande zal de rechtbank, zoals gevorderd, de vordering die [curator] q.q. in het faillissement van [C] heeft ingediend tot een bedrag van € 475.029,08 erkennen. Aangezien de erkenning declaratoir is kan deze beslissing, anders dan gevorderd, niet uitvoerbaar bij voorraad worden verklaard. 4.
- [verweerder] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [curator] q.q. worden begroot op: - griffierecht 309,00 - salaris advocaat 6.428,00 (2 punten, tarief VII) Totaal € 6.737,00 5De beslissing De rechtbank 5.
- erkent de vordering die [curator] q.q. in het faillissement van [C] heeft ingediend tot een bedrag van € 475.029,08, 5.
- veroordeelt [verweerder] in de proceskosten, aan de zijde van [curator] q.q. begroot op € 6.737,00, 5.
- verklaart de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad, 5.
- wijst het meer of anders gevorderde af. Dit vonnis is gewezen door A.H. Margadant en in het openbaar uitgesproken op 8 december
- (HJB)