RECHTBANK OVERIJSSEL Team kanton en handelsrecht Zittingsplaats Zwolle Zaaknummer : 9601799 \ CV EXPL 21-5282 Vonnis in kort geding van 19 januari 2022 in de zaak van de stichting STICHTING BEHEER ONROEREND GOED DOETVAST,gevestigd in Utrecht, eisende partij, hierna te noemen Doetvast, gemachtigde: mr. R.M. Dessaur, tegen [gedaagde] ,wonende in [woonplaats] , gedaagde partij, hierna te noemen [gedaagde] , verschenen in persoon. 1De procedure 1.
- Doetvast is deze procedure begonnen met haar dagvaarding van 4 januari
- 1.
- Het kort geding is mondeling behandeld tijdens een zitting, die heeft plaatsgevonden op 12 januari
- Beide partijen zijn verschenen. Namens Doetvast is mr. Dessaur verschenen. Ook is wijkagent de heer [A] verschenen als informant. Voorafgaand aan de zitting heeft mr. Dessaur pleitaantekeningen toegezonden. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat partijen naar voren hebben gebracht. 1.
- Na afloop van de mondelinge behandeling heeft de kantonrechter bepaald dat hij voldoende is geïnformeerd om een beslissing te nemen in deze zaak. De datum van het vonnis is bepaald op heden. 2De beslissing in het kort 2.
- De kantonrechter wijst de gevorderde ontruiming toe. Naar het voorlopige oordeel van de kantonrechter heeft Doetvast namelijk voldoende aannemelijk gemaakt dat [gedaagde] overlast veroorzaakt en dat hij zich daardoor niet als een goed huurder gedraagt. De overlast en gedragingen van [gedaagde] zijn dusdanig ernstig dat ontbinding van de huurovereenkomst in een bodemprocedure te verwachten is en Doetvast een spoedeisend belang heeft bij ontruiming op korte termijn. 2.
- Hierna zal de kantonrechter uitleggen hoe hij tot dit oordeel komt. 3De beoordeling Waar deze zaak over gaat 3.
- [gedaagde] huurt vanaf 1 juli 1983 de woning aan de [adres] in [plaats] , laatstelijk van Doetvast. 3.
- Doetvast heeft van omwonenden klachten ontvangen over het gedrag van [gedaagde] . Doetvast stelt dat [gedaagde] zich ondanks vele pogingen daartoe niet anders is gaan gedragen, zodat er volgens Doetvast een onhoudbare situatie is ontstaan. Daarom vraagt Doetvast in dit kort geding om ontruiming van de woning. Wat Doetvast wil 3.
- Doetvast wil dat de kantonrechter [gedaagde] veroordeelt om de woning binnen drie dagen na betekening van dit vonnis te ontruimen, op straffe van een dwangsom, met veroordeling van [gedaagde] tot betaling van de kosten van de ontruiming en een bedrag aan buitengerechtelijke incassokosten. Het verweer daartegen 3.
- [gedaagde] ontkent dat hij overlast veroorzaakt. Het oordeel van de kantonrechter 3.
- Ontruiming van de woning is een ingrijpende maatregel. Toewijzing van een dergelijke vordering in een kort geding kan daarom alleen als met een grote mate van waarschijnlijkheid valt te verwachten dat in een gewone procedure (de ‘bodemprocedure’) de huurovereenkomst zal worden ontbonden en dat [gedaagde] daarbij zal worden veroordeeld om de woning te ontruimen. 3.
- Daarvoor is nodig dat de door Doetvast aangevoerde feiten en omstandigheden in dit kort geding voldoende aannemelijk zijn. Voor verder onderzoek naar bepaalde feiten en omstandigheden, of voor het leveren van bewijs door bijvoorbeeld getuigen, is in dit kort geding in beginsel geen plaats. Dat moet gebeuren in de bodemprocedure. De beoordeling in dit kort geding is daarom een voorlopig oordeel over het geschil tussen partijen op basis van de feiten, zoals die vooralsnog aannemelijk zijn geworden. 3.
- Verder moet Doetvast een spoedeisend belang hebben bij ontruiming. Doetvast heeft aangevoerd dat er door de overlast van [gedaagde] een onhoudbare situatie is ontstaan die geen dag langer zou moeten voortduren. [gedaagde] heeft niet weersproken dat de door Doetvast gepresenteerde feiten en omstandigheden een spoedeisend belang opleveren, zodat aan dit vereiste is voldaan. 3.
- De kantonrechter stelt voorop, dat [gedaagde] op grond van artikel 7:213 van het BW verplicht is om zich ten aanzien van het gebruik van de woning als een goed huurder te gedragen. Dit houdt onder meer in dat [gedaagde] ervoor moet zorgen dat er voor omwonenden geen overlast ontstaat ten gevolge van zijn gedragingen. 3.
