RECHTBANK OVERIJSSEL Team Strafrecht Meervoudige kamer Zittingsplaats Zwolle Parketnummer: 08-952044-20 (P) Datum vonnis: 3 oktober 2022 Vonnis op tegenspraak in de zaak van de officier van justitie tegen: [verdachte] , geboren op [geboortedatum] 1970 in [geboorteplaats] , wonende aan [adres 1] , 1Het onderzoek op de terechtzitting Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 19 september
- De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officieren van justitie mr. R. Janssens en mr. M. Hoekstra en van wat door verdachte en zijn raadsvrouw J.M.M. Pinners, advocaat te Zwolle, naar voren is gebracht. 2De tenlastelegging De verdenking komt er kort en zakelijk weergegeven, op neer dat verdachte: in de periode van 1 januari 2019 tot en met 9 april 2020 in Steenwijk samen met anderen opzettelijk 1.200 hennepplanten heeft geteeld en aanwezig heeft gehad in een pand aan [adres 2] of medeplichtig is geweest daaraan. Voluit luidt de tenlastelegging aan verdachte, dat: hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 januari 2019 tot en met 9 april 2020, in elk geval in de periode van 1 februari 2020 tot en met 9 april 2020, te Steenwijk, gemeente Steenwijkerland, (telkens) tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad (in een pand aan [adres 2] , (ruimte [nummer 1] en/of [nummer 2] ) ongeveer (in totaal) 1200, althans een groot aantal hennepplanten en/of delen daarvan, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een materiaal bevattende hennep, zijnde hennep een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van die wet; subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden: [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] en/of een of meer onbekend gebleven personen in of omstreeks de periode van 1 januari 2019 tot en met 9 april 2020, te Steenwijk, gemeente Steenwijkerland, met elkaar, althans één van hen, (telkens) opzettelijk heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad in een pand aan [adres 2] (in ruimte [nummer 1] en/of [nummer 2] ) ongeveer (in totaal) 1200, althans een groot aantal hennepplanten en/of delen daarvan, in elk geval (telkens) een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een materiaal bevattende hennep, zijnde hennep een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II, tot en/of bij het plegen van welk€ misdrijf/misdrijven verdachte in of omstreeks de periode van
- januari 2019 tot en met 9 april 2020, te Steenwijk, gemeente Steenwijkerland, in elk geval in Nederland, meermalen, althans eenmaal (telkens) opzettelijk gelegenheid en/of middelen en/of inlichtingen heeft verschaft en/of opzettelijk behulpzaam is geweest, door aan die Heskes en/of die Lokker en/of die onbekend gebleven persoon/personen voornoemd pand/ruimtes voor de teelt/het kweken van hennepplanten ter beschikking te stellen en/of te verhuren. 3De voorvragen De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van deze zaak, dat de officieren van justitie ontvankelijk zijn in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging. 4De bewijsoverwegingen 4.1 Het standpunt van de officier van justitie De officieren van justitie hebben gevorderd dat verdachte wordt vrijgesproken van het primair en subsidiair ten laste gelegde. De rol van verdachte is van onvoldoende betekenis om wettig en overtuigend te bewijzen dat hij als medepleger kan worden aangemerkt. Ook kan niet worden vastgesteld dat verdachte bij het aangaan van de huurovereenkomst met medeverdachte [medeverdachte 2] opzet had op het leveren van een bijdrage aan het strafbare feit, waardoor de medeplichtigheid aan het telen van hennep niet kan worden bewezen. 4.3 Het standpunt van de verdediging De raadsvrouw heeft – overeenkomstig een aan de rechtbank overgelegde pleitnotitie – betoogd dat verdachte vrijgesproken moet worden van het primair en subsidiair ten laste gelegde. Op basis van het procesdossier en de overgelegde stukken is er onvoldoende bewijs om het ten laste gelegde feit wettig en overtuigend te bewijzen. Er blijkt niet dat verdachte wetenschap had van de aanwezigheid van de hennepkwekerij in de door hem aan medeverdachte [medeverdachte 2] verhuurde unit. Daarnaast is er geen bewijs dat hij enige criminele intenties had bij de verhuur van de twee units aan medeverdachten [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] . 4.4 Het oordeel van de rechtbank De rechtbank acht niet bewezen wat aan verdachte primair en subsidiair is ten laste gelegd, zodat zij hem daarvan zal vrijspreken. 5De beslissing De rechtbank: vrijspraak - verklaart niet bewezen dat verdachte het primair en subsidiair ten laste gelegde heeft begaan en spreekt hem daarvan vrij. Dit vonnis is gewezen door mr. G.H. Meijer, voorzitter, mr. M. van Berlo en mr. drs. K.A. Schönbeck, rechters, in tegenwoordigheid van mr. M.S. de Bruin griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 3 oktober
- Buiten staat De voorzitter en mr. drs. K.A. Schönbeck zijn niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.