← Nederland

ECLI:NL:RBOVE:2022:3883

RECHTBANK OVERIJSSEL Team Strafrecht Meervoudige Kamer Zittingsplaats Almelo Parketnummer: 08-251226-21 (P) Datum vonnis: 23 december 2022 Vonnis op tegenspraak in de zaak van de officier van justitie tegen: [verdachte] , geboren op [geboortedatum 1] 1992 in [geboorteplaats 1] , zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland, nu verblijvende in de P.I. Zwolle (PPC) in Zwolle. 1Het onderzoek op de terechtzitting Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 18 november 2022, 21 november 2022, 28 november 2022, 29 november 2022 en 13 december 2022. De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie mr. G.J. Jansen en van wat door verdachte en zijn raadslieden mr. J.B.A. Kalk en mr. N.L.A.N. Weusthof, advocaten in Enschede, naar voren is gebracht. 2De tenlastelegging De verdenking komt er na toewijzing van een vordering nadere omschrijving van de tenlastelegging als bedoeld in artikel 314a van het Wetboek van Strafvordering (Sv) van 18 november 2022 – kort en zakelijk weergegeven – op neer dat verdachte: - feit 1: [slachtoffer 1] van het leven heeft beroofd door met een mes op haar in te steken en/of te snijden, wat primair ten laste is gelegd als moord en subsidiair als doodslag; - feit 2: [slachtoffer 2] van het leven heeft beroofd door met een mes op haar in te steken en/of te snijden, wat primair ten laste is gelegd als moord en subsidiair als doodslag; feit 3: een kruisboog op [slachtoffer 3] heeft gericht en heeft geschoten, nadat zij – om te ontkomen aan het geweld zoals onder 1 en 2 is ten laste gelegd – zich van het balkon had laten vallen en gewond op de grond lag. Deze gedraging is primair ten laste gelegd als poging tot moord dan wel poging tot doodslag, subsidiair als een poging tot zware mishandeling (al dan niet met voorbedachten rade) en meer subsidiair als een bedreiging; feit 4: een kruisboog op [slachtoffer 4] (politieagent) heeft gericht en heeft geschoten. Deze gedraging is primair ten laste gelegd als poging tot moord dan wel poging tot doodslag, subsidiair als een poging tot zware mishandeling (al dan niet met voorbedachten rade) en meer subsidiair als een bedreiging; - feit 5: een lid van de Dienst Speciale Interventies en tevens lid van de Aanhoudings- en Ondersteuningsteam, geregistreerd als [slachtoffer 5] , heeft bedreigd door een (geladen) kruisboog op deze politieambtenaar te richten en gericht te houden. Voluit luidt de tenlastelegging aan verdachte, dat: 1. hij op of omstreeks 17 september 2021 te Almelo, [slachtoffer 1] opzettelijk en met voorbedachten rade van het leven heeft beroofd, door die [slachtoffer 1] meermalen (met kracht) met een mes, althans een scherp/puntig voorwerp, (diep) in de borst en/of de arm(

  1. en)en/of de schouder(
  2. s)en/of de hals en/of de knie(ën) en/of de benen en/althans in het lichaam te steken en/of te snijden; subsidiair althans, indien het vorenstaande onder 1 niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden: hij op of omstreeks 17 september 2021 te Almelo, [slachtoffer 1] opzettelijk van het leven heeft beroofd, door die [slachtoffer 1] meermalen (met kracht) met een mes, althans een scherp/puntig voorwerp, (diep) in de borst en/of de arm(
  3. en)en/of de schouder(
  4. s)en/of de hals en/of de knie(ën) en/of de benen en/althans in het lichaam te steken en/of te snijden; 2. hij op of omstreeks 17 september 2021 te Almelo, [slachtoffer 2] opzettelijk en met voorbedachten rade van het leven heeft beroofd, door die [slachtoffer 2] meermalen (met kracht) met een mes, althans een scherp/puntig voorwerp, (diep) in het hoofd en/of de hals en/of de nek en/of de rug en/of de borst en/of de buik en/of de arm(
