← Nederland

ECLI:NL:RBOVE:2022:1179

RECHTBANK OVERIJSSEL Team Strafrecht Meervoudige kamer Zittingsplaats Almelo Parketnummer: 08/302252-21; 08/157966-18 (TUL); 08/294824-19 (TUL) (P) Datum vonnis: 2 mei 2022 Vonnis op tegenspraak in de zaak van de officier van justitie tegen: [verdachte] , geboren op [geboortedatum] 2005 in [geboorteplaats] , wonende aan de [adres 1] . 1Het onderzoek op de terechtzitting Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen met gesloten deuren van 15 februari 2022 en 19 april

  1. De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie mr. C.P. Dronkers en van wat door verdachte en zijn raadsvrouw mr. M.S. Flokstra, advocaat in Oldenzaal, naar voren is gebracht. 2De tenlastelegging De verdenking komt er, kort en zakelijk weergegeven, op neer dat verdachte op 6 november 2021 in Enschede samen met een ander of alleen heeft geprobeerd [slachtoffer] te doden, dan wel heeft geprobeerd die [slachtoffer] zwaar te mishandelen, dan wel hieraan medeplichtig is geweest. Voluit luidt de tenlastelegging aan verdachte, dat: hij op of omstreeks 6 november 2021 te Enschede tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [slachtoffer] opzettelijk van het leven te beroven, met dat opzet die [slachtoffer] een of meermalen met een vuurwapen (Glock), althans met een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, in het (boven)been, althans in het lichaam heeft geschoten, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid; subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden: hij op of omstreeks 6 november 2021 te Enschede tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet die [slachtoffer] een of meermalen met een vuurwapen (Glock), althans met een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, in het (boven)been, althans in het lichaam heeft geschoten, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid; meer subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden: [medeverdachte] , althans een persoon, op of omstreeks 6 november 2021 te Enschede ter uitvoering van het door die [medeverdachte] voorgenomen misdrijf om [slachtoffer] opzettelijk van het leven te beroven, althans zware lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet die [slachtoffer] een of meermalen met een vuurwapen (Glock), althans met een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, in het (boven)been, althans in het lichaam heeft geschoten, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid, tot en/of bij het plegen van welk misdrijf verdachte op of omstreeks 6 november 2021 te Enschede opzettelijk gelegenheid en/of middelen en/of inlichtingen heeft verschaft en/of opzettelijk behulpzaam is geweest door die [medeverdachte] te bellen en/of te vragen en/of te bewegen (met een wapen) naar de woning van de moeder van verdachte te komen en/of de deur voor die [medeverdachte] te openen. 3De voorvragen De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van deze zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging. 4De bewijsmotivering 4.1 Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het meer subsidiair ten laste gelegde wettig en overtuigend is bewezen. 4.2 Het standpunt van de verdediging De raadsvrouw heeft bepleit dat verdachte integraal moet worden vrijgesproken. Daartoe heeft zij, kort gezegd, aangevoerd dat het opzet van verdachte niet gericht is geweest op de dood van [slachtoffer] dan wel op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel van [slachtoffer] . Ook is medeplegen of medeplichtigheid niet wettig en overtuigend bewezen. 4.3 Het oordeel van de rechtbank De rechtbank stelt, op basis van de inhoud van het dossier en hetgeen op de terechtzitting is besproken, de volgende feiten en omstandigheden vast. Op vrijdagavond 5 november 2021 zitten [naam 1] , [slachtoffer] en [naam 2] in de woonkamer van de woning gelegen aan de [adres 2] . Rond middernacht komt de zoon van [naam 1] , [verdachte] (verder: [verdachte] ), thuis en loopt via de hal de woonkamer binnen. [verdachte] is onder invloed van alcohol en cannabis en wordt boos als hij [slachtoffer] ziet. [verdachte] zegt tegen [slachtoffer] dat hij een ‘kankerjunkie’ is en dat hij weg moet gaan. Vervolgens gaat [verdachte] naar zijn slaapkamer, belt zijn vriend [medeverdachte] (verder: [medeverdachte] ), en vraagt aan [medeverdachte] of hij hem komt ophalen. [medeverdachte] heeft in zijn kamer een vuurwapen van het merk Glock liggen en besluit dit vuurwapen mee te nemen. [medeverdachte] stopt het vuurwapen achter zijn broeksband, stapt op zijn scooter en rijdt naar voornoemde woning. Inmiddels is [verdachte] naar beneden gelopen en in de hal zegt [naam 1] tegen [verdachte] dat hij de woning moet verlaten. [verdachte] doet de voordeur open en blijft in de deuropening