RECHTBANK OVERIJSSEL Team kanton en handelsrecht Zittingsplaats Almelo Zaaknummer : 9032345 \ CV EXPL 21-385 Vonnis van 28 september 2021 in de zaak van [eiser] ,wonende te [woonplaats] , eisende partij, hierna te noemen [eiser] , gemachtigde: Stichting Univé Rechtshulp, tegen de besloten vennootschap [A] HOVENIERS B.V.,gevestigd en kantoorhoudende te [vestigingsplaats] , gedaagde partij, hierna te noemen [gedaagde] , gemachtigde: mr. H.J. Koop. 1De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: - het tussenvonnis van 11 mei 2021, - de conclusie van antwoord in reconventie met producties, - de aanvullende producties (producties 7 t/m 9) van de zijde van [gedaagde] , - de mondelinge behandeling van 26 augustus 2021. Hierbij is [eiser] verschenen, bijgestaan door mr. N. Hollander van Stichting Univé Rechtshulp en door zijn zoon, [B] . Namens [gedaagde] zijn de heren [C] (statutair directeur), [D] (statutair directeur) en [E] (voormalig directeur) verschenen, bijgestaan door mr. H.J. Koop. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van hetgeen tijdens de mondelinge behandeling is besproken, - de pleitnota van de gemachtigde van [gedaagde] . 1.2. Ten slotte is vonnis bepaald. 2De feiten 2.1. [gedaagde] is een hoveniersbedrijf. 2.2. Op 26 augustus 2019 hebben [eiser] en [gedaagde] een overeenkomst gesloten met betrekking tot het leveren en plaatsen van een nieuwe houten berging met overkapping en het verrichten van werkzaamheden in de tuin (hierna: de overeenkomst). De aanneemsom bedraagt € 35.000,00 inclusief btw. 2.3. [gedaagde] heeft de werkzaamheden uitgevoerd in de periode van september tot en met november 2019. Op 13 november 2019 heeft zij de werkzaamheden afgerond. 2.4. Op 3, 17 en 18 december 2019 heeft [gedaagde] herstelwerkzaamheden verricht. 2.5. Bij brief van 18 december 2019 heeft [eiser] [gedaagde] schriftelijk in gebreke gesteld en haar een termijn van één maand gegeven om, zakelijk weergegeven, over te gaan tot herstel van alle door [eiser] gestelde gebreken. 2.6. Op 9 april 2020 heeft een door [eiser] ingeschakelde expert (ing. [F] , werkzaam bij [G] ) het werk van [gedaagde] opgenomen. [gedaagde] was hierbij aanwezig. Op 15 juni 2020 heeft de expert een rapport over zijn bevindingen (hierna: het expertiserapport) uitgebracht. 2.7. Op 18 augustus 2020 heeft [gedaagde] een factuur aan [eiser] gestuurd voor de resterende termijn van de aanneemsom, ter hoogte van € 3.576,40. [eiser] heeft die factuur onbetaald gelaten. 3Het geschil in conventie 3.1. [eiser] vordert dat de kantonrechter bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad: I. verklaart voor recht dat [gedaagde] ten opzichte van [eiser] toerekenbaar is tekortgeschoten in de nakoming van haar verplichtingen voortvloeiende uit de overeenkomst, II. [gedaagde] veroordeelt om tegen behoorlijk bewijs van kwijting een bedrag van € 1.461,07 aan expertisekosten aan hem te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag te berekenen vanaf 4 februari 2021 tot de dag van volledige voldoening, III. [gedaagde] veroordeelt om, binnen een termijn van één maand na betekening van dit vonnis, de gebreken in het door haar geleverde werk, zoals opgenomen in het petitum van de dagvaarding onder de letters a t/m x, deugdelijk en naar de regels van goed vakmanschap te (doen) herstellen, IV. [gedaagde] veroordeelt in de kosten van deze procedure, V. [gedaagde] veroordeelt tot betaling aan [eiser] van de nakosten ten bedrage van € 131,00 zonder betekening van dit vonnis en € 199,00 in geval van betekening van dit vonnis. 3.2. [eiser] legt aan zijn vorderingen ten grondslag dat [gedaagde] is tekortgeschoten in de nakoming van de op grond van de overeenkomst op haar rustende verplichtingen. Volgens [eiser] heeft [gedaagde] de werkzaamheden niet juist, niet volledig, niet overeenkomstig de eisen van goed vakmanschap en niet in overeenstemming met de overeenkomst uitgevoerd. [eiser] stelt dat [gedaagde] in verzuim is komen te verkeren als gevolg van de ingebrekestellingen die door hem zijn verzonden en vordert nakoming, in die zin dat [gedaagde] wordt veroordeeld om alsnog deugdelijk te presteren. Daarnaast vordert [eiser] vergoeding van de door hem gemaakte expertisekosten, waarvan hij stelt dat hij die heeft moeten maken omdat [gedaagde] het bestaan van de tekortkomingen bleef ontkennen. 3.3. [gedaagde] concludeert tot afwijzing van de vorderingen, met veroordeling van [eiser] in de proceskosten. Haar verweer komt er – samengevat – op neer dat geen sprake is van een tekortkoming, omdat de werkzaamheden zijn verricht naar de eisen van goed en deugdelijk werk. Volgens [gedaagde] is slechts sprake van geringe afwijkingen (geen gebreken) die niet aan een deugdelijke oplevering in de weg staan. In dat verband beroept zij zich erop dat [eiser] haar nooit in de gelegenheid heeft gesteld om die geringe afwijkingen te verhelpen. Volgens [gedaagde] is inmiddels sprake van een vertrouwensbreuk, die maakt dat niet meer van haar kan worden verwacht dat zij alsnog zal nakomen. Verder bestrijdt [gedaagde] de in het expertiserapport begrote schade, zowel wat betreft de omvang daarvan als wat betreft de causaliteit. 