  5. en)en/althans in het bovenlichaam te steken en/of te snijden; subsidiair althans, indien het vorenstaande onder 2 niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden: hij op of omstreeks 17 september 2021 te Almelo, [slachtoffer 2] opzettelijk van het leven heeft beroofd, door die [slachtoffer 2] meermalen (met kracht) met een mes, althans een scherp/puntig voorwerp, (diep) in het hoofd en/of de hals en/of de nek en/of de rug en/of de borst en/of de buik en/of de arm(
  6. en)en/althans in het bovenlichaam te steken en/of te snijden; 3. hij op of omstreeks 17 september 2021 te Almelo, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk en (al dan niet) met voorbedachten rade [slachtoffer 3] van het leven te beroven, opzettelijk een (geladen) kruisboog heeft aangelegd om op die [slachtoffer 3] te schieten en/of die (geladen) kruisboog op die [slachtoffer 3] heeft gericht (gehouden) en/of met die kruisboog (gericht) een of meer pijlen (met aluminium punt) in de richting van het lichaam van die [slachtoffer 3] heeft geschoten, toen/terwijl/nadat de handelingen genoemd onder de feiten 1 en/of 2 werden verricht en/of die [slachtoffer 3] zich van het balkon van de woning van mevrouw [slachtoffer 1] had laten vallen, teneinde te vluchten voor het geweld zoals onder de feiten 1 en/of 2 tenlastegelegd en/althans op de grond was gevallen en/of gewond op de grond lag, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid; subsidiair althans, indien het vorenstaande onder 3 niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden: hij op of omstreeks 17 september 2021 te Almelo, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk en (al dan niet) met voorbedachten rade aan [slachtoffer 3] zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, opzettelijk een (geladen) kruisboog heeft aangelegd om op die [slachtoffer 3] te schieten en/of die (geladen) kruisboog op die [slachtoffer 3] heeft gericht (gehouden) en/of met die kruisboog (gericht) een of meer pijlen (met een aluminium punt) in de richting van het lichaam van die [slachtoffer 3] heeft geschoten, toen/terwijl/nadat de handelingen genoemd onder de feiten 1 en/of 2 werden verricht en/of die [slachtoffer 3] zich van het balkon van de woning van mevrouw [slachtoffer 1] had laten vallen, teneinde te vluchten voor het geweld zoals onder de feiten 1 en/of 2 tenlastegelegd en/althans op de grond was gevallen en/of gewond op de grond lag, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid; althans meer subsidiair: hij op of omstreeks 17 september 2021 te Almelo, [slachtoffer 3] heeft bedreigd met enig misdrijf waardoor gevaar voor de algemene veiligheid van personen of goederen of gemeen gevaar voor de verlening van diensten ontstaat en/of met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door een (geladen) kruisboog aan te leggen om op die [slachtoffer 3] te schieten en/of die (geladen) kruisboog op die [slachtoffer 3] te richten en/of gericht te houden en/of met die kruisboog (gericht) een of meer pijlen (met een aluminium punt) in de richting van het lichaam van die [slachtoffer 3] te schieten, toen/terwijl/nadat de handelingen genoemd onder de feiten 1 en/of 2 werden verricht en/of die [slachtoffer 3] zich van het balkon van de woning van mevrouw [slachtoffer 1] had laten vallen, teneinde te vluchten voor het geweld zoals onder de feiten 1 en/of 2 tenlastegelegd en/althans op de grond was gevallen en/of gewond op de grond lag; 4. hij op of omstreeks 17 september 2021 te Almelo, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk