RECHTBANK OVERIJSSEL Zittingsplaats Zwolle Bestuursrecht zaaknummer: AWB 22/1946 uitspraak van de voorzieningenrechter op het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen [naam 1] e.a., te Hasselt, verzoekers, gemachtigde: mr. S.P.M. Schaap, en het college van burgemeester en wethouders van Zwartewaterland, verweerder, gemachtigde: mr. S.J. de Haan. Als derde-partij heeft aan het geding deelgenomen: [naam vennootschap 1] BV, te Kampen, gemachtigde: mr. J. van Groningen. Procesverloop Besluitvorming Op 1 november 2022 (verzonden 3 november 2022) heeft verweerder aan de derde-partij, na het doorlopen van de uniforme openbare voorbereidingsprocedure als bedoeld in afdeling 3.4. van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), een omgevingsvergunning verleend voor: het bouwen van een bouwwerk, het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met het bestemmingsplan, en het veranderen van een (milieu)inrichting, op het perceel Gildenweg 1 te Hasselt (verder: het bouwperceel). De omgevingsvergunning treedt met inachtneming van artikel 6.1, tweede lid, aanhef en onder b, van de Wabo op zijn vroegst in werking op 16 december 2022 (de uitgestelde inwerkingtreding). Op 9 november 2022 hebben verzoekers bij verweerder een handhavingsverzoek ingediend en verzocht om de derde-partij met spoed een bouwstop op te leggen, omdat hij vóór de inwerkingtreding van de omgevingsvergunning is begonnen met bouwwerkzaamheden. Op 10 november 2022 heeft verweerder verzoekers per emailbericht in kennis gesteld van zijn weigering om handhavend op te treden. Verzoekers hebben daartegen op 10 november 2022 bij verweerder bezwaar gemaakt. Op dezelfde dag hebben verzoekers bij de voorzieningenrechter een verzoek ingediend om een voorlopige voorziening te treffen. Verzocht is ervoor zorg te dragen dat door verweerder per direct een bouwstop wordt opgelegd aan de derde-partij totdat de omgevingsvergunning in werking is getreden. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 november 2022. Verschenen zijn: verzoekers: [naam 1] , [naam 2] , mede namens [naam vennootschap 2] BV en [naam 3] verweerder: A.J. Boers en A. Winters, derde-partij: [naam 4] , [naam 5] en [naam 6] , allen bijgestaan door hun gemachtigden. Overwegingen 1. De voorzieningenrechter gaat op grond van het bepaalde in artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) na of er een voorlopige voorziening moet worden getroffen omdat de uitkomst in de bodemprocedure – hier de bezwaarprocedure – niet kan worden afgewacht. Zij let daarbij op de belangen van partijen, waarbij zij een afweging moet maken tussen aan de ene kant het belang van de verzoekende partij dat zo snel mogelijk een voorziening wordt getroffen en aan de andere kant de belangen bij de onmiddellijke uitvoering van het bestreden besluit. Het oordeel van de voorzieningenrechter is niet bindend voor de rechtbank in een eventuele beroepsprocedure. 2. De voorzieningenrechter stelt vast dat het bezwaar van verzoekers en het verzoek om een voorlopige voorziening zijn gericht tegen verweerders emailbericht van 10 november 2022, waarin verweerder weigert om per direct aan de derde-partij een bouwstop op te leggen. De voorzieningenrechter merkt het emailbericht van 10 november 2022, evenals partijen, aan als een besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb. Nu verzoekers daartegen tijdig bezwaar hebben gemaakt, is het verzoek om een voorlopige voorziening ontvankelijk. Het verzoek om voorlopige voorziening 3. Verzoekers hebben verzocht een voorlopige voorziening te treffen omdat de derde-partij al is begonnen met bouwwerkzaamheden op het bouwperceel terwijl de omgevingsvergunning nog niet in werking is getreden. Verzoekers wijzen er daarbij op dat zij het niet eens zijn met de verleende omgevingsvergunning en dat zij voornemens zijn daartegen beroep in te stellen en daarbij ook een verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening in te dienen. Zij hebben echter meer tijd nodig om deze procedurele stappen voor te bereiden. De uitgestelde inwerkingtredingstermijn van artikel 6.1, tweede lid, van de Wabo is bedoeld om hen deze tijd te gunnen, maar wordt nu met voeten getreden. De voorzieningenrechter wordt daarom verzocht in te grijpen. Het spoedeisend belang 4. De derde-partij heeft de voorzieningenrechter op 11 november 2022 desgevraagd meegedeeld, dat er - voor zover relevant in de periode tot 16 december 2022 - op het bouwperceel: vanaf 7 november 2022 mortelschroefpalen in de grond worden geboord, vanaf 21 november 2022 wordt gestart met bemaling ten behoeve van een te plaatsen kelder, en vanaf 14 december 2022 wordt gestart met het slaan van damwanden. 