3.4. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan. 4Het geschil in reconventie 4.1. [gedaagde] vordert dat de kantonrechter bij vonnis, voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad: I. [eiser] veroordeelt tot betaling aan haar van een bedrag van € 3.576,40, te vermeerderen met de wettelijke rente ex artikel 6:119 BW vanaf 1 september 2020 tot aan de dag van volledige voldoening, II. de overeenkomst ontbindt, voor zover deze betrekking heeft op uitvoering van de door [eiser] gevorderde herstelwerkzaamheden, een en ander met veroordeling van [eiser] in de proceskosten. 4.2. [gedaagde] legt aan haar vordering ten grondslag dat zij in verband met de oplevering van de werkzaamheden op 18 augustus 2020 een eindfactuur ten bedrage van € 3.576,40 inclusief btw aan [eiser] heeft gestuurd en dat [eiser] in gebreke is gebleven met de betaling daarvan. Volgens [gedaagde] is [eiser] in verzuim, omdat de op de factuur vermelde betalingstermijn van veertien dagen is verstreken. Zij stelt dat aan [eiser] geen opschortingsrecht toekomt, omdat het overeengekomen werk deugdelijk is opgeleverd. Daarnaast stelt [gedaagde] dat, voor zover zij verplicht is om de overeenkomst alsnog na te komen, er sprake is van een zodanige vertrouwensbreuk dat nakoming in redelijkheid niet meer van haar kan worden verwacht. Zij verzoekt de kantonrechter daarom om vast te stellen dat sprake is van bijzondere omstandigheden in de zin van artikel 6:258 Burgerlijk Wetboek (BW) en om de overeenkomst (partieel) te ontbinden daar waar [gedaagde] geacht wordt tot nakoming ter afwikkeling van de overeengekomen werkzaamheden. [gedaagde] stelt dat [eiser] , in geval van (partiële) ontbinding, het restant van de aanneemsom aan haar moet voldoen, te verminderen met de kosten die gepaard gaan met de nog uit te voeren herstelwerkzaamheden. 4.3. [eiser] concludeert tot niet-ontvankelijkverklaring dan wel afwijzing van de vorderingen, met veroordeling van [gedaagde] in de proceskosten. Zijn verweer komt er – samengevat – op neer dat hij zijn betalingsverplichting heeft opgeschort totdat [gedaagde] alle gebreken in het door haar geleverde werk deugdelijk heeft hersteld. Van een vertrouwensbreuk die aan nakoming in de weg staat, is volgens hem geen sprake. Verder betoogt [eiser] dat de redelijkheid en billijkheid eraan in de weg staan dat van hem wordt verwacht dat hij de eindfactuur betaalt, omdat hij al lange tijd niet kan genieten van zijn tuin. 4.4. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan. 5De beoordeling In conventie 5.1. [gedaagde] heeft een nieuwe houten berging met overkapping geleverd en geplaatst en de tuin rondom de woning van [eiser] aangelegd. Er is daarmee (mede) sprake van een overeenkomst van aanneming van werk als bedoeld in artikel 7:750 BW. 5.2. Tussen partijen is in geschil of de door [gedaagde] verrichte werkzaamheden voldoen aan de eisen van goed en deugdelijk werk. [eiser] stelt dat dit niet zo is, terwijl [gedaagde] zich op het standpunt stelt dat zij het werk in deugdelijke staat heeft opgeleverd en dat hooguit sprake is van enkele geringe afwijkingen. 5.3. [eiser] beroept zich ter onderbouwing van zijn standpunt op het in zijn opdracht tot stand gekomen expertiserapport van ing. [F] (hierna te noemen: [F] ). Volgens [F] is er op bepaalde punten sprake van een gebrek in het door [gedaagde] geleverde werk. [gedaagde] bestrijdt enkele conclusies van [F] ; op het punt van de gestelde gebreken, maar ook waar het gaat om de door hem begrote herstelkosten. 5.4. De kantonrechter overweegt ten aanzien van het rapport van [F] dat dit in opdracht van [eiser] is opgemaakt. Uit dat rapport valt af te leiden dat [eiser] heel specifiek aan [F] heeft gevraagd om drieëntwintig door hem genoemde punten te beoordelen. Hoewel [gedaagde] wel aanwezig is geweest bij het onderzoek ter plaatse, is gesteld noch gebleken dat zij ook de gelegenheid heeft gehad om haar vragen aan [F] voor te leggen. De kantonrechter is dan ook voorlopig van oordeel dat het rapport van [F] niet als een onafhankelijk rapport kan worden aangemerkt en om die reden bij de beoordeling van de door [eiser] gestelde, maar door [gedaagde] bestreden gebreken niet als uitgangspunt kan dienen. Inschakelen deskundige (gebreken c, d, e, i, j, k, p, q, r, t, v, w en
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.