en (al dan niet) met voorbedachten rade een politieambtenaar, te weten [slachtoffer 4] , van het leven te beroven, opzettelijk een (geladen) kruisboog heeft aangelegd om op die [slachtoffer 4] te schieten en/of die (geladen) kruisboog op die [slachtoffer 4] heeft gericht (gehouden) en/of met die kruisboog (gericht) een of meer pijlen (met een aluminium punt) in de richting van het hoofd, althans het lichaam van die [slachtoffer 4] heeft geschoten, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid; subsidiair althans, indien het vorenstaande onder 4 niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden: hij op of omstreeks 17 september 2021 te Almelo, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk en (al dan niet) met voorbedachten rade aan een politieambtenaar, te weten [slachtoffer 4] zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, opzettelijk een (geladen) kruisboog heeft aangelegd om op die [slachtoffer 4] te schieten en/of die (geladen) kruisboog op die [slachtoffer 4] heeft gericht (gehouden) en/of met die kruisboog (gericht) een of meer pijlen (met een aluminium punt) in de richting van het hoofd, althans het lichaam van die [slachtoffer 4] heeft geschoten, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid; althans meer subsidiair: hij op of omstreeks 17 september 2021 te Almelo, een politieambtenaar, te weten [slachtoffer 4] , heeft bedreigd met enig misdrijf waardoor gevaar voor de algemene veiligheid van personen of goederen of gemeen gevaar voor de verlening van diensten ontstaat en/of met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door een (geladen) kruisboog aan te leggen om op die [slachtoffer 4] te schieten en/of die (geladen) kruisboog op die [slachtoffer 4] te richten en/of gericht te houden en/of met die kruisboog (gericht) een of meer pijlen (met een aluminium punt) in de richting van het hoofd, althans het lichaam van de [slachtoffer 4] te schieten; 5. hij op of omstreeks 17 september 2021 te Almelo, een politieambtenaar, te weten [slachtoffer 5] (lid van de Dienst Speciale Interventies en/of het Aanhoudings- en Ondersteuningsteam Noordoost-Nederland) heeft bedreigd met enig misdrijf waardoor gevaar voor de algemene veiligheid van personen of goederen of gemeen gevaar voor de verlening van diensten ontstaat en/of met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door een (geladen) kruisboog aan te leggen om op [slachtoffer 5] te schieten en/of die (geladen) kruisboog op die [slachtoffer 5] te richten en/of gericht te houden. 3De voorvragen De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van deze zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging. 4De bewijsmotivering Dit hoofdstuk bevat het oordeel van de rechtbank over de vraag of het ten laste gelegde bewezen kan worden verklaard. 4.1 Inleiding Op 17 september 2021 werd Almelo opgeschrikt door buitengewoon heftige gebeurtenissen die zich in een flat aan de M. Th. Steynstraat hadden afgespeeld. Het was het startpunt van een grootschalig (politie)onderzoek. In de media kwam de zaak bekend te staan als de Kruisboogzaak. Deze naam is te danken aan de beelden van een half ontblote man die op het balkon van de woning aan [adres 1] verscheen met een grote kruisboog in zijn handen. Deze man zou de kruisboog op omstanders en hulpdiensten hebben gericht en ook daadwerkelijk pijlen in hun richting hebben afgeschoten. De naam doet echter geen recht aan wat zich – voordat de man op het balkon verscheen – in de woning aan de [adres 2] had afgespeeld. In die woning werden de levenloze lichamen van twee vrouwen aangetroffen die vermoedelijk door steek- en/of