5. Uit het voorgaande volgt dat vergunninghouder inderdaad, zoals door verzoekers gesteld, is begonnen met bouwwerkzaamheden vóórdat de omgevingsvergunning in werking is getreden. Nu verzoekers wensen te bereiken dat de bouwwerkzaamheden per direct worden stilgelegd, kan een beslissing op het door verzoekers ingediende bezwaar niet worden afgewacht en is er naar het oordeel van de voorzieningenrechter sprake van een spoedeisend belang. De voorzieningenrechter zal het verzoek dan ook inhoudelijk beoordelen. Bestaat er aanleiding voor het treffen van een voorlopige voorziening? 6. Het geschil beperkt zich tot de vraag of verweerders weigering om de derde-partij per direct een bouwstop op te leggen voor zijn bouwactiviteiten op het bouwperceel in bezwaar naar verwachting stand houdt. 7. De voorzieningenrechter stelt voorop dat een bestuursorgaan bij overtreding van een wettelijk voorschrift in beginsel gehouden is om tegen die overtreding handhavend op te treden. Dat is immers in het algemeen belang. Het bestuursorgaan mag er alleen onder bijzondere omstandigheden voor kiezen om niet handhavend op te treden. Dat kan bijvoorbeeld als er concreet zicht op legalisatie bestaat of als handhaving onevenredig is in verhouding tot de daarmee te dienen doelen. 8. Tussen partijen is niet in geschil dat de derde-partij op 7 november 2022 een start heeft gemaakt met het realiseren van zijn bouwplan en de daaruit voortvloeiende werkzaamheden nog steeds verricht, terwijl daarvoor geen rechtsgeldige titel bestaat. De verleende omgevingsvergunning treedt ingevolge artikel 6.1, tweede lid, aanhef en onder b, van de Wabo immers op zijn vroegst pas in werking op 16 december 2022. Indien verzoekers inderdaad, zoals zij hebben aangekondigd, beroep instellen tegen de omgevingsvergunning en daarbij een verzoek om voorlopige voorziening indienen, treedt de omgevingsvergunning niet in werking voordat op dat verzoek is beslist (zie artikel 6.1, derde lid, van de Wabo). Een en ander is in de omgevingsvergunning expliciet aan vergunninghouder meegedeeld. Concreet zicht op legalisatie? 9 Verweerder stelt zich op het standpunt dat handhavend optreden in de onderhavige situatie op goede gronden is geweigerd. Verweerder voert daartoe aan dat er concreet zicht bestaat op legalisatie van de huidige bouwactiviteiten, omdat: een ontwerp-omgevingsvergunning ter inzage is gelegd; een definitieve omgevingsvergunning is verleend voor de start van de huidige bouwwerkzaamheden; de omgevingsvergunning op korte termijn daadwerkelijk in werking zal treden. Daarnaast wijst verweerder erop dat naar vaste rechtspraak bij illegale bouwactiviteiten zelfs geen ingediende aanvraag voor een omgevingsvergunning nodig is om concreet zicht op legalisatie aan te nemen. Er dient in dat kader alleen beoordeeld te worden of één of meer van de weigeringsgronden van artikel 2.10 van de Wabo zich voordoen, hetgeen hier niet aan de orde is. 10. De voorzieningenrechter volgt verweerder niet in dit betoog. De voorzieningenrechter overweegt in dit verband het volgende. 10.1 De hoofdregel is dat een beschikking krachtens de Wabo in werking treedt met ingang van de dag na haar bekendmaking (artikel 6.1, eerste lid, van de Wabo). Vergunninghouder kan dan - ook als er een rechtsmiddel wordt ingesteld tegen de beschikking - op eigen risico direct aan de slag. De wetgever heeft het echter wenselijk geacht dat in twee categorieën zaken de beschikkingen niet direct in werking treden en de vergunninghouder dus niet direct aan de slag kan. De eerste categorie (artikel 6.1, tweede lid, onder
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.