RECHTBANK OVERIJSSEL Team Strafrecht Meervoudige kamer Zittingsplaats Almelo Parketnummer: 08/952332-19 (P) + 08/170714-17 (tul) Datum vonnis: 5 februari 2021 Vonnis op tegenspraak in de zaak van de officier van justitie tegen: [verdachte] , geboren op [geboortedatum] 1986 in [geboorteplaats] , nu verblijvende in de PI Almelo. 1Het onderzoek op de terechtzitting Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzittingen van 24 augustus 2020 en 22 januari 2021. De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. G.J. Jansen, van wat ter terechtzitting van 24 augustus 2020 door verdachte en zijn toenmalige raadsman mr. Y. Moszkowicz, advocaat in Utrecht, en van wat ter terechtzitting van 22 januari 2021 door verdachte en zijn raadsman mr. R.J.H. van der Wal, advocaat in Hengelo, naar voren is gebracht. 2De tenlastelegging De verdenking komt er, na wijziging van de tenlastelegging van 24 augustus 2020, kort en zakelijk weergegeven, op neer dat verdachte in de nacht van 19 op 20 mei 2019: feit 1: met anderen opzettelijk [slachtoffer] wederrechtelijk van zijn vrijheid heeft beroofd; feit 2: met anderen opzettelijk en met voorbedachten rade [slachtoffer] zwaar lichamelijk letsel heeft toegebracht dan wel dat heeft geprobeerd; feit 3: met anderen heeft geprobeerd opzettelijk en met voorbedachten rade [slachtoffer] zwaar lichamelijk letsel toe te brengen dan wel die [slachtoffer] heeft mishandeld; feit 4: met anderen [slachtoffer] heeft bedreigd. Voluit luidt de tenlastelegging aan verdachte, dat: 1. hij in omstreeks de periode van 19 mei 2019 tot en met 20 mei 2019 te Almelo, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk een persoon, genaamd [slachtoffer] , wederrechtelijk van de vrijheid heeft/hebben beroofd en/of beroofd gehouden, immers heeft/hebben verdachte en/of zijn mededader(
(2)dat het spoor DNA bevat van [slachtoffer] en een onbekende, niet verwante persoon. In beide gevallen zijn de resultaten van het onderzoek extreem veel waarschijnlijker wanneer hypothese 1 juist is dan wanneer hypothese 2 juist is. Tot slot heeft het Maastrichts Forensisch Instituut onderzoek verricht naar de in de woning aangetroffen bloedsporen op de fauteuil, de vloer en het aanrecht. De bevindingen van dat onderzoek zijn opgenomen in het rapport van 16 oktober 2019 en houden het volgende in: - De bloedsporen op de bovenzijde en rechterzijde van de fauteuil betreffen DNA-mengprofielen van minimaal drie donoren. Voor het bloedspoor op de bovenzijde van de fauteuil geldt dat er een DNA-hoofdprofiel is afgeleid dat overeenkomt met het DNA-profiel van [slachtoffer] . De kans dat het DNA-hoofdprofiel van een ander afkomstig is dan van [slachtoffer] is kleiner dan één op één miljard. Ten aanzien van het bloedspoor op de rechterleuning van de fauteuil geldt dat [slachtoffer] donor kan zijn van het celmateriaal. - Het bloedspoor dat op de vloer in de keuken is veiliggesteld is een DNA-mengprofiel van minimaal twee donoren, van wie zeker één man. [medeverdachte] kan een donor zijn. - Het bloedspoor dat op het aanrechtblad is gevonden bevat een DNA-profiel dat overeenkomt met het DNA-profiel van [slachtoffer] . De kans dat het DNA-profiel van een ander afkomstig is dan van [slachtoffer] is kleiner dan één op één miljard. Het onderzoek naar mobiele telefoons De door de politie in de vuilnisbak gevonden telefoon blijkt van [slachtoffer] te zijn. Op het toestel is een foto aangetroffen van twee mannen, zijnde verdachte en [medeverdachte] . Desgevraagd verklaart [slachtoffer] dat hij deze mannen herkent als verdachte en de [medeverdachte] over wie hij heeft verklaard en van wie hij de achternaam niet weet. De bewuste avond was de eerste keer dat hij deze [medeverdachte] ontmoette. Daarnaast is het Facebook Messenger gesprek met verdachte achterhaald waarin [slachtoffer] rond 17.30 uur wordt uitgenodigd om naar de [adres 1] in Almelo te komen. Om 18.30 uur antwoordt [slachtoffer] dat hij met een paar minuten wegrijdt. Er is ook onderzoek ingesteld naar de telefoon van [medeverdachte] . Op het toestel is een filmpje aangetroffen van 20 mei 2019 om 02.04.29 uur. Op dit filmpje is [slachtoffer] te zien. Hij zit aan een tafel en houdt zijn rechterhand op het tafelblad. Zijn hand wordt getatoeëerd met de letters ‘ACAB’. Van de tatoeëerder is alleen de linkerhand en –onderarm en deels de rechterhand te zien. Hierop zijn tatoeages zichtbaar die, zo blijkt uit nader onderzoek, overeenkomen met de tatoeages op de armen en handen van [medeverdachte] . De omgeving doet vermoeden dat de opname is gemaakt in de woning aan de [adres 1] in Almelo. Verder is aan het licht gekomen dat er op 20 mei 2019 vanaf 02.47 uur appcontact heeft plaatsgevonden tussen [medeverdachte] en [getuige 2] , de overbuurvrouw van [medeverdachte] . In dit appgesprek vraagt [getuige 2] aan [medeverdachte] of zij nog achter het huis zitten en dat zij wat hoort. Daarna appt zij hem dat ze zag dat [medeverdachte] weer aan de tattoo was geweest. Daarnaast zijn de historische verkeersgegevens van de telefoons van [slachtoffer] , [medeverdachte] en verdachte van 19 mei 2019 en 20 mei 2019 onderzocht. Hieruit volgt dat alle telefoons in deze periode, al dan niet onafgebroken, hebben aangestraald op zendmasten die dekking geven aan de [adres 1] in Almelo. De verklaringen van getuigen De vader van [slachtoffer] bevestigt dat [slachtoffer] hem in de nacht van 20 mei 2019 heeft gebeld. [slachtoffer] had gesmeekt om de hulp van zijn vader en had letterlijk gezegd: "help me pa". [slachtoffer] zou hebben gezegd dat hij ontvoerd was en dat hij getatoeëerd was. Daarnaast is [getuige 2] ondervraagd over het appgesprek tussen haar en [medeverdachte] , waaruit blijkt dat zij zag dat [medeverdachte] ‘aan de tattoo’ was geweest. [getuige 2] verklaart dat zij dit wist omdat [medeverdachte] haar een eigen werk had gestuurd. 4.4.2 De overwegingen en conclusies De vraag is of verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan de hem ten laste gelegde feiten. De rechtbank stelt vast dat niet ter discussie staat dat [slachtoffer] op uitnodiging van verdachte in de nacht van 19 mei 2019 op 20 mei 2019 in de woning aan de [adres 1] in Almelo is geweest en dat [slachtoffer] toen in het bijzijn van verdachte getatoeëerd is. Verdachte en [slachtoffer] hebben voor het overige elk een andere lezing van de gebeurtenis. De rechtbank zal daarom eerst de lezing van verdachte enerzijds en de betrouwbaarheid van de verklaringen van [slachtoffer] anderzijds beoordelen. De verklaring van verdachte Verdachte heeft zich tot aan de zitting van 22 januari 2021 grotendeels op zijn zwijgrecht beroepen. Tijdens het verblijf van verdachte in de gevangenis zijn er gesprekken afgeluisterd, die zien op deze proceshouding. Op 6 september 2019 heeft verdachte bijvoorbeeld gezegd dat ze het 15 november gaan meemaken. Hij kan zijn mond wel los doen, maar dat heeft geen nut. Eerst goed overleg plegen. Alles is in de maak. De verklaring die hij uiteindelijk op 22 januari 2021 heeft afgelegd houdt in dat hij samen met [slachtoffer] aanwezig was in de woning aan de [adres 1] in Almelo. Verdachte kwam daar vaker, bijna dagelijks. Er werd op die avond alcohol en drugs gebruikt. Ook vond er een tatoeëersessie plaats, waarbij [slachtoffer] en verdachte vrijwillig zijn getatoeëerd. [slachtoffer] kreeg op een enig moment een woordenwisseling met iemand. Verdachte heeft hem toen vastgepakt en weggetrokken en heeft de boel gesust. Ergens tussen 01.30 en 02.00 uur is verdachte weggegaan naar de woning van zijn vriendin [vriendin verdachte] . [slachtoffer] , die op dat moment nog geen letsel had, bleef in de woning achter. Het was toen nog gezellig. Verdachte heeft niet willen verklaren over anderen die op die avond aanwezig waren in de woning aan de [adres 1] in Almelo. De rechtbank acht dit door verdachte geschetste alternatieve scenario niet aannemelijk. In de eerste plaats heeft verdachte – na eerder steeds te hebben gezwegen – pas tijdens de laatste behandeling van zijn zaak op 22 januari 2021 een verklaring afgelegd over wat er volgens hem in de nacht van 19 mei 2019 op 20 mei 2019 is gebeurd. Verdachte zat toen ruim anderhalf jaar in voorarrest en heeft ruim voldoende de tijd gehad om het dossier in volle omvang te bestuderen en zijn verklaring daarop af te stemmen. Zijn verklaring eerst op 22 januari 2021 is des te meer opvallend nu de feiten reeds op 24 augustus 2020 ter terechtzitting waren besproken. In de tweede plaats draagt het niet aan de geloofwaardigheid van zijn verklaring bij dat zijn vriendin [vriendin verdachte] , over wie verdachte beweert dat hij rond 02.00 uur in haar woning was, heeft verklaard dat zij de gehele nacht in haar woning is geweest met haar kinderen. Zij rept daarbij niet over de aanwezigheid van verdachte. De rechtbank acht geen andere reden aannemelijk voor het niet eerder afleggen van deze – verdachte van het ten laste gelegde integraal vrijpleitende – verklaring dan de mogelijkheid tot afstemming ervan op de overige inhoud van het dossier. Dat past bij het afgeluisterde gesprek in de gevangenis, waarin verdachte zegt dat een verklaring in de maak is. De rechtbank hecht aan de verklaring van verdachte geen geloof. Daar komt bij dat verdachte geen namen heeft willen noemen van personen die zijn lezing zouden kunnen bevestigen. Hiermee ontneemt hij de rechtbank de gelegenheid zijn – toch al zeer moeilijk te geloven – verklaring te verifiëren. De