RECHTBANK OVERIJSSEL Zittingsplaats Zwolle Bestuursrecht zaaknummer: ZWO 21/1126 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [eiser] , uit [woonplaats] , eiser (gemachtigde: mr. F. Kolkman), en het college van burgemeester en wethouders van Enschede, verweerder. Als derde-partij neemt aan de zaak deel: [naam 1], uit Enschede (hierna: [naam 1] ). Inleiding 1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de weigering van de door hem gevraagde omgevingsvergunning voor het gebruiken van de woning op het perceel [adres 1] in Enschede (hierna: perceel [nummer 1] ) als kamerverhuurpand voor zes personen. 1.1. Verweerder heeft de gevraagde omgevingsvergunning met het primaire besluit van 28 november 2019 verleend. Met het bestreden besluit van 2 juni 2021 op het bezwaar van, onder meer, [naam 1] heeft verweerder het primaire besluit herzien en de gevraagde omgevingsvergunning alsnog geweigerd. 1.2. Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. 1.3. De rechtbank heeft het beroep op 24 juni 2022 op zitting behandeld. Namens eiser zijn diens dochter [naam 2] alsmede [naam 3] , partner van [naam 2] , verschenen, bijgestaan door eisers gemachtigde voornoemd. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. E.S. Fikkert. [naam 1] is verschenen, vergezeld door zijn echtgenote [naam 4] Totstandkoming van het bestreden besluit Feiten 2. De voormalig eigenaren van de woning op perceel [nummer 1] en [naam 5] (hierna: [naam 5] ) hebben op 21 oktober 2019 een koopovereenkomst betreffende deze woning gesloten. Eiser wil de woning op perceel [nummer 1] gebruiken als kamerverhuurpand voor zes personen. Daartoe heeft hij op 22 oktober 2019 een aanvraag om een omgevingsvergunning bij verweerder ingediend. De besluitvorming op die aanvraag ligt in deze uitspraak voor. In de aanvraag heeft eiser aangegeven dat hij op 1 december 2019 eigenaar wordt van deze woning. Op 15 januari 2020 is de woning op perceel [nummer 1] geleverd aan eisers dochter, [naam 2] [naam 1] woont op het perceel [adres 2] in Enschede. Dit perceel grenst aan perceel [nummer 1] . Voorliggende besluitvorming 3. Bij aanvraag van 22 oktober 2019 heeft eiser verweerder verzocht hem een omgevingsvergunning te verlenen om de woning op perceel [nummer 1] te gebruiken als kamerverhuurpand voor zes personen. Deze aanvraag is in strijd met artikel 3.1, onder a, van het (paraplu)bestemmingsplan “Onzelfstandige bewoning Enschede” (hierna: het bestemmingsplan). Vanwege deze strijd is een omgevingsvergunning voor de activiteit ‘afwijken van het bestemmingsplan’ als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: Wabo) vereist. De aanvraag ziet op deze omgevingsvergunning. 4. In het primaire besluit van 28 november 2019 heeft verweerder de gevraagde omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, van de Wabo verleend. Hierbij heeft verweerder toepassing gegeven aan het bepaalde in artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 1, van de Wabo, in samenhang met artikel 3.1, onder b, van het bestemmingsplan, in samenhang met de Beleidsregel “Onzelfstandige bewoning Enschede” (hierna: de Beleidsregel). Verweerder heeft zich hierbij op de navolgende standpunten gesteld. 4.1. Op grond van artikel 3.1, onder b, van het bestemmingsplan kan hij met een omgevingsvergunning afwijken van het onder 3.1, onder a, van het bestemmingsplan genoemde verbod en het gebruik van of het in gebruik geven van een kamerverhuurpand toestaan, mits wordt voldaan aan de criteria uit de Beleidsregel dan wel, in het geval deze tussentijds wordt gewijzigd of vervangen door een andere beleidsregel, aan deze gewijzigde respectievelijk vervangende beleidsregel. 