staan. [slachtoffer] duwt [verdachte] aan de kant om er langs te komen. Er ontstaat een worsteling tussen [verdachte] en [slachtoffer] waarbij [slachtoffer] [verdachte] in zijn gezicht slaat. Op dat moment komt [medeverdachte] eraan gereden met de scooter, hij parkeert de scooter en loopt richting [verdachte] en [slachtoffer] en mengt zich in de worsteling. [medeverdachte] pakt vervolgens met zijn rechterhand het vuurwapen van achter zijn broeksband en laadt deze door. [slachtoffer] doet een greep naar het vuurwapen en pakt deze bij de loop vast. Vervolgens haalt [medeverdachte] de trekker over waardoor een kogel wordt afgevuurd. De kogel treft [slachtoffer] in het linker bovenbeen, er is een inschot plek op het linker bovenbeen en een uitschot plek op de achterzijde van het bovenbeen. De forensisch arts stelt vast dat [slachtoffer] een schotverwonding heeft opgelopen aan de linkerzijde van het dijbeen. Uit nader onderzoek is gebleken dat [slachtoffer] geen schade aan het bot of bloedvaten heeft opgelopen en dat de kogel niet meer in het lichaam zit. Afgezien van twee littekens, zijn er geen aanwijzingen dat er restletsel wordt verwacht. De rechtbank is van oordeel dat het dossier onvoldoende wettig en overtuigend bewijs bevat om tot een bewezenverklaring te komen. [medeverdachte] heeft verklaard dat verdachte niet wist dat hij een vuurwapen had, dat ze die avond aan de telefoon niet hebben gesproken over een wapen en dat verdachte dus niet wist dat hij het wapen mee zou nemen. Uit de overige bewijsmiddelen kan evenmin worden afgeleid dat verdachte wist dat [medeverdachte] een vuurwapen mee zou nemen, laat staan dat hij wist dat [medeverdachte] het wapen zou gebruiken. Aangever [slachtoffer] heeft weliswaar verklaard dat verdachte zou hebben gezegd: ‘wij zijn gangsters, wij hebben Glocks, we schieten je zo neer’, maar dit vindt geen steun in enig ander bewijsmiddel. Gelet op het voorgaande acht de rechtbank niet bewezen wat aan verdachte is ten laste gelegd, zodat zij hem daarvan integraal zal vrijspreken. 5De schade van benadeelde 5.1 De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] heeft zich als benadeelde partij gevoegd in dit strafproces. De benadeelde partij vordert verdachte te veroordelen om schadevergoeding te betalen tot een totaalbedrag van € 6.800,00 (achtenzestighonderd euro), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment waarop de schade is ontstaan. De gevorderde materiële schade bestaat uit de volgende posten: - kapotte onderbroek € 5,00; - kapotte trainingsbroek € 45,
  2. Ter vergoeding van immateriële schade wordt een bedrag van € 6.750,00 gevorderd. 5.2 Het oordeel van de rechtbank Omdat verdachte van het hem ten laste gelegde feit wordt vrijgesproken, zal de rechtbank de benadeelde partij op grond van artikel 361, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering (Sv) niet-ontvankelijk verklaren in de vordering. 6De vordering tenuitvoerlegging 6.1 Het oordeel van de rechtbank Parketnummer 08/157966-18 Bij onherroepelijk geworden vonnis van 18 februari 2019, gewezen door de kinderrechter in de rechtbank Overijssel, is verdachte veroordeeld tot, voor zover hier van belang: – een voorwaardelijke taakstraf voor de duur van 20 uren subsidiair 10 dagen jeugddetentie met een proeftijd van twee jaren. Parketnummer 08/294824-19 Bij onherroepelijk geworden vonnis van 12 november 2020, gewezen door de meervoudige strafkamer in de rechtbank Overijssel, is verdachte veroordeeld tot, voor zover hier van belang: – een voorwaardelijke jeugddetentie voor de duur van 30 dagen met aftrek overeenkomstig artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht met een proeftijd van twee jaren. De rechtbank is van oordeel dat beide vorderingen van de officier van justitie niet-ontvankelijk moeten worden verklaard, aangezien verdachte wordt vrijgesproken van het hem ten laste gelegde feit. 7De beslissing De rechtbank: vrijspraak - verklaart niet bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan en spreekt hem daarvan vrij; schadevergoeding - bepaalt dat de benadeelde partij: [slachtoffer] , in het geheel niet-ontvankelijk is in de vordering, en dat de benadeelde partij de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen; opheffing bevel voorlopige hechtenis - heft het bevel tot voorlopige hechtenis op met ingang van heden; tenuitvoerlegging voorwaardelijke straf met parketnummers 08/157966-18 en 08/294824-19 - wijst de vorderingen af. Dit vonnis is gewezen door mr. E.J.M. Bos, voorzitter, tevens kinderrechter, mr. H. Stam en mr. K.A. Schönbeck, rechters, in tegenwoordigheid van mr. D.N. Esajas, griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 2 mei
  3. Buiten staat Mr. E.J.M. Bos en mr. K.A. Schönbeck zijn niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.