rechtbank schuift deze verklaring van verdachte dan ook als ongeloofwaardig terzijde. De betrouwbaarheid van de verklaringen van [slachtoffer] De rechtbank overweegt dat de rechter bij de vraag naar de keuze en waardering van bewijs een grote vrijheid heeft. In het geval dat uitdrukkelijk onderbouwde standpunten naar voren worden gebracht ten aanzien van de betrouwbaarheid van de verklaringen moet de rechter motiveren waarom de ene verklaring wel voor het bewijs kan worden gebezigd en een andere niet. Bij de beoordeling van de betrouwbaarheid van een afgelegde verklaring weegt de rechtbank een aantal factoren mee. In de eerste plaats is van belang of dat wat wordt verklaard overeenkomt met of steun vindt in zo te noemen andere bewijsmiddelen. Hoe meer de verklaring wordt gesteund door objectieve feiten of omstandigheden of verklaringen van anderen, hoe meer waarde aan die verklaring kan worden gehecht. Een andere belangrijke factor is of de betreffende verklaring door de betrokkene ‘uit zichzelf’, zonder wetenschap vooraf van wat uit het onderzoek reeds naar voren is gekomen, is afgelegd. De rechtbank overweegt dat het dossier, zoals hierboven is uiteengezet, vele aanknopingspunten bevat die de verklaringen van [slachtoffer] ondersteunen. In de eerste plaats heeft [slachtoffer] letsel opgelopen, dat volgens de artsen kan worden veroorzaakt door een (stomp) inwerkende kracht. Er zijn op de hand en voet van [slachtoffer] tatoeages waargenomen. De hand van [slachtoffer] is op dat moment nog gezwollen en op sommige lijnen van de letters is nog bloed aanwezig. Verder voelt de ambulancebroeder in de nek van [slachtoffer] , waarvan hij zegt dat er een spuit met vloeistof in is gespoten, een verdikking. Een ander treffend voorbeeld is dat [slachtoffer] verklaart dat er een witte vaas op hem kapot is gegooid en dat er blikken bier tegen zijn lichaam zijn gegooid. In de vuilnisbak lagen scherven van een witte vaas en in de woning zijn ingedeukte blikken bier aangetroffen. Op diezelfde locatie is ook een witte bebloede doek gevonden. Dat is opmerkelijk in het licht van de verklaring van [slachtoffer] dat hij zijn bloed heeft opgedweild met een witte doek. Bovendien zijn er op diverse plekken in de woning bloedsporen aangetroffen, die matchen met [slachtoffer] . Maar er is meer. [slachtoffer] zegt dat zijn spijkerbroek en telefoon in de woning zijn achtergebleven. Beide goederen worden daar aangetroffen. Op de spijkerbroek die verdachte onder protest van [slachtoffer] heeft uitgetrokken is DNA-materiaal aangetroffen dat overeenkomt met dat van verdachte. Op verschillende voorwerpen waarvan [slachtoffer] verklaart dat deze zijn gebruikt bij de reeks mishandelingen is DNA-materiaal gevonden dat overeenkomt met dat van verdachte en/of [medeverdachte] . De rechtbank overweegt dat de verklaringen van [slachtoffer] veel en zeer specifieke details bevatten, die steun vinden in een groot aantal andere bewijsmiddelen. Dit is voor de rechtbank een contra-indicatie dat zijn verklaring over hetgeen zich in de nacht van 19 op 20 mei 2019 in de woning aan de [adres 1] heeft afgespeeld op leugens berust, zoals de verdediging bepleit. Dat sommige andere onderdelen uit de verklaringen van [slachtoffer] wellicht wat kwestieus zijn, doet daar niet aan af, nu deze aspecten in hoofdzaak zien op zijn eigen rol in het criminele circuit. De rechtbank acht de verklaringen van [slachtoffer] , in tegenstelling tot de verklaring van verdachte, betrouwbaar en bruikbaar voor het bewijs. Het verweer van de raadsman op dit punt wordt dan ook verworpen. De rol van verdachte De rechtbank gaat uit van de juistheid van de verklaringen van [slachtoffer] en neemt deze als uitgangspunt in haar bewijsoverweging. Op grond van deze verklaringen en objectieve bewijsmiddelen die zijn verklaringen ondersteunen, kan ten aanzien van de rol van verdachte het volgende worden vastgesteld. Verdachte heeft [slachtoffer] via Facebook Messenger uitgenodigd om naar de woning aan de [adres 1] in Almelo te komen en hij was aanwezig op het moment dat de ten laste gelegde handelingen plaatsvonden. Verdachte heeft [slachtoffer] bedreigd, geweld tegen hem gebruikt, met een tang gedreigd zijn ledematen af te knippen en hem getatoeëerd, terwijl het [slachtoffer] gedurende een langere periode niet vrij stond de woning te verlaten. Ook heeft verdachte de broek van [slachtoffer] uitgetrokken. Daarnaast is DNA-materiaal dat overeenkomt met dat van verdachte aangetroffen op (onder meer) het handvat van een knuppel, waarvan [slachtoffer] zegt dat hij daarmee op zijn vingers en hand is geslagen. De vraag is of deze gedragingen voldoende zijn om verdachte als medepleger te kunnen aanmerken. Voor de kwalificatie