4.2. Op de aanvraag en de verdere besluitvorming is de Beleidsregel van toepassing, omdat uit de Beleidsregel en de nadien gewijzigde beleidsregels volgt dat de dag waarop de aanvraag voor een omgevingsvergunning is ontvangen, bepalend is voor de vraag welke beleidsregels van toepassing zijn. Uit de Beleidsregel volgt dat van onzelfstandige bewoning sprake is wanneer drie of meer bewoners geen gezamenlijk zelfstandig huishouden voeren en dus de bewoning niet als één afzonderlijk huishouden kan worden aangemerkt. Indien een aanvraag voor onzelfstandige bewoning wordt ingediend, vindt toetsing plaats of hiervoor afgeweken kan worden van het bestemmingsplan met een omgevingsvergunning. Hierbij geldt als toetsingskader dat er geen onevenredige aantasting plaatsvindt van het woon- en leefklimaat door, onder andere, te toetsen aan het gebruik van de twee naastgelegen woningen (zowel links als rechts). Wat betreft dit gebruik staat in de Beleidsregel dat het pand waarop de aanvraag voor een omgevingsvergunning betrekking heeft, meer dan twee aaneengesloten woningen verwijderd moet zijn van een geregistreerd pand voor onzelfstandige bewoning dan wel een woning waarvoor al een aanvraag om een omgevingsvergunning voor onzelfstandige bewoning bij verweerder is ingediend. De dag waarop de aanvraag voor een omgevingsvergunning door de gemeente is ontvangen, is bepalend voor het vaststellen van het gebruik van de belendende (vier) woningen. 4.3. In het primaire besluit heeft verweerder vastgesteld dat de aanvraag voldoet aan alle criteria uit de Beleidsregel, dus ook aan het criterium dat twee woningen aan weerszijden van de woning op perceel [nummer 1] niet onzelfstandig worden bewoond en dat hiervoor ook geen aanvraag bij hem is ingediend. 5. In bezwaar is aangevoerd dat niet wordt voldaan aan het in de Beleidsregel opgenomen criterium dat twee woningen aan weerszijden van het pand waarop de aanvraag ziet, niet onzelfstandig bewoond mogen zijn. Op verzoek van de bezwarencommissie heeft verweerder daarop aanvullend onderzoek uitgevoerd naar het gebruik van deze woningen. 5.1. Verweerder heeft dit onderzoek uitgevoerd en de bezwarencommissie over zijn bevindingen en het vervolgens door hem ingenomen standpunt, geïnformeerd. Samengevat weergegeven is uit dit onderzoek naar voren gekomen dat de woning op perceel [adres 3] (hierna: perceel [nummer 2] ) zowel ten tijde van het primaire besluit als ten tijde van de hoorzitting volgens de BRP werd bewoond door (slechts) twee personen, maar dat er feitelijk drie personen onzelfstandig woonden in dit pand. De derde persoon had niet voldaan aan de verplichting om zich als bewoner op dit adres in te schrijven in de BRP, maar heeft dit ondertussen wel gedaan. De eigenaar van de woning op perceel [nummer 2] heeft met documentatie aangetoond dat er in de periode vanaf 24 december 2016 tot heden sprake is van onzelfstandige bewoning die niet langer dan één jaar onderbroken is geweest, zodat sprake is van een ‘bestaand kamerverhuurpand’ in de zin van het bestemmingsplan. Verweerder heeft geconcludeerd dat uit het onderzoek volgt dat ten tijde van de binnenkomst van de aanvraag van eiser niet werd voldaan aan het in de Beleidsregel opgenomen criterium dat twee woningen aan weerszijden van de woning niet onzelfstandig bewoond mogen zijn. 5.2. De secretaris van de bezwarencommissie heeft eiser bij brief van 5 januari 2021 op de hoogte gesteld van de onderzoeksbevindingen en het hierop door verweerder ingenomen standpunt, en eiser in de gelegenheid gesteld hierop te reageren. Eiser heeft bij brief van 1 februari 2021 zijn reactie gegeven. 