snijletsels om het leven waren gekomen. Het gaat om mevrouw [slachtoffer 1] en haar nichtje mevrouw [slachtoffer 2] . Een andere vrouw die in de woning aan de [adres 2] aanwezig was, is mevrouw [slachtoffer 3] . Zij kon de gewelddadigheden die zich in de woning afspeelden ontvluchten, door over de balkonrand te klimmen, waarna zij op enig moment naar beneden is gevallen. Mevrouw [slachtoffer 3] is verpleegkundige van beroep en was in de woning aanwezig om een infuus aan te leggen bij mevrouw [slachtoffer 1] . Andere betrokkenen in het onderzoek zijn verbalisant [slachtoffer 4] en een lid van de Dienst Speciale Interventies (DSI), dat staat geregistreerd als [slachtoffer 5] . Het was (onder meer) aan deze verbalisanten om de ernstige gewelddadigheden te stoppen en meer leed te voorkomen. Dat is uiteindelijk door [slachtoffer 5] gerealiseerd, door de verdachte neer te schieten. Daarna is de verdachte – genaamd [verdachte] – met een schotwond naar het ziekenhuis afgevoerd. In het ziekenhuis is de verdachte geopereerd en een aantal weken in coma gehouden. Het (politie)onderzoek heeft geresulteerd in de onderhavige ten laste gelegde feiten en het instellen van vervolging tegen verdachte [verdachte] door het Openbaar Ministerie. 4.2 Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft overeenkomstig een door hem overgelegd schriftelijk requisitoir gerekwireerd tot bewezenverklaring van wat onder 1 primair, onder 2 primair, onder 3 primair, onder 4 primair en onder 5 is ten laste gelegd. De officier van justitie heeft zich – meer concreet – op het standpunt gesteld dat tot een bewezenverklaring van twee keer moord, twee keer poging tot moord en één keer bedreiging kan worden gekomen. 4.3 Het standpunt van de verdediging De raadslieden hebben overeenkomstig een door hen overgelegde pleitnota aangevoerd dat een bewezenverklaring kan volgen voor wat onder 1 subsidiair, onder 2 subsidiair, onder 3 meer subsidiair, onder 4 meer subsidiair en onder 5 is ten laste gelegd en dat verdachte van het overige dient te worden vrijgesproken. De raadslieden hebben zich – meer concreet – op het standpunt gesteld dat een bewezenverklaring kan volgen voor twee keer doodslag en drie keer bedreiging. 4.4 Het oordeel van de rechtbank 4.4.1 Feit 1 t/m 4 4.4.1.1 De feiten en omstandigheden De rechtbank stelt op grond van de inhoud van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting de volgende feiten en omstandigheden vast. - in de woning aan de [adres 2] In de ochtend van 17 september 2021 waren mevrouw [slachtoffer 1] , mevrouw [slachtoffer 2] en mevrouw [slachtoffer 3] in de woning aan de [adres 2] in Almelo. Plotseling werd er hard op de voordeur gebonkt. Daarop heeft mevrouw [slachtoffer 2] de voordeur geopend en ook meteen weer gesloten en op slot gedaan. Er werd vanaf de buitenzijde met een mes op de deur ingestoken: verspreid over de voordeur en in losse stukken plaatwerk bij de voordeur zaten scherprandige perforaties, waarvan het beeld past bij een scenario waarbij er minimaal zestien keer in de buitenzijde van de voordeur is gestoken en waarbij drie steken met het mes dwars door de deur zijn gegaan en het mes aan de binnenzijde weer uit de deur is gekomen. Daarbij was te horen dat een man aan het schreeuwen was. De voordeur is uiteindelijk met bruut geweld opengebroken: er zat een gat in de deur en er is braakschade geconstateerd aan het slot en de twee knippen aan de binnenzijde van de voordeur, net als aan de sluitkom van het deurslot en de twee haken van de deurknippen aan de binnenzijde van het deurkozijn. Ondertussen was mevrouw [slachtoffer 3] met een mobiele telefoon naar