medeplegen is vereist dat sprake is van nauwe en bewuste samenwerking. Die kwalificatie is slechts gerechtvaardigd als de bewezenverklaarde – intellectuele en/of materiële – bijdrage van de verdachte aan het delict van voldoende gewicht is. De rechtbank overweegt dat sprake is van de voor medeplegen vereiste nauwe en bewuste samenwerking, nu de gedragingen van verdachte in de kern bestaan uit een gezamenlijke uitvoering. Ook is hij op andere belangrijke momenten aanwezig geweest in de woning en heeft hij zich niet teruggetrokken op daartoe geëigende tijdstippen. De rechtbank houdt verdachte volledig verantwoordelijk voor alle gedragingen, zoals die hieronder zullen worden besproken. De bewezen gedragingen De rechtbank zal hieronder uiteenzetten of en, zo ja, welke ten laste gelegde gedragingen wettig en overtuigend bewezen kunnen worden. Wederrechtelijke vrijheidsberoving (feit 1) De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat [slachtoffer] in de avond en nacht van 19 mei 2019 op 20 mei 2019 wederrechtelijk van zijn vrijheid is beroofd en beroofd gehouden. Hij is weliswaar vrijwillig, op uitnodiging van verdachte, op 19 mei 2019 rond 18.30 uur naar die woning gegaan, maar eenmaal in de woning ontstond een situatie waaraan hij zich niet kon onttrekken. [slachtoffer] is op een stoel gezet en getatoeëerd. Bij de rechter-commissaris verklaart [slachtoffer] hierover dat hij rustig is blijven zitten en niet tegen heeft gestribbeld, omdat hij wel wist dat hij er anders helemaal aan was gegaan. [slachtoffer] is meermalen geslagen, bedreigd, moest zijn bloed opdweilen en zijn kleding werd uitgetrokken. Volgens [slachtoffer] waren er die nacht meerdere mensen in de woning, hij spreekt op enig moment over tien personen, die zich tegen hem keerden. Door middel van een psychisch en getalsmatig overwicht werd [slachtoffer] belet zijn eigen bewegingsvrijheid te bepalen en zich te onttrekken aan de situatie. Pas in de ochtend zag [slachtoffer] kans om uit de woning te ontsnappen. Naar het oordeel van de rechtbank kan de onder 1 ten laste gelegde wederrechtelijke vrijheidsberoving dan ook bewezen worden verklaard. Voor het vastzetten en blinddoeken acht de rechtbank geen wettig en overtuigend bewijs aanwezig, zodat verdachte van die onderdelen wordt vrijgesproken. (Poging tot) zware mishandeling met voorbedachten rade (feiten 2 en 3) De rechtbank leidt uit de bewijsmiddelen af dat [slachtoffer] letsel heeft opgelopen. De artsen hebben bij [slachtoffer] onder meer een gebroken neus en bloeduitstortingen in het gezicht geconstateerd. Volgens [slachtoffer] is dit letsel veroorzaakt doordat hij meermalen in het gezicht is geslagen. Ook zijn op het lichaam van [slachtoffer] tatoeages waargenomen, namelijk twee op zijn hand en één op zijn voet. Uit de verklaring van [slachtoffer] volgt dat deze tatoeages tegen zijn wil zijn gezet. [slachtoffer] meldt verder dat hij op zijn lichaam is geslagen en dat er met een knuppel en hamer op zijn vingers en hand is geslagen. Daarnaast is er een vaas op zijn lichaam is kapot geslagen en zijn er blikken bier naar zijn hoofd en elders tegen zijn lichaam gegooid. Tot slot is er met een spuit vloeistof in de nek van [slachtoffer] gespoten en heeft hij met een taser stroomstoten gekregen. Volgens de forensisch arts ontstaan bloeduitstortingen door een inwerkende kracht op de huid. Scheurwonden worden veroorzaakt door een stomp inwerkende en/of overrekende kracht op de huid. Er kan worden gesteld dat stomp uitwendig geweld tegen het hoofd, zoals slaan, stompen, trappen maar ook een val tegen of op een hard voorwerp, in ernstiger of levensbedreigend tot kritiek letsel kan resulteren. De getatoeëerde huidbeschadigingen zullen zichtbaar blijven. Ten gevolge van de breuk in de neus kan een (lichte) scheefstand daarvan blijven bestaan. Het is niet mogelijk om te zeggen in hoeverre het lichte schedelhersenletsel dat bij [slachtoffer] is geconstateerd blijvende schade zal opleveren. De rechtbank is van oordeel dat [slachtoffer] zwaar lichamelijk letsel is toegebracht (feit 2 primair) en daartoe een poging is gedaan (feit 3 primair). De volgende vraag is of daarbij sprake is geweest van voorbedachten rade. Op grond van vaste jurisprudentie moet daarvoor vast komen te staan dat een verdachte zich gedurende enige tijd heeft kunnen beraden op het te nemen of het genomen besluit en niet heeft gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling, zodat hij gelegenheid heeft gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven. De rechtbank overweegt dat [slachtoffer] om en de nabij twaalf uren wederrechtelijk van zijn vrijheid is beroofd (gehouden) in de woning aan de [adres 1] in Almelo. Gedurende deze tijd hebben