6. In het bestreden besluit van 2 juni 2021 heeft verweerder, onder verwijzing naar het advies van de bezwarencommissie, het bezwaar van [naam 1] gegrond verklaard, het primaire besluit herroepen en de gevraagde omgevingsvergunning alsnog geweigerd wegens het niet voldoen aan een criterium uit de Beleidsregel. Verweerder heeft zich hierbij op het standpunt gesteld dat er in dit geval geen bijzondere omstandigheden zijn die onevenredig zijn in verhouding tot de met de beleidsregels te dienen doelen en daarmee zouden nopen tot afwijking van de Beleidsregel. Beoordeling door de rechtbank 7. De rechtbank beoordeelt de in bezwaar alsnog geweigerde omgevingsvergunning voor het gebruiken van de woning op perceel [nummer 1] als kamerverhuurpand voor zes personen. Zij doet dat aan de hand van de argumenten die eiser heeft aangevoerd, de beroepsgronden. 8. De voor de beoordeling van het beroep belangrijke wet- en regelgeving is te vinden in de bijlage bij deze uitspraak. Beroepsgrond tegen het primaire besluit 9. Eiser heeft in zijn beroepschrift aangevoerd dat het primaire besluit in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel is genomen. In dit kader heeft hij aangevoerd dat verweerder in de primaire fase onvoldoende onderzoek naar de feitelijke situatie in de vier belendende woningen, en dan met name de woning op perceel [nummer 2] , heeft uitgevoerd. Verweerder heeft in de primaire fase namelijk enkel volstaan met het raadplegen van de BRP. 10. De rechtbank overweegt hierover dat in beroep enkel de rechtmatigheid van het bestreden besluit voorligt. De rechtbank zal de tegen het primaire besluit gerichte beroepsgrond dan ook niet bespreken. De bevoegdheid om af te wijken van het bestemmingsplan 11. De rechtbank stelt vast dat het gebruiken van de woning op perceel [nummer 1] als kamerverhuurpand voor zes personen in strijd is met artikel 3.1, onder a, van het bestemmingsplan en dat daarom een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, van de Wabo is vereist. Verweerder kan deze vergunning met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a, van de Wabo in samenhang met artikel 3.1, onder b, van het bestemmingsplan verlenen mits wordt voldaan aan de criteria, opgenomen in de Beleidsregel, genoemd in laatstgenoemd artikel. De beleidsregel die in deze zaak van toepassing is, is de Beleidsregel, omdat deze gold ten tijde van de binnenkomst van de aanvraag. Dit is tussen partijen ook niet in geschil. 12. In het bestreden besluit heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat de aanvraag niet voldoet aan het in de Beleidsregel opgenomen criterium dat twee woningen aan weerszijden van de woning op perceel [nummer 1] niet onzelfstandig mogen worden bewoond. Uit feitenonderzoek is immers gebleken dat de woning op perceel [nummer 2] ten tijde van de binnenkomst van de aanvraag werd gebruikt voor onzelfstandige bewoning en dat op perceel [nummer 2] sprake is van een bestaand kamerverhuurpand in de zin van het bestemmingsplan. In het beroepschrift heeft eiser dit standpunt niet bestreden. Ter zitting heeft eiser voor het eerst aangevoerd dat verweerder voornoemd standpunt niet heeft onderbouwd door het in het geding brengen van de bewijsstukken/onderzoeksresultaten waarop dit standpunt is gebaseerd. De rechtbank oordeelt dat eiser, door het eerst ter zitting bestrijden van dit standpunt van verweerder, in strijd met de goede procesorde handelt. Eiser had deze (beroeps)grond in een eerder stadium kunnen en moeten aanvoeren. Ten eerste is eiser door de bezwaren-commissie