← Nederland

ECLI:NL:RBOVE:2022:3050

RECHTBANK OVERIJSSEL Team Strafrecht Zittingsplaats Zwolle Parketnummer: 08.216026.20 Datum vonnis: 30 augustus 2022 Vonnis op tegenspraak (artikel 279 van het Wetboek van Strafvordering) van de rechtbank Overijssel, meervoudige kamer voor strafzaken, rechtdoende op de vordering op grond van artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht van de officier van justitie ten aanzien van de veroordeelde: [veroordeelde] , geboren op [geboortedatum] 1974 in [geboorteplaats], wonende aan [woonplaats] . 1De vordering van de officier van justitie De officier van justitie heeft gevorderd dat de rechtbank het bedrag zal vaststellen waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel als bedoeld in artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht (Sr) wordt geschat en aan de veroordeelde de verplichting zal opleggen tot betaling aan de Staat van het geschatte voordeel tot een bedrag van € 101.450,

  1. 2De procedure De vordering is behandeld op de openbare terechtzitting van 16 augustus
  2. De behandeling van de ontnemingsvordering heeft gelijktijdig plaatsgehad met de behandeling van de strafzaak. De veroordeelde, bijgestaan door zijn raadsvrouwmr. M.G. Pekkeriet-Bischop, advocaat in Deventer, is op die terechtzitting verschenen en op de vordering gehoord. De officier van justitie mr. M. Hoekstra heeft ter terechtzitting zijn vordering gehandhaafd. De raadsvrouw heeft zich primair, in verband met de bepleite vrijspraken in de strafzaak, op het standpunt gesteld dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de vordering. Subsidiair heeft de raadsvrouw het standpunt ingenomen dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de vordering in verband met de uitspraak van de rechtbank Overijssel, afdeling bestuursrecht, van 31 maart 2022 (zaaknummers: ZWO 21/40 en 21/42). In die uitspraak heeft de bestuursrechter het beroep van de veroordeelde en zijn echtgenote tegen het besluit van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Kampen in verband met terugvordering van de betaalde uitkeringsbedragen ongegrond verklaard. Daardoor moeten zij een bedrag van € 99.452,40 aan uitkering aan de gemeente Kampen terugbetalen. Er is beroep tegen ingesteld. De raadsvrouw verwijst in dit verband naar de uitspraak van het gerechtshof Amsterdam van 15 oktober 2015 (ECLI:NL:GHAMS:2015:4284). 3Ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie De rechtbank stelt vast dat uit het dossier of het verhandelde ter terechtzitting niet is gebleken dat de gemeente Kampen al daadwerkelijk is begonnen met de invordering van de onverschuldigd betaalde uitkeringsgelden. Bovendien heeft de raadsvrouw ter terechtzitting meegedeeld dat de veroordeelde en zijn echtgenote hoger beroep hebben ingesteld tegen voornoemde uitspraak van de bestuursrechter van deze rechtbank, waardoor die uitspraak nog niet onherroepelijk is. Van een situatie zoals die in de door de raadsvrouw aangehaalde uitspraak van het gerechtshof Amsterdam is dan ook geen sprake. Daarnaast is de rechtbank tot een veroordeling gekomen in de strafzaak van de veroordeelde en zijn echtgenote, zoals hierna genoemd. De rechtbank is daarom van oordeel dat het Openbaar Ministerie ontvankelijk is in haar vordering. 4De beoordeling van de vordering 4.1 Veroordeling De veroordeelde is bij vonnis van deze rechtbank van 30 augustus 2022 veroordeeld voor het strafbare feit: primair het misdrijf: in strijd met een hem bij of krachtens wettelijk voorschrift opgelegde verplichting, opzettelijk nalaten tijdig de benodigde gegevens verstrekken, terwijl het feit kan strekken tot bevoordeling van zichzelf of een ander, en terwijl hij weet dat de gegevens van belang zijn voor de vaststelling van zijn of eens anders recht op een verstrekking of tegemoetkoming, meermalen gepleegd. 4.2 De beoordeling van de omvang van het wederrechtelijk verkregen voordeel Bij voornoemd vonnis heeft de rechtbank bewezen verklaard dat de veroordeelde in de periode van 1 mei 2014 tot en met 24 april 2019 opzettelijk heeft nagelaten om aan de sociale dienst van de gemeente Kampen tijdig de benodigde gegevens te verstrekken die van belang waren voor de vaststelling van zijn bijstandsuitkering. Uit de voornoemde uitspraak van de bestuursrechter van deze rechtbank blijkt dat de veroordeelde door het schenden van zijn inlichtingenplicht bijstandsuitkering heeft ontvangen zonder dat hij daar recht op had. In het procesdossier bevindt zich een fraudeberekening met een benadelingsbedrag van € 101.450,
  3. Uit voornoemde uitspraak van de bestuursrechter blijkt echter dat het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Kampen hebben geconcludeerd dat het onverschuldigd betaalde bedrag door de gemeente Kampen € 99.452,40 is. Nu de bestuursrechter het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Kampen in het gelijk hebben gesteld, is de rechtbank van oordeel dat dit het bedrag is dat de veroordeelde als wederrechtelijk verkregen voordeel heeft genoten. De veroordeelde is voor dit bedrag met zijn echtgenote [naam] hoofdelijk aansprakelijk, nu zij een gezamenlijke uitkering genoten en zij zich allebei schuldig hebben gemaakt aan het schenden van de inlichtingenplicht. 4.3 De vaststelling van de betalingsverplichting De rechtbank is van oordeel dat aan de veroordeelde de verplichting moet worden opgelegd tot betaling aan de Staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel van een bedrag van € 99.452,
  4. 5De wettelijke voorschriften De oplegging van de maatregel is gegrond op artikel 36e Sr. 6De beslissing De rechtbank: - stelt het bedrag waarop het door de veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op € 99.452,40 (zegge: negenennegentigduizend vierhonderdtweeënvijftig euro en veertig eurocent); legt de veroordeelde de verplichting op tot betaling van € 99.452,40 (zegge: negenennegentigduizend vierhonderdtweeënvijftig euro en veertig eurocent) aan de Staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel; bepaalt dat de veroordeelde voor dit bedrag hoofdelijk aansprakelijk is; bepaalt de duur van de gijzeling die met toepassing van artikel 6:6:25 van het Wetboek van Strafvordering ten hoogste kan worden gevorderd op 1080 dagen. Dit vonnis is gewezen door mr. A.J. de Loor, voorzitter, mr. A. van Holten en mr. M.T. Bos, rechters, in tegenwoordigheid van mr. L.C. Folkerts, griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 30 augustus
  5. Buiten staat Mr. A.J. de Loor is niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen. Het in de wettelijke vorm door daartoe bevoegde personen opgemaakte proces-verbaal, met bijlagen, dossiernummer PL0600-2019495214, van de Politie, Eenheid Oost-Nederland, district IJsselland, van 6 november 2019 (pagina 120).

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.