de geweldshandelingen zich voorgedaan. Gelet op de verklaring van [slachtoffer] is er sprake geweest van een serie van geweldsuitbarstingen. Volgens [slachtoffer] kreeg hij weliswaar op een gegeven moment uit het niets klappen van de mannen die in de woning waren, maar hierna bleven ze hem slaan en werd er gedreigd met geweld. Daarna kwamen er meer mannen in de woning, werd [slachtoffer] getatoeëerd, waarna hij weer werd geslagen. Vervolgens werd gedreigd hem te verkrachten en werd de kleding van [slachtoffer] uitgetrokken. [slachtoffer] moest zijn bloed opdweilen en toen hij daarmee klaar was, begonnen ze opnieuw. Dit proces heeft zich die nacht een meerdere keren herhaald. Hierna werd [slachtoffer] op de bank gelegd en werd er een vaas en een aantal blikken bier tegen hem aangegooid. De rechtbank is, gelet op het tijdsverloop, de verschillende geweldsinwerkingen en verschillende geweldshandelingen en de aanwezigheid van meerdere personen in de woning, van oordeel dat er voldoende momenten zijn geweest waarop zij zich hadden kunnen beraden. Op deze momenten zijn telkens beslissingen genomen die gericht waren op de uitvoering van het geweld en de bedreigingen. Verdachte heeft dus ruimschoots tijd en gelegenheid gehad om na te denken over de betekenis en de gevolgen van deze voorgenomen daden en zich daarvan rekenschap te geven. De rechtbank ziet ook overigens, bijvoorbeeld in de verklaring van verdachte, geen contra-indicaties die aan het aannemen van voorbedachten rade in de weg staan. De rechtbank acht dan ook wettig en overtuigend bewezen dat de onder 2 primair en 3 primair ten laste gelegde (poging tot) zware mishandeling met voorbedachten rade is gepleegd. Bedreiging (feit 4) De rechtbank overweegt dat op basis van de verklaring van [slachtoffer] kan worden vastgesteld dat hij in de woning is bedreigd met de dood, zware mishandeling en verkrachting. Anders dan de verdediging bepleit, staat zijn verklaring niet op zichzelf. Het staat immers vast dat in de woning een tang aangetroffen met daarop DNA-materiaal dat overeenkomt met dat van verdachte. Bovendien volgt uit het feit dat de broek van [slachtoffer] in de woning is achtergebleven, en daar ook is aangetroffen, dat deze is uitgetrokken. Nu op de band daarvan DNA-materiaal is gevonden dat overeenkomt met dat van verdachte, staat voor de rechtbank vast dat hij die handeling heeft verricht. De rechtbank acht het de onder 4 ten laste gelegde bedreigingen dan ook wettig en overtuigend bewezen. Het verweer van de raadsman op dit punt wordt dan ook verworpen. Het voorwaardelijke verzoek Nu de verklaring van [getuige 1] niet voor het bewijs wordt gebruikt, kan het voorwaardelijke verzoek van de raadsman met betrekking tot heropening van het onderzoek voor nader getuigenverhoor om haar verklaring te kunnen toetsen buiten beschouwing blijven. 4.5 De bewezenverklaring De rechtbank acht op grond van de in de bijlage opgenomen bewijsmiddelen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de ten laste gelegde feiten heeft begaan, met dien verstande dat:
- hij in de periode van 19 mei 2019 tot en met 20 mei 2019 te Almelo, tezamen en in vereniging met anderen opzettelijk een persoon, genaamd [slachtoffer] , wederrechtelijk van de vrijheid heeft beroofd en beroofd gehouden, immers hebben verdachte en zijn mededaders -die [slachtoffer] meermalen geslagen en getatoeëerd en bedreigd en gedurende langere tijd tegen zijn wil vast gehouden in een woning aan de [adres 1] en in die woning op een stoel gezet en op een bank gelegd en -die [slachtoffer] de kleding uitgetrokken -tegen die [slachtoffer] gezegd dat hij het bloed/de troep op moest ruimen en de vloer moest dweilen en -met gebruikmaking van hun psychisch en getalsmatig overwicht voor die [slachtoffer] een dusdanige situatie gecreëerd dat hij belet werd zijn eigen bewegingsvrijheid te bepalen en zich te onttrekken aan de gewelddadige en intimiderende en bedreigende invloedssfeer van verdachte en zijn mededaders en aldus die [slachtoffer] belet en belemmerd te gaan waarheen hij zich wilde begeven en voor die [slachtoffer] voortdurend een bedreigende situatie doen ontstaan waaraan hij zich niet kon onttrekken; 2 primair hij in de periode van 19 mei 2019 tot en met 20 mei 2019 te Almelo, tezamen en in vereniging met anderen aan een persoon, genaamd [slachtoffer] , opzettelijk en met voorbedachten rade zwaar lichamelijk letsel heeft toegebracht, te weten een gebroken neus en bloeduitstortingen in het gezicht en tatoeages op de hand en voet, door meermalen met kracht -tegen het gezicht van die [slachtoffer] te slaan en -tegen de wil van die [slachtoffer] tatoeages op de hand en voet van die [slachtoffer] te plaatsen (onder meer ACAB en