in de gelegenheid gesteld om te reageren op de bevindingen van het onderzoek en de hierop gebaseerde conclusie van verweerder. Indien eiser van mening was dat de bevindingen en de daarop gebaseerde conclusie onvoldoende waren onderbouwd met bewijsstukken, dan had hij dat in zijn brief van 1 februari 2021 kunnen aangeven. Dat heeft eiser evenwel niet gedaan. Ook heeft eiser in zijn beroepschrift, ingekomen op 14 juli 2021, niet aangegeven dat hij van mening is dat verweerder zijn standpunt/conclusie onvoldoende heeft onderbouwd met bewijsstukken. Ten slotte had eiser, nadat de rechtbank de door verweerder ingebrachte gedingstukken op 21 september 2021 aan hem had doorgezonden, daarop kunnen reageren. Dat heeft eiser ook niet gedaan. Eiser heeft gewacht tot de zitting van 24 juni 2022 en heeft verweerder toen overvallen met deze nieuwe beroepsgrond, waardoor verweerder niet in staat was hier inhoudelijk op te reageren. De rechtbank betrekt deze beroepsgrond dan ook niet bij haar beoordeling. Gelet op vorenstaande oordeelt de rechtbank dat eiser het standpunt van verweerder - dat de aanvraag niet voldoet aan het in de Beleidsregel opgenomen criterium dat twee woningen aan weerszijden van de woning op perceel [nummer 1] niet onzelfstandig mogen worden bewoond - niet heeft bestreden, zodat dit tussen partijen niet in geschil is en de rechtbank hiervan uit zal gaan. 13. Ter zitting hebben eiser en verweerder meegedeeld dat zij zich op het standpunt stellen dat het niet voldoen aan een criterium uit de Beleidsregel niet betekent dat verweerder niet bevoegd zou zijn om gebruik te maken van de in artikel 3.1, onder b, van het bestemmingsplan opgenomen afwijkingsbevoegdheid. Volgens eiser en verweerder kan verweerder in beginsel afwijken van de Beleidsregel. Eiser en verweerder zijn enkel verdeeld over de vraag of er in deze zaak sprake is van bijzondere omstandigheden als bedoeld in artikel 4:84 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) en of de hardheidsclausule, neergelegd in de Beleidsregel, verweerder aanleiding had moeten geven om af te wijken van de Beleidsregel. 14. De rechtbank overweegt hierover allereerst dat de bevoegdheid van een bestuursorgaan om omgevingsvergunning te verlenen een aspect van openbare orde is (vergelijk de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 4 september 2019, ECLI:NL:RVS:2019:3031, r.o. 3.2). De bevoegdheid moet daarom ambtshalve door de bestuursrechter worden beoordeeld. Dat het bestaan van de bevoegdheid tussen partijen niet in geschil is, is daarbij niet relevant. Ten aanzien van de bevoegdheid overweegt de rechtbank ambtshalve het volgende. 14.1. De raad van de gemeente Enschede (hierna: de raad) heeft in artikel 3.1, onder b, van het bestemmingsplan aan verweerder de bevoegdheid toegekend om af te wijken van het verbod om een woning te gebruiken als kamerverhuurpand, neergelegd in artikel 3.1, onder a, van het bestemmingsplan. Gelet op de redactie van artikel 3.1, onder b, van het bestemmingsplan is dit een geclausuleerde bevoegdheid. Enkel en alleen als wordt voldaan aan de criteria uit de Beleidsregel, is verweerder bevoegd bij omgevingsvergunning af te wijken van voornoemd verbod. Het moeten voldoen aan de criteria uit de Beleidsregel is een toepassingsvoorwaarde die de raad heeft gesteld aan de aan verweerder toegekende afwijkingsbevoegdheid. Dit betekent dat, indien een aanvraag voor het gebruiken van een woning als kamerverhuurpand voldoet aan de criteria uit de Beleidsregel, verweerder bevoegd is om binnenplans (ex artikel 3.1, onder
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.