het balkon gelopen om alarm te slaan. Eenmaal in de woning heeft de man zich naar de woonkamer begeven en heeft hij mevrouw [slachtoffer 1] – die op de bank zat – diverse keren met een steekvoorwerp gestoken. In de woonkamer is ook mevrouw [slachtoffer 2] voor de eerste keer verwond, maar zij wist naar de slaapkamer te vluchten. Daarop is de man achter haar aan gegaan en probeerde hij de slaapkamer binnen te komen, terwijl mevrouw [slachtoffer 2] de deur probeerde dicht te houden. Toen het haar niet langer lukte om de deur gesloten te houden, is zij verder de slaapkamer in gegaan in een poging om aan de man te ontkomen. Het is mevrouw [slachtoffer 2] echter niet gelukt om te vluchten. Zij is nogmaals gestoken. In de hal van de woning – waar zij uiteindelijk in een plas bloed is aangetroffen – heeft mevrouw [slachtoffer 2] het meeste en fatale letsel opgelopen. Het is mevrouw [slachtoffer 3] wel gelukt om te ontkomen aan het geweld. Toen zij op het balkon stond te bellen met de politie, is zij uit angst voor wat haar mogelijk te wachten stond over de rand van het balkon geklommen, waarna zij op enig moment naar beneden is gevallen. De levenloze lichamen van mevrouw [slachtoffer 1] en mevrouw [slachtoffer 2] zijn op de bank en in de hal van de woning aan de [adres 2] aangetroffen en aan een onderzoek onderworpen. Er is geconstateerd dat er in beide gevallen sprake was van een niet natuurlijke dood. In het schouwverslag van mevrouw [slachtoffer 1] staat beschreven dat bij haar snij- en/of steekletsels in de hals, de borst, een schouder, de armen en een knie zijn aangetroffen. Tijdens het pathologisch onderzoek zijn aan het lichaam in totaal negen steekletsels en drie snij- of krasletsels door respectievelijk (bij leven opgetreden) perforerende en snijdende tot krassende krachtinwerking met één of meerdere scherprandige voorwerpen (zoals een mes) aangetroffen. Daarvan hebben drie steekletsels beschadigingen aan vitale structuren, zoals essentiële organen of grote bloedvaten, veroorzaakt. Aan de rechterbovenarm en -schouder had mevrouw [slachtoffer 1] steekletsels met onder meer perforatie van de rechterborstholte, de rechterlong en de lichaamsslagader. Daarnaast had mevrouw [slachtoffer 1] aan de borst voorwaarts een steekletsel met perforatie van de linkerborstholte (zonder letsel van de long) en aan de borst links voorwaarts een steekletsel met perforatie van de linkerondersleutelbeenader, de linkerborstholte, de linkerlong en een longslagader. De forensisch patholoog komt – op basis van voornoemde steekletsels – tot de conclusie dat het overlijden van mevrouw [slachtoffer 1] zonder meer wordt verklaard als gevolg van ernstig bloedverlies en te verwachten hartpomp-, ademhalings- en longfunctiestoornissen. Bij de overige steekletsels en snij- en krasletsels zijn geen vitale structuren geraakt. Deze letsels hebben het overlijden dus niet veroorzaakt, maar kunnen middels bloedverlies wel hebben bijgedragen aan de snelheid van het overlijden. De (betrouwbaar te beoordelen) steekletsels toonden één spits en één stomp wonduiteinde, wat past bij steken met een éénzijdig scherprandig voorwerp. In het schouwverslag van mevrouw [slachtoffer 2] staat beschreven dat bij haar snij- en/of steekletsels in het hoofd, de hals, de rug, de borst, de buik en een arm zijn aangetroffen. Tijdens het pathologisch onderzoek zijn aan het lichaam zeventien steekletsels en vijf snij- en krasletsels door respectievelijk (bij leven opgetreden) perforerende en snijdende tot krassende krachtinwerking met één of meerdere scherprandige voorwerpen (zoals een mes) geconstateerd. Daarvan hebben acht steekletsels