HH); 3 primair hij in de periode van 19 mei 2019 tot en met 20 mei 2019 te Almelo, tezamen en in vereniging met anderen, ter uitvoering van het door verdachte en zijn mededaders voorgenomen misdrijf om aan een persoon, genaamd [slachtoffer] , opzettelijk en met voorbedachten rade zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet meermalen met kracht -die [slachtoffer] op het lichaam heeft geslagen en -een vaas op het lichaam van die [slachtoffer] kapot heeft geslagen en - blikken bier tegen het hoofd en elders tegen het lichaam van die [slachtoffer] heeft gegooid en -met een knuppel en slagwapens op de vingers en hand van die [slachtoffer] heeft geslagen en -met een spuit een vloeistof in de nek van die [slachtoffer] heeft gespoten en -die [slachtoffer] met een taser stroomstoten heeft gegeven; terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
- hij in de periode van 19 mei 2019 tot en met 20 mei 2019 te Almelo, tezamen en in vereniging met anderen een persoon, genaamd [slachtoffer] , heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en met zware mishandeling en met verkrachting, immers hebben verdachte en zijn mededaders -tegen die [slachtoffer] gezegd dat ze zijn vingers en tenen zouden afknippen en daarbij een kniptang laten zien en -tegen die [slachtoffer] gezegd dat ze een kogel door zijn kop zouden schieten en hem een patroon laten zien en daarbij gevraagd of die [slachtoffer] die door zijn flikker wilde hebben en -in het bijzijn van die [slachtoffer] een wapen (door)geladen of ontladen en -tegen die [slachtoffer] gezegd dat ze hem zouden verkrachten en daarbij zijn broek uitgetrokken. De rechtbank acht niet bewezen wat aan verdachte onder 1, 2 primair, 3 primair en 4 meer of anders is ten laste gelegd, zodat zij hem daarvan zal vrijspreken. Indien in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd in de bewezenverklaring. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging. 5De strafbaarheid van het bewezen verklaarde Het bewezen verklaarde is strafbaar gesteld in de artikelen 45, 47, 282, 285 en 303 van het Wetboek van Strafrecht (Sr). Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Het bewezen verklaarde levert op: feit 1 het misdrijf: medeplegen van het opzettelijk iemand wederrechtelijk van de vrijheid beroven en beroofd houden; feit 2 primair het misdrijf: medeplegen van zware mishandeling gepleegd met voorbedachten rade; feit 3 primair het misdrijf: poging tot medeplegen van zware mishandeling gepleegd met voorbedachten rade; feit 4 het misdrijf: medeplegen van bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht, meermalen gepleegd en medeplegen van bedreiging met zware mishandeling en medeplegen van bedreiging met verkrachting. 6De strafbaarheid van verdachte Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De rechtbank oordeelt daarom dat verdachte strafbaar is voor de bewezen verklaarde feiten. 7De op te leggen straf of maatregel 7.1 De vordering van de officier van justitie De officier van justitie vordert dat verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf van zes jaren, met aftrek van de in voorarrest doorgebrachte tijd. 7.2 Het standpunt van de verdediging De raadsman voert geen verweer op te op te leggen straf of maatregel. 7.3 De gronden voor een straf of maatregel Bij de strafoplegging houdt de rechtbank rekening met de aard en de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van verdachte zoals die uit het dossier en tijdens de behandeling ter terechtzitting naar voren zijn gekomen. De rechtbank acht daarbij het volgende van belang. “Het was echt een slechte film.” Dit zijn de letterlijke woorden van [slachtoffer] die het slachtoffer is geworden van wederrechtelijke vrijheidsberoving, (pogingen tot) zware mishandelingen en bedreigingen, waarvoor verdachte en anderen verantwoordelijk worden gehouden. Op 19 mei 2019 ging [slachtoffer] op uitnodiging van verdachte rond 18.30 uur naar de [adres 1] in Almelo, niet wetende wat hem daar te wachten stond. In die woning is [slachtoffer] het mikpunt geworden van grof geweld en ernstige bedreigingen. Er kwamen steeds meer mannen bij die zich tegen hem keerden. [slachtoffer] voelde zich naar eigen zeggen een object op hun feestje waar iedereen op los kon gaan. Hij is onder meer tegen zijn wil in getatoeëerd, gemarteld met (slag)wapens en bekogeld met een vaas en blikken bier. Ook werd hij gedwongen om zijn eigen bloedsporen van de vloer te dweilen. Deze mensonterende taferelen gingen tot diep in de nacht door. Pas de volgende ochtend is [slachtoffer] erin geslaagd te ontsnappen. Ondanks het feit dat hij zwaar toegetakeld was, heeft [slachtoffer] zelf niet de politie willen inschakelen. Tijdens het afleggen van een