RECHTBANK OVERIJSSEL Team Strafrecht Zittingsplaats Zwolle Parketnummer: 08.061771-21 Datum vonnis: 15 april 2022 Vonnis op tegenspraak van de rechtbank Overijssel, meervoudige kamer voor strafzaken, rechtdoende op de vordering op grond van artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht van de officier van justitie ten aanzien van de veroordeelde: [verdachte] , geboren op [geboortedatum] 1956 in [geboorteplaats] , wonende aan [adres 1] . 1De schriftelijke vordering van de officier van justitie De officier van justitie heeft schriftelijk gevorderd dat de rechtbank het bedrag vaststelt waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel als bedoeld in artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht (Sr) wordt geschat en de veroordeelde de verplichting oplegt tot betaling aan de Staat van het geschatte voordeel tot een bedrag van € 223.671,
- 2De procedure De vordering is behandeld op de openbare terechtzitting van 4 april
- De veroordeelde, bijgestaan door zijn raadsvrouw mr. N. Tanoglu, advocaat in Arnhem, is op die terechtzitting verschenen en op de vordering gehoord. Op de terechtzitting heeft de officier van justitie mr. G.C. Pol de vordering gewijzigd. Omdat de veroordeelde zijn bedrijfspand aan [adres 2] voor de teelt van hennepplanten ter beschikking heeft gesteld en hij voor de huur van dat bedrijfspand per maand een bedrag van € 937,75 heeft betaald, is het volgens de officier van justitie aannemelijk dat de veroordeelde daartoe ten minste gedurende de periode van de exploitatie van de hennepkwekerij de maandelijkse huurpenningen vergoed heeft gekregen met geld dat van misdrijf afkomstig is. De hennepkwekerij heeft in ieder geval in de maanden maart 2020 tot en met november 2020 (dus: negen maanden) van de eerste dag tot de laatste dag van de maand gedraaid. De officier van justitie heeft dan ook gevorderd dat de rechtbank het wederrechtelijk verkregen voordeel in de zaak van de veroordeelde vaststelt op een bedrag van € 8.439,
- De raadsvrouw heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de ontnemingsvordering niet-ontvankelijk moet worden verklaard. Subsidiair heeft de raadsvrouw bepleit dat het hooguit aannemelijk is dat de veroordeelde slechts een gering bedrag van tientallen euro’s tot honderd euro voor het ter beschikking stellen van het bedrijfspand vergoed heeft gekregen. 3De beoordeling van de vordering 3.1 Veroordeling De veroordeelde is bij vonnis van deze rechtbank van 15 april 2022 veroordeeld, voor zover van belang, voor het strafbare feit: medeplichtigheid aan het in de uitoefening van een beroep of bedrijf opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder B van de Opiumwet gegeven verbod, terwijl het feit betrekking heeft op een grote hoeveelheid van het middel. 3.2 De beoordeling van de omvang van het wederrechtelijk verkregen voordeel De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, te weten het met deze vordering samenhangende strafdossier, met onder meer het in de onderhavige zaak opgemaakte rapport berekening wederrechtelijk voordeel van 23 december 2021, en het proces-verbaal van de in het openbaar gehouden terechtzitting op 4 april
- De rechtbank neemt als grondslag voor de ontnemingsvordering wat bewezen is verklaard in het hiervoor genoemde vonnis van de rechtbank. De rechtbank acht het op basis van de wettige bewijsmiddelen, in het bijzonder de verklaring van de veroordeelde en het genoemde rapport waarin het wederrechtelijk verkregen voordeel is berekend, aannemelijk dat de veroordeelde wederrechtelijk voordeel heeft genoten. De rechtbank overweegt als volgt. Bij voornoemd vonnis heeft de rechtbank bewezen verklaard dat de veroordeelde in de periode van 20 februari 2020 tot en met 17 december 2020 in Deventer als medeplichtige betrokken is geweest bij het opzettelijk beroeps- of bedrijfsmatig telen van een grote hoeveelheid hennep. Immers, de veroordeelde heeft zijn bedrijfspand gedurende tien maanden voor die hennepteelt ter beschikking gesteld en is dit ook blijven doen totdat de politie het genoemde pand binnentrad. De rechtbank stelt vast dat het genoemde rapport ervan uitgaat dat er in die maanden minimaal vier oogsten zijn geweest. De rechtbank stelt voorts vast dat de veroordeelde ter terechtzitting heeft verklaard dat hij per hennepoogst € 7.500,-- zou ontvangen. Hij heeft weliswaar vervolgens betwist dat hij daadwerkelijk wederrechtelijk verkregen voordeel heeft genoten, maar de rechtbank acht dit ongeloofwaardig, temeer nu de veroordeelde geen verdere opening van zaken heeft gegeven, hij zich uit financieel winstbejag heeft ingelaten met de exploitatie van een hennepkwekerij in zijn bedrijfspand én die hennepkwekerij met een grote hoeveelheid hennepplanten gedurende een langere periode in werking is geweest. Op basis van de verklaring van de veroordeelde dat hij per hennepoogst € 7.500,-- zou ontvangen en er blijkens het genoemde rapport tenminste vier voltooide oogsten hebben plaatsgevonden, stelt de rechtbank op grond van wettige bewijsmiddelen de omvang van het wederrechtelijk verkregen voordeel vast op € 30.000,--. 3.3 De vaststelling van de betalingsverplichting De rechtbank is van oordeel dat aan de veroordeelde de verplichting moet worden opgelegd tot betaling aan de Staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel van een bedrag van € 30.000,--. 4De wettelijke voorschriften De oplegging van de maatregel is gegrond op artikel 36e Sr. 5De beslissing De rechtbank: stelt het bedrag waarop het door de veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op € 30.000,--; legt de veroordeelde de verplichting op tot betaling van € 30.000,-- aan de Staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel; bepaalt de duur van de gijzeling die met toepassing van artikel 6:6:25 van het Wetboek van Strafvordering ten hoogste kan worden gevorderd op 600 dagen. Dit vonnis is gewezen door mr. drs. H.M. Braam, voorzitter, en mr. G.H. Meijer en mr. R. ter Haar, rechters, in tegenwoordigheid van mr. N. Klunder, griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 15 april
- Buiten staat mr. R. ter Haar is niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen. Het rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel hennepkwekerij ex artikel 36e lid 2 Sr van 23 december 2021, met proces-verbaalnummer PL0600-2020461378-
- Het proces-verbaal van de in het openbaar gehouden terechtzitting op 4 april 2022.