beschadigingen aan vitale structuren, zoals essentiële organen of grote bloedvaten, veroorzaakt. Aan de hals had mevrouw [slachtoffer 2] een steekletsel met (hoogstens) beperkte beschadiging van het ruggenmerg. Aan de rug had mevrouw [slachtoffer 2] een steekletsel met perforatie van de linkerborstholte en de linkerlong. Mevrouw [slachtoffer 2] had voorts aan de borst steekletsels met perforatie van het hart (enkelvoudig), de rechterborstholte (enkelvoudig), de linkerborstholte (drievoudig), de linkerlong (enkelvoudig), het middenrif (meervoudig), de buikholte (met maagperforaties), de lever (enkelvoudig) en de onderste holle ader (enkelvoudig). Mevrouw [slachtoffer 2] had verder twee steekletsels aan de buik met perforatie van de lever en de linkerbekkenader. De forensisch patholoog komt – op basis van voornoemde steekletsels – tot de conclusie dat het overlijden van mevrouw [slachtoffer 2] zonder meer wordt verklaard als gevolg van ernstig bloedverlies en te verwachten hartpomp-, ademhalings- en longfunctiestoornissen. Bij de overige steekletsels en snij- en krasletsels zijn geen vitale structuren geraakt. Deze letsels hebben het overlijden dus niet veroorzaakt, maar kunnen middels bloedverlies wel hebben bijgedragen aan de snelheid van het overlijden. De (betrouwbaar te beoordelen) steekletsels toonden één spits en één stomp wonduiteinde, wat past bij steken met een éénzijdig scherprandig voorwerp. In de woning van verdachte aan [adres 1] is in de keuken op de wasmachine een (dolk)mes aangetroffen, dat aan één zijde was voorzien van een snijkant en aan de andere zijde van een zaagvertanding. Dit mes is door de politie in beslag genomen. Ter terechtzitting van 18 november 2022 heeft verdachte verklaard dat dit mes zijn eigendom is. Er heeft een vergelijking plaatsgevonden tussen dit (dolk)mes en de steekletsels van mevrouw [slachtoffer 1] en mevrouw [slachtoffer 2] . Gelet op de kenmerken van de steekletsels (één spits en één stomp wonduiteinde) en de karakteristieken van het mes (één scherpe rand en één stompe deels gekartelde rand met een flessenopener ter hoogte van de basis) komt het in beslag genomen mes in aanmerking als veroorzakend voorwerp; het is waarschijnlijker dat de letsels met dit mes zijn toegebracht dan met een ander mes. In het kader van dit vergelijkend onderzoek is voorts gekeken of de beschadigingen aan het bot en kraakbeen van mevrouw [slachtoffer 1] en mevrouw [slachtoffer 2] door het in beslag genomen mes zijn veroorzaakt en of materiaal van dit mes was terug te vinden in dat bot en kraakbeen. Daarbij is geconstateerd dat de snijlijnen in de beschadigingen overeenkomen met de snijlijnen in de proefsporen die met genoemd mes zijn gemaakt. Er is ook geconstateerd dat er overeenkomsten bestaan tussen het materiaal van het mes en de daarop gevonden verf en het materiaal dat in de botdelen van mevrouw [slachtoffer 1] en mevrouw [slachtoffer 2] is aangetroffen. Daarmee is het ook waarschijnlijker dat de beschadigingen aan het bot en kraakbeen van mevrouw [slachtoffer 1] en mevrouw [slachtoffer 2] zijn toegebracht met het onderzochte mes dan door een ander mes. Op de voorzijde van het lemmet is aan weerszijden een op verf gelijkend materiaal gevonden, waarin de verbalisanten een enigszins zalmroze kleur en een witte/crème kleur hebben waargenomen. Er heeft daarom ook een vergelijking plaatsgevonden tussen het materiaal dat op het in beslag genomen mes is aangetroffen en het monster van de voordeur van de woning aan de [adres 2] . Het is waarschijnlijker dat de verf op het onderzochte mes afkomstig is van de voordeur van de woning aan de [adres 