- Uit de door Doetvast overgelegde stukken blijkt dat Doetvast, vooral in 2020 en 2021, meerdere klachten van verschillende omwonenden heeft ontvangen met betrekking tot overlast die door [gedaagde] werd veroorzaakt. Drie van deze omwonenden zijn net als [gedaagde] huurder van Doetvast. Uit die klachten volgt dat sprake is van gedrag van [gedaagde] dat niet acceptabel is, waaronder veelvuldig en luidruchtig braken, het urineren in openbare afvalbakken, vernielingen, grensoverschrijdend taalgebruik en het bedreigen van omwonenden. Deze klachten zijn in e-mailberichten afkomstig van de wijkagent, de heer [A] , bevestigd. Dit alles levert strijd op met goed huurderschap, zodat, voorshands oordelend, sprake is van een tekortkoming in de nakoming van de huurovereenkomst. Daarnaast is door Doetvast gesteld, en door de wijkagent eveneens bevestigd, dat [gedaagde] geen enkele hulp, die hem is aangeboden, heeft aanvaard. Hierdoor is de kantonrechter voorshands van oordeel dat er geen concreet zicht is op verbetering. Ter zitting heeft de kantonrechter [gedaagde] gevraagd naar de klachten, maar [gedaagde] geeft geen blijk van inzicht in zijn handelen en wekt in de beantwoording van de vragen de indruk zijn realiteitszin goeddeels te zijn verloren. Hij heeft op de klachten slechts gereageerd met een algemene ontkenning. 3.
- Gelet op het voorgaande is de kantonrechter voorshands van oordeel dat Doetvast voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat er sprake is van een ernstige tekortkoming in de nakoming van de huurovereenkomst. Hoewel de gevolgen van een ontruiming ingrijpend zijn, valt te verwachten dat de huurovereenkomst in een bodemprocedure zal worden ontbonden. Het kan van Doetvast niet langer worden verwacht om [gedaagde] , zonder enig uitzicht op verbetering, nog langer in de woning te laten verblijven. De vordering tot ontruiming zal daarom worden toegewezen. De termijn voor ontruiming zal worden bepaald op één week (zeven dagen) na betekening van dit vonnis. De gevorderde dwangsom zal eveneens worden toegewezen, nu hiertegen door [gedaagde] geen specifiek verweer is gevoerd. De gevorderde ontruimingskosten worden afgewezen, omdat niet op voorhand kan worden beoordeeld of deze verschuldigd zullen worden en in welke omvang. Buitengerechtelijke incassokosten 3.
- Doetvast vordert een bedrag dat is gebaseerd op het bepaalde in het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten. De vordering van Doetvast in dit kort geding heeft echter geen betrekking op één van de situaties waarin genoemd besluit van toepassing is. De kantonrechter zal de vraag of buitengerechtelijke incassokosten verschuldigd zijn daarom toetsen aan de eisen voor dergelijke vorderingen zoals deze zijn geformuleerd in het Rapport BGK-integraal. Die eisen houden in dat Doetvast niet alleen dient te stellen dat zij daadwerkelijk buitengerechtelijke incassokosten heeft gemaakt, maar ook dat die kosten zien op werkzaamheden die meer omvatten dan een enkele sommatie, het enkel doen van een schikkingsvoorstel of het inwinnen van (verhaals)inlichtingen. Doetvast heeft niet gesteld dat dergelijke werkzaamheden hebben plaatsgevonden. De vordering tot vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten zal daarom vooralsnog worden afgewezen. Tot slot 3.
- De kantonrechter wijst de vordering van Doetvast, met uitzondering van de buitengerechtelijke incassokosten, toe. Dat betekent dat [gedaagde] de (voor het grootste gedeelte) verliezende partij is, en dus de proceskosten van Doetvast moet betalen. Deze kosten stelt de kantonrechter als volgt vast: a. kosten dagvaarding € 123,60 b. griffierecht € 126,00 c. salaris gemachtigde € 747,00 totaal € 996,60 4De beslissing De kantonrechter 4.
- veroordeelt [gedaagde] de woning aan de [adres] te [plaats] binnen zeven dagen na de datum van dit vonnis met de daarin vanwege hem aanwezige goederen en personen te verlaten, met afgifte aan Doetvast van de sleutels en al hetgeen tot het gehuurde behoort ter vrije en algehele beschikking van Doetvast te stellen, op straffe van een dwangsom van € 500,00 voor elke dag of gedeelte daarvan dat [gedaagde] hiermee in gebreke blijft en met een maximum van € 10.000,00; 4.
- veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, aan de kant van Doetvast vastgesteld op € 996,60; 4.
- verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad; 4.
- wijst het meer of anders gevorderde af. Dit vonnis is gewezen door mr. F. Koster, kantonrechter, en in het openbaar uitgesproken op 19 januari
- (wv) Artikel 213 van boek 7 van het Burgerlijk Wetboek.