RECHTBANK OVERIJSSEL Team kanton en handelsrecht Zittingsplaats Almelo Zaaknummer : C/08/267516 / HA ZA 21-254 Vonnis van 26 januari 2022 in de zaak van [eiseres] ,wonende te [woonplaats] (Duitsland), eisende partij, hierna te noemen [eiseres] , advocaat: mr. M.M. Nijhuis te Enschede, tegen [gedaagde] ,handelend onder de naam [A] , wonende te [woonplaats] , gedaagde partij, hierna te noemen [gedaagde] . 1De procedure 1.
- Het verloop van de procedure blijkt uit: het tussenvonnis van 15 december 2021, de akte uitlating van [eiseres] van 29 december
- 1.
- Ten slotte is vonnis bepaald. 2De beoordeling 2.
- In het tussenvonnis heeft de rechtbank overwogen dat deze zaak naar haar voorlopig oordeel, vanwege de hoogte van de vordering van [eiseres] , verder moet worden behandeld en beslist door de kantonrechter. 2.
- [eiseres] heeft geen bezwaar gemaakt tegen het voornemen van de rechtbank om de zaak te verwijzen naar de kantonrechter van deze rechtbank. 2.
- De rechtbank blijft bij haar oordeel dat de zaak moet worden behandeld door de kantonrechter van deze rechtbank. De rechtbank zal de zaak op grond van artikel 71 lid 2 Rv ambtshalve verwijzen naar de kantonrechter te Enschede. 3De beslissing De rechtbank 3.
- verwijst de zaak in de stand waarin deze zich bevindt naar de rolzitting van de kantonrechter van deze rechtbank, locatie Enschede op 22 februari 2022 te 10:00 uur, 3.
- beveelt dat [eiseres] de datum van de hiervoor vermelde rolzitting bij exploot zal aanzeggen aan [gedaagde] , onder de betekening van de beslissing tot verwijzing, 3.
- wijst partijen erop dat zij op de hiervoor vermelde rolzitting niet hoeven te verschijnen, omdat de kantonrechter eerst zal beslissen op welke wijze de procedure zal worden voortgezet, waarna de griffier partijen over deze beslissing zal informeren, 3.
- wijst partijen erop dat zij in het vervolg van de procedure niet meer vertegenwoordigd hoeven te worden door een advocaat, maar ook persoonlijk of bij gemachtigde kunnen verschijnen, 3.
- wijst partijen erop dat het in deze procedure geheven griffierecht ingevolge artikel 8 lid 4 WGBZ zal worden verlaagd en dat het teveel betaalde griffierecht door de griffier zal worden teruggestort, 3.
- wijst partijen erop dat van een persoon die onvermogend is, een lager griffierecht wordt geheven, indien hij op het tijdstip waarop het griffierecht wordt geheven heeft overgelegd: 1º. een afschrift van het besluit tot toevoeging als bedoeld in de Wet op de rechtsbijstand, of indien dit niet mogelijk is ten gevolge van omstandigheden die redelijkerwijs niet aan hem zijn toe te rekenen, een afschrift van de aanvraag om een toevoeging dan wel 2º. een inkomensverklaring van de Raad voor de Rechtsbijstand ten behoeve van vermindering van griffierechten (zonder gebruikmaking van een toevoeging); zie www.rvr.org. 3.
- draagt de griffier op het procesdossier door te zenden aan de roladministratie van de kantonrechter te Enschede. Dit vonnis is gewezen door mr. U. van Houten en in het openbaar uitgesproken op 26 januari 2022.