2] dan van een ander voorwerp. Op het in beslag genomen mes is DNA-materiaal van mevrouw [slachtoffer 1] en van mevrouw [slachtoffer 2] aangetroffen. Er is ook DNA-materiaal van mevrouw [slachtoffer 1] en mevrouw [slachtoffer 2] aangetroffen onder de nagels van verdachte, en onder de nagels van mevrouw [slachtoffer 2] is DNA-materiaal van verdachte aangetroffen. Er zijn verder bloedsporen aangetroffen op de sokken die verdachte op 17 september 2021 tijdens zijn aanhouding en in het ziekenhuis droeg. De bemonsteringen van de bloedsporen op één van die sokken bevatten DNA-materiaal van mevrouw [slachtoffer 1] en mevrouw [slachtoffer 2] . - op de balkons aan [adres 1] Toen de eerste twee verbalisanten ter plaatse kwamen, zagen zij mevrouw [slachtoffer 3] aan het balkon van de woning aan de [adres 2] hangen. Zij hoorden vanuit de flat geschreeuw komen, evenals gegil dat omschreven werd als doodskreten. Op het moment dat de verbalisanten in het trappenhuis van de flat waren, hoorden zij buiten een doffe bonk. Buiten gekomen zagen zij dat mevrouw [slachtoffer 3] op de grond lag. Door de val heeft mevrouw [slachtoffer 3] letsel opgelopen, te weten een op meerdere plaatsen gebroken pols, een kleine klaplong, een jukbeenbreuk, een oogkasbreuk, een breuk in de bovenkaak en een hersenschudding. Voornoemde verbalisanten zijn vervolgens opnieuw de portiek van de flat binnen gegaan. Deze keer vergezeld van inmiddels ter plaatse gekomen collega’s. Er was nog steeds geschreeuw en gegil te horen. Terwijl de verbalisanten de trappen op liepen, werd door hen geroepen: “Politie!”. Daarop schreeuwde een mannenstem: “Jullie doen wat ik zeg! Ik bepaal”. In de flat werd het vervolgens ineens stil. De mannenstem werd herkend als zijnde de stem van verdachte [verdachte] . Enige tijd later verscheen een man met ontbloot bovenlijf op het balkon aan de voorzijde van de woning aan [adres 1] . Het betrof inderdaad verdachte [verdachte] . Verdachte verscheen vervolgens afwisselend op het balkon aan de voorzijde en het balkon aan de achterzijde van zijn woning en bleef soms ook enige tijd binnen. Op enig moment verscheen verdachte met een kruisboog aan de voorzijde van zijn woning op het balkon. Onder zijn balkon lag mevrouw [slachtoffer 3] nog steeds op de grond, terwijl zij door ambulancemedewerkers werd verpleegd. De verpleegkundigen moesten omwille van hun veiligheid dekking zoeken, waardoor mevrouw [slachtoffer 3] alleen kwam te liggen. Verdachte legde de kruisboog over de reling van het balkon en wees daarbij met die kruisboog naar beneden in de richting van mevrouw [slachtoffer 3] , terwijl hij over de kruisboog heen keek in dezelfde richting. De kruisboog werd vervolgens door verdachte teruggehaald om een handeling aan de kruisboog te verrichten. Daarna wees verdachte weer met de kruisboog in de richting van mevrouw [slachtoffer 3] en schoot een pijl af die terechtkwam op de deken waar mevrouw [slachtoffer 3] op dat moment onder lag. Mevrouw [slachtoffer 3] maakte een beweging omhoog en er was een pijnkreet te horen. De pijl heeft haar niet (direct) geraakt. Mevrouw [slachtoffer 3] heeft zichzelf vervolgens in veiligheid kunnen brengen. Nadat verdachte op mevrouw [slachtoffer 3] had geschoten vanaf het balkon aan de voorzijde van zijn woning, verscheen hij weer op het balkon aan de achterzijde van zijn woning. Daar stond onder andere verbalisant [slachtoffer 4] opgesteld, dekking zoekend achter een voertuig. Verdachte richtte zijn kruisboog opnieuw op omstanders, wat voor verbalisant [slachtoffer 4] reden was om een waarschuwingsschot te lossen. Daarop heeft verdachte de kruisboog in de richting van