vonnis RECHTBANK OVERIJSSEL Team kanton en handelsrecht Zittingsplaats Almelo zaaknummer / rolnummer: C/08/274608 / KG ZA 21-272 Vonnis in kort geding van 24 december 2021 in de zaak van [eiser] , wonende te [woonplaats] , eiser, verder te noemen [eiser] , advocaat mr. Y. Habib te Zoetermeer, tegen de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [gedaagde] B.V., gevestigd te [vestigingsplaats] , gedaagde, verder te noemen [gedaagde] , advocaat mr. P.H.A. Mulder te [woonplaats] . 1De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: de dagvaarding met producties, de aanvullende producties van de zijde van [eiser] , de, vanwege de maatregelen in verband met het Coronavirus, op voorhand aan de griffie van de rechtbank toegezonden pleitnota, met enkele producties, van de zijde van [gedaagde] . 1.2. De, vanwege eerdergenoemde maatregelen via een videoverbinding gehouden, mondelinge behandeling van de zaak vond plaats op 22 december 2021 in aanwezigheid van beide partijen, bijgestaan door hun advocaten. Bij die gelegenheid hebben beide partijen het eigen standpunt mondeling nader toegelicht. De griffier heeft daarvan aantekening gehouden. 1.3. Ten slotte is vonnis bepaald op vandaag. 2Feiten 2.1. [gedaagde] exploiteert een onderneming op het gebied van onder meer de recycling van kunststofafval tot een hoogwaardige kwaliteit regranulaat. Regranulaat dient als grondstof voor de kunststofindustrie. 2.2. [eiser] heeft vanaf 2013 als uitzendkracht werkzaamheden verricht voor [gedaagde] . Op 1 april 2018 is hij in dienst getreden bij [gedaagde] in de functie van medewerker recycling. [eiser] is ploegleider en heeft de beschikking over de sleutel van de toegangspoort(en). 2.3. In de nacht van 5 op 6 november 2021 en in de nacht van 19 op 20 november 2021 zijn er goederen gestolen/verduisterd bij [gedaagde] . De (verkoop)waarde van deze goederen bedraagt ruim € 100.000,--. 2.4. [eiser] heeft zich op 21 november 2021 ziek gemeld bij [gedaagde] . 2.5. Op 25 november 2021 is [eiser] thuis bezocht door een afvaardiging van [gedaagde] en is hij door [gedaagde] geconfronteerd met de diefstal van goederen. Op 26 november 2021 heeft [eiser] een verklaring over de gebeurtenissen op 19 en 20 november 2021 ondertekend. Op diezelfde dag is hij op staande voet ontslagen door [gedaagde] . 2.6. Na daartoe op 26 november 2021 verlof te hebben verkregen van de voorzieningenrechter van deze rechtbank, locatie Almelo, heeft [gedaagde] op 26 november 2021 (derden)beslag gelegd op dan wel onder: - de eigendom van de onroerende zaak staande en gelegen [aan het adres] , kadastraal bekend [1] (hierna: de woning), - het voertuig van het merk Volvo V60 met kenteken [kenteken] , (hierna: de auto), en - de gelden, geldswaarden en/of goederen die [eiser] houdt bij bankrekening [rekeningnummer] bij de Rabobank te Utrecht (hierna: de bankrekening). 2.7. Op 30 november 2021 heeft [gedaagde] bij de politie aangifte gedaan van (gekwalificeerde) diefstal tegen [eiser] . 2.8. Op 2 december 2021 heeft [eiser] bij de politie aangifte gedaan van chantage/afpersing. 3Het geschil 3.1. [eiser] vordert - kort samengevat - de opheffing van de conservatoire (derden)beslagen, met veroordeling van [gedaagde] in de kosten van deze procedure. 3.2. [gedaagde] voert gemotiveerd verweer. 3.3. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan. 4De beoordeling 4.1. Op grond van het bepaalde in artikel 705 lid 2 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) kan de opheffing van een conservatoir beslag onder meer worden bevolen, indien summierlijk blijkt van de ondeugdelijkheid van het door de beslaglegger ingeroepen recht of van het onnodige van het beslag, of, als het beslag is gelegd voor een geldvordering, indien voor deze vordering voldoende zekerheid is gesteld. Het ligt in de eerste plaats op de weg van degene die de opheffing vordert om met inachtneming van de beperkingen van de voorzieningenprocedure aannemelijk te maken dat de door de beslaglegger gepretendeerde vordering ondeugdelijk is of dat het voortduren van het beslag om andere redenen niet kan worden gerechtvaardigd. Er zal evenwel beslist moeten worden aan de hand van wat door beide partijen naar voren is gebracht en summierlijk met bewijsmateriaal is onderbouwd. Bij de beoordeling van het opheffingsverzoek zal de voorzieningenrechter ook een afweging dienen te maken van de wederzijdse belangen, waarbij moet worden beoordeeld of het belang van de beslaglegger bij handhaving van het beslag op grond van de door deze naar voren gebrachte omstandigheden zwaarder dient te wegen dan het belang van de beslagene bij opheffing van het beslag. Daarbij moet in aanmerking worden genomen dat een conservatoir beslag bedoeld is om te waarborgen dat als een vooralsnog niet vaststaande vordering in de hoofdzaak wordt toegewezen, verhaal mogelijk zal zijn, terwijl de beslaglegger bij afwijzing van zijn vordering voor de door het beslag ontstane schade kan worden aangesproken. 4.2. [gedaagde] heeft in het beslagrekest en de toelichting daarop ter zitting gemotiveerd gesteld op welke rechtsgrond haar vordering berust. [gedaagde] stelt dat zij een schadevergoedingsvordering heeft op [eiser] uit hoofde van onrechtmatige daad vanwege onrechtmatig handelen dan wel toerekenbaar tekortschieten van [eiser] . Volgens [gedaagde] heeft [eiser] een actieve bijdrage geleverd aan diefstal van aan [gedaagde] in eigendom toebehoorde goederen ter hoogte van ruim € 100.000,--. [eiser] wist van de diefstallen, maar heeft er voor gekozen om deze niet te voorkomen, maar om daaraan mee te werken. Dit, terwijl er een wettelijke verplichting, althans bevoegdheid, op [eiser] rust om kennis van een strafbaar feit te delen teneinde het strafbaar feit te voorkomen. Tenslotte is (het meewerken aan) diefstal een dringende reden en een uitdrukkelijke schending van zijn contractuele verplichtingen uit hoofde van zijn arbeidsovereenkomst. Ook dient [eiser] zich als goed werknemer te gedragen. Door mee te werken aan diefstal, althans deze niet te verhinderen, heeft hij ook deze ongeschreven verplichtingen geschonden, aldus [gedaagde] . 4.3. [eiser] betwist zich schuldig gemaakt te hebben aan onrechtmatige daad. [eiser] stelt dat hij heeft gehandeld uit overmacht. Hij en zijn gezin werden met de dood bedreigd door enkele mannen en onder deze bestaande dreiging heeft hij de instructies van deze mannen uitgevoerd. [eiser] stelt dat de schade van [gedaagde] hem niet valt toe te rekenen. 4.4. De voorzieningenrechter acht de vordering waarvoor beslagen zijn gelegd voorshands niet summierlijk ondeugdelijk. Daartoe is het volgende redengevend. 4.5. Tussen partijen is niet in geschil dat er in de nacht van 5 op 6 november 2021 en 19 op 20 november 2021 aan [gedaagde] in eigendom toebehorende materialen zijn ontvreemd. Evenmin is, mede gelet op de inhoud van het ambtsedig opgemaakt proces-verbaal van aangifte van chantage/afpersing door [eiser] , niet in geschil dat [eiser] in de genoemde nachten materialen uit het magazijn heeft gehaald en deze op het bedrijventerrein van [gedaagde] heeft klaargezet om vervolgens met zijn sleutel de toegangspoort(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.