RECHTBANK OVERIJSSEL Team kanton en handelsrecht Zittingsplaats Zwolle Zaaknummer : 9590253 \ CV EXPL 21-5173 Vonnis van 21 juni 2022 in de zaak van [eiser] , tevens handelend onder de naam [X],wonende te [woonplaats] , eisende partij, hierna te noemen [eiser] , gemachtigde: mr. E.M. Horssius tegen [gedaagde] ,wonende te [woonplaats] , gedaagde partij, hierna te noemen [gedaagde] , procederend in persoon. 1De procedure 1.
- In deze zaak is op 5 april 2022 een tussenvonnis gewezen waarin is bepaald dat een mondelinge behandeling zou worden gehouden. Voor de mondelinge behandeling heeft [eiser] bij akte van 12 mei 2022 aanvullende producties in het geding gebracht. [gedaagde] heeft op 15 mei 2022 drie e-mails met een aanvullend verweer gestuurd. Op 25 mei 2022 heeft de mondelinge behandeling plaatsgevonden. [eiser] is verschenen. [gedaagde] is niet verschenen. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat er is besproken. 1.
- Ten slotte heeft de kantonrechter bepaald dat vandaag vonnis zal worden gewezen. 2Inleiding 2.
- Deze zaak gaat, kort gezegd, over de beloning van [eiser] voor een door hem uitgevoerde contra-expertise in een verzekeringszaak. De verzekeraar van [gedaagde] heeft de vergoeding voor de werkzaamheden van [eiser] overgemaakt aan [gedaagde] . [gedaagde] heeft het bedrag, ondanks verzoeken daartoe, niet aan [eiser] doorbetaald. 3Het geschil 3.
- Omdat [gedaagde] de beloning voor [eiser] ten bedrage van € 2.675,17 heeft ontvangen, maar niet aan [eiser] heeft doorbetaald, vordert [eiser] dat [gedaagde] wordt veroordeeld om een bedrag van € 2.675,17 aan [eiser] te betalen, te vermeerderen met de incassokosten, de wettelijke rente, de proceskosten en de wettelijke rente over de proceskosten. 3.
- [eiser] heeft aan zijn vordering ten grondslag gelegd dat [gedaagde] hem opdracht heeft gegeven voor een contra-expertise. [eiser] is telefonisch als expert benoemd. [gedaagde] heeft vervolgens een schriftelijke opdrachtbevestiging ondertekend. Op grond van die overeenkomst van opdracht moet [gedaagde] [eiser] betalen voor de uitgevoerde contra-expertise. Ook handelt [gedaagde] onrechtmatig door het geld dat hij van zijn verzekeraar heeft ontvangen, onder zich te houden in plaats van het aan [eiser] uit te betalen, aldus [eiser] . 3.
- Het verweer dat [gedaagde] per e-mail heeft gevoerd, komt erop neer dat hij geen offerte of opdrachtbevestiging voor de opdracht aan [eiser] heeft getekend. [eiser] moet zijn werkzaamheden in rekening brengen bij de verzekeraar, want hij heeft volgens [gedaagde] de opdracht aan [eiser] gegeven. 4De beoordeling 4.
- Ter zitting heeft [eiser] toegelicht dat verzekerden een contra-expert kunnen inschakelen. De kosten daarvan worden dan door de verzekeraar vergoed. Verzekeraars betalen de contra-expert in de praktijk meestal rechtstreeks. In dit geval is dat om een onbekende reden niet gebeurd. [eiser] kan voor de beloning echter niet rechtstreeks de verzekeraar aanspreken, want op de verzekeraar heeft hij geen vordering. 4.
- De kantonrechter is van oordeel dat [gedaagde] het bedrag van € 2.675,17 aan [eiser] moet betalen. [gedaagde] heeft in zijn e-mails niet weersproken dat [eiser] de contra-expertise heeft uitgevoerd en dat [gedaagde] daarvoor het bedrag van € 2.675,17 van zijn verzekeraar heeft ontvangen. [eiser] heeft bij akte de bevestiging van de betaling door de verzekeraar van [gedaagde] overgelegd, waaruit blijkt dat de beloning voor de uitgevoerde expertise aan [gedaagde] is uitbetaald onder vermelding van “2011324/ expertisekosten”. Het had voor [gedaagde] dus duidelijk moeten zijn dat het uitbetaalde bedrag was bedoeld voor het voldoen van de expertisekosten. Door dat bedrag niet aan [eiser] te betalen, handelt [gedaagde] naar oordeel van de kantonrechter onrechtmatig jegens [eiser] . [gedaagde] moet de schade die [eiser] daardoor lijdt, namelijk het bedrag ter hoogte van de factuur van € 2.675,17, aan [eiser] betalen. De vordering van [eiser] tot betaling van het bedrag van € 2.675,17 zal dus worden toegewezen. Tegen de gevorderde wettelijke rente heeft [gedaagde] geen verweer gevoerd, zodat deze zal worden toegewezen vanaf 21 september 2021, dat is de dag waarop de dagvaarding aan [gedaagde] is betekend, tot de dag van volledige betaling. 4.
- [eiser] heeft tevens vergoeding gevraagd van de buitengerechtelijke incassokosten. De kantonrechter heeft geconstateerd dat er geen zogeheten ‘14-dagenbrief’ is verzonden. Daarop heeft [eiser] op de mondelinge behandeling aangegeven dat hij de vordering tot betaling van de buitengerechtelijke incassokosten intrekt. 4.
- [gedaagde] wordt in deze procedure in het ongelijk gesteld. Hij moet daarom de proceskosten betalen. Deze worden aan de zijde van [eiser] begroot op: Kosten voor de dagvaarding: € 123,60 Griffierecht: € 240,00 Salaris gemachtigde: € 436,00 (2 punten x tarief € 218,00) Totaal € 799,60 4.
- De wettelijke rente over de proceskosten zal worden toegewezen zoals hieronder te vermelden. 5De beslissing De kantonrechter 5.
- veroordeelt [gedaagde] om een bedrag van € 2.675,17 aan [eiser] te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW vanaf 21 september 2021 tot de dag van volledige betaling; 5.
- veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, aan de zijde van [eiser] begroot op € 799,60, te voldoen binnen 14 dagen na de datum van dit vonnis, bij gebreke waarvan dit bedrag zal worden vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW met ingang van de vijftiende dag na de datum van dit vonnis tot de dag van volledige betaling; 5.
- verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad; 5.
- wijst het meer of anders gevorderde af. Dit vonnis is gewezen door mr. R.F. van Aalst, kantonrechter, en in het openbaar uitgesproken op 21 juni
- (SB)