verklaring heeft [slachtoffer] benoemd dat hij doodsbang is. Hij is inmiddels vanwege deze zaak uit Almelo weggegaan. De rechtbank overweegt dat de bewezen verklaarde feiten ernstig zijn, vooral vanwege het gewelddadige en sadistische karakter ervan. De feiten moeten voor [slachtoffer] een schokkende en beangstigde ervaring geweest zijn, die hij niet snel zal vergeten. Met name de in die nacht gezette tatoeage op zijn hand zal, ondanks dat er een hersteltatoeage overheen is gezet, [slachtoffer] dagelijks herinneren aan de vernederende gebeurtenissen die hij heeft ondergaan. De rechtbank stelt vast dat verdachte een ernstige inbreuk op de lichamelijke integriteit van [slachtoffer] heeft toegebracht. De ervaring leert bovendien dat feiten als deze leiden tot gevoelens van onrust en onveiligheid in de samenleving. De rechtbank rekent het verdachte aan dat hij op geen enkele manier inzicht heeft willen geven in zijn beweegredenen, geen verantwoordelijkheid heeft genomen voor zijn gedrag en geen enkel berouw heeft getoond. De rechtbank heeft gelet op de justitiële documentatie van verdachte van 26 november
- Hieruit blijkt dat verdachte eerder met politie en justitie in aanraking is gekomen wegens het plegen van geweldsdelicten en bedreigingen. Verdachte liep zelfs in het kader van een veroordeling in een proeftijd, maar trekt zich blijkbaar weinig aan van de daarin besloten liggende waarschuwing. Daarnaast heeft de rechtbank kennisgenomen van het reclasseringsadvies van 26 juli
- De reclassering schrijft dat verdachte geen eigen inkomen, dagbesteding of huisvesting heeft en dat er geen sprake lijkt van een steunend sociaal netwerk. Het risico op recidive, letselschade en onttrekking aan voorwaarden wordt allemaal ingeschat als hoog. De reclassering heeft zich onthouden van het geven van een strafadvies. De rechtbank is van oordeel dat, gezien de ernst van de gepleegde feiten, niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf. De rechtbank acht gelet op de ernst van de bewezenverklaarde feiten en de substantiële rol die verdachte hierin heeft gespeeld een gevangenisstraf voor de duur van vier jaren, met aftrek van de tijd die verdachte in voorarrest heeft gezeten, passend en geboden. 8De schade van benadeelde 8.1 De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] heeft zich als benadeelde partij gevoegd in dit strafproces. De benadeelde partij vordert verdachte te veroordelen om schadevergoeding te betalen tot een totaalbedrag van € 10.730,00 (zegge: tienduizend zevenhonderddertig euro), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment waarop het strafbare feit is gepleegd. De gevorderde materiële schade bedraagt in totaal € 730,00 en bestaat uit de volgende posten: - kledingschade € 200,00; - daggeldvergoeding ziekenhuis € 30,00; - ( herstel)tatoeage € 500,
- Wegens immateriële schade wordt een bedrag van € 10.000,00 gevorderd. 8.2 Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie vordert toewijzing van de daggeldvergoeding. Ten aanzien van de overige materiële schade en de immateriële schade staat vast dat [slachtoffer] schade heeft geleden, maar is de omvang daarvan onvoldoende onderbouwd, zodat de rechtbank op die punten gebruik moet maken van haar schattingsbevoegdheid. De rechtbank dient tevens te bepalen dat verdachte hoofdelijk aansprakelijk is tot betaling van het toe te wijzen bedrag. 8.3 Het standpunt van de verdediging De raadsman verzoekt, gelet op de door hem bepleite integrale vrijspraak, [slachtoffer] niet ontvankelijk te verklaren in zijn vordering. 8.4 Het oordeel van de rechtbank Door de gebezigde bewijsmiddelen en de behandeling op de terechtzitting is komen vast te staan dat verdachte door de bewezen verklaarde feiten rechtstreeks schade heeft toegebracht aan [slachtoffer] . De daggeldvergoeding in het ziekenhuis is voldoende onderbouwd, aannemelijk en niet betwist en voor gehele toewijzing vatbaar. Naar het oordeel van de rechtbank is de omvang van de kledingschade, (herstel)tatoeage en immateriële schade onvoldoende onderbouwd. Nu echter wel genoegzaam is gebleken dat [slachtoffer] op grond daarvan schade heeft geleden, ziet de rechtbank aanleiding gebruik te maken van haar bevoegdheid om de omvang van de schade te schatten. De rechtbank is van oordeel dat de omvang van de materiële schade naar redelijkheid en billijkheid op dit moment vastgesteld kan worden op € 700,
- Dit bedrag bestaat uit € 200,00 voor de kledingschade en € 500,00 voor de (herstel)tatoeage. De immateriële schade wordt naar redelijkheid en billijkheid begroot op een bedrag van € 5.000,
- De rechtbank zal de vordering tot een bedrag van € 5.730,00 hoofdelijk toewijzen, te vermeerderen met de verschuldigde wettelijke rente en het overige deel afwijzen. 8.5 De schadevergoedingsmaatregel [slachtoffer] heeft verzocht de schadevergoedingsmaatregel op te leggen. De rechtbank zal de maatregel als bedoeld in artikel 36f Sr opleggen, aangezien verdachte jegens [slachtoffer] naar burgerlijk recht mede aansprakelijk is voor de schade die door de feiten is toegebracht. 9De vordering tenuitvoerlegging De officier van justitie heeft gevorderd dat de vordering tot tenuitvoerlegging van de voorwaardelijke veroordeling wordt toegewezen. De raadsman heeft om afwijzing van de vordering verzocht. De rechtbank is van oordeel dat de vordering van de officier van justitie moet worden toegewezen. Het is gebleken dat verdachte zich voor het einde van de proeftijd aan het plegen van nieuwe strafbare feiten heeft schuldig gemaakt. 10De toegepaste wettelijke voorschriften De hierna te nemen beslissing berust op de hiervoor genoemde wetsartikelen. Daarnaast berust deze beslissing op artikel 57 Sr. 11De beslissing De rechtbank: bewezenverklaring - verklaart bewezen dat verdachte het 1, 2 primair, 3 primair en 4 ten laste gelegde heeft begaan, zoals hierboven omschreven; - verklaart niet bewezen wat aan verdachte 1, 2 primair, 3 primair en 4 meer of anders is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij; strafbaarheid feit - verklaart het bewezen verklaarde strafbaar; - verklaart dat het bewezen verklaarde de volgende strafbare feiten oplevert: feit 1 het misdrijf: medeplegen van het opzettelijk iemand wederrechtelijk van de vrijheid beroven en beroofd houden; feit 2 primair het misdrijf: medeplegen van zware mishandeling gepleegd met voorbedachten rade; feit 3 primair het misdrijf: poging tot medeplegen van zware mishandeling gepleegd met voorbedachten rade; feit 4 het misdrijf: medeplegen van bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht, meermalen gepleegd en medeplegen van bedreiging met zware mishandeling en medeplegen van bedreiging met verkrachting; strafbaarheid verdachte - verklaart verdachte strafbaar voor het onder 1, 2 primair, 3 primair en 4 bewezen verklaarde; straf - veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 (vier) jaren; - bepaalt dat de tijd die de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht; schadevergoeding - veroordeelt verdachte tot hoofdelijke betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer] (feiten 1, 2 primair, 3 primair en 4) van een bedrag van € 5.730,00 (zegge: vijfduizend zevenhonderddertig euro), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 20 mei 2019, voor zover dit bedrag niet door een mededader zal zijn voldaan; - veroordeelt verdachte daarnaast in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, alsook in de kosten van betekening van dit vonnis, de in verband met de tenuitvoerlegging van dit vonnis nog te maken kosten en de kosten vallende op de invordering; - legt de maatregel op dat verdachte verplicht is ter zake van de onder 1, 2 primair, 3 primair en 4 bewezen verklaarde feiten tot hoofdelijke betaling aan de Staat der Nederlanden van een bedrag van € 5.730,00, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 20 mei 2019 ten behoeve van de benadeelde, en bepaalt, voor het geval volledig verhaal van het verschuldigde bedrag niet mogelijk blijkt, dat gijzeling voor de duur van 63 dagen kan worden toegepast, een en ander voor zover dit bedrag niet door een mededader zal zijn voldaan. Tenuitvoerlegging van de gijzeling laat de betalingsverplichting onverlet; - bepaalt dat als verdachte of zijn medeverdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van bedoeld bedrag daarmee de verplichting van verdachte om aan de benadeelde partij het bedrag te betalen, komt te vervallen, en andersom, als verdachte of zijn medeverdachte aan de benadeelde partij het verschuldigde bedrag heeft betaald, dat daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van dat bedrag komt te vervallen; - wijst de vordering voor het overige af; tenuitvoerlegging voorwaardelijke straf - gelast de tenuitvoerlegging van de bij vonnis van de politierechter in de Rechtbank Overijssel van 11 december 2017 met parketnummer 08/170714-17 voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf voor de duur van 2 (twee) weken. Dit vonnis is gewezen door mr. G.H. Meijer, voorzitter, mr. E. Venekatte en mr. S.K. Huisman, rechters, in tegenwoordigheid van mr. E.H. Doldersum, griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 5 februari
- Buiten staat De voorzitter en de griffier zijn niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen. Op 15 november 2019 vond in deze zaak een pro forma zitting plaats. HR 24 april 2018, ECLI:NL:HR:2018:
- Ter illustratie: HR 4 april 2017, ECLI:NL:HR:2017:581.