verbalisant [slachtoffer 4] gedraaid, die zich naar aanleiding daarvan geheel achter het voertuig verschool. Meteen daarna hoorde verbalisant [slachtoffer 4] een geluid dat kan worden omschreven als het ontspannen van een boog. Nagenoeg op hetzelfde moment zag verbalisant [slachtoffer 4] een flits boven zijn hoofd. Kort daarna hoorde verbalisant [slachtoffer 4] een tik achter zich, gevolgd door meerdere kortere tikken. Later heeft verbalisant [slachtoffer 4] gezien dat er inderdaad een pijl op de Rembrandtlaan terecht is gekomen. De plaats waar verdachte over het balkon heeft gehangen, de plaats waar verbalisant [slachtoffer 4] heeft gestaan en de locatie waar de pijl is aangetroffen, lagen in één lijn. Tijdens het forensisch onderzoek is een pijl zonder punt en een pijlpunt aangetroffen naast de oranje deken waar mevrouw [slachtoffer 3] onder had gelegen. In de tegel was een krater geslagen door de kracht waarmee de pijl op de grond was geland. De afstand tussen de pijl en het balkon vanaf waar verdachte heeft geschoten, betreft 8,83 tot 9,40 meter. De afstand tussen de losse pijlpunt en het balkon vanaf waar verdachte heeft geschoten, betreft 8,42 tot 9,62 meter. Tijdens het forensisch onderzoek is een soortgelijke pijl aangetroffen op de Rembrandtlaan, zijnde de pijl die reeds door verbalisant [slachtoffer 4] was waargenomen. Ook de pijlpunt van deze pijl ontbrak. Uit het dossier kan niet afgeleid worden dat deze pijlpunt is aangetroffen. De afstand tussen de pijl en het balkon vanaf waar verdachte heeft geschoten, betreft 61,83 tot 62,70 meter. De afstand tussen het balkon vanaf waar verdachte heeft geschoten en de plaats waar verbalisant [slachtoffer 4] heeft gestaan, betreft – naar schatting van verbalisant [slachtoffer 4] – 30 meter. Er heeft ballistisch onderzoek plaatsgevonden naar de kruisboog van verdachte en pijlen die soortgelijk zijn aan de pijlen die door verdachte zijn gebruikt. Tijdens dit onderzoek is het doelmateriaal op 63 meter afstand van de schutter gehangen en hebben alle (horizontaal) afgevuurde pijlen het doelmateriaal geraakt, waarbij het doelmateriaal tevens steeds door de pijl werd doordrongen. De conclusie van het onderzoek luidt dat een pijl verschoten met de onderzochte kruisboog op alle in de vraagstelling genoemde afstanden dodelijk letsel kan veroorzaken. 4.4.1.2 Het oordeel van de rechtbank Naar het oordeel van de rechtbank kan op grond van het vorenstaande worden vastgesteld dat verdachte degene is geweest die mevrouw [slachtoffer 1] en mevrouw [slachtoffer 2] van het leven heeft beroofd. De rechtbank is voorts van oordeel dat op grond van het vorenstaande kan worden vastgesteld dat verdachte vanaf zijn balkon met een kruisboog op mevrouw [slachtoffer 3] en op verbalisant [slachtoffer 4] heeft geschoten. - opzet op de dood Om te komen tot een bewezenverklaring van (poging tot) moord dan wel (poging tot) doodslag dient sprake te zijn van opzet op de dood van het slachtoffer. De rechtbank ziet zich dus allereerst voor de vraag gesteld of verdachte opzet heeft gehad op de dood van de hierboven genoemde personen. De rechtbank stelt voorop dat naar vaste rechtspraak bepaalde handelingen naar hun uiterlijke verschijningsvorm kunnen worden aangemerkt als zozeer te zijn gericht op een bepaald gevolg, dat het niet anders kan dan dat degene die de handelingen heeft verricht daarop opzet heeft gehad. Ten aanzien van feit 1 en feit 2 overweegt de rechtbank het volgende. Er is onderzoek verricht aan het stoffelijk overschot van mevrouw [slachtoffer 1] door drs. D.J. Rijken, forensisch patholoog en forensisch arts, en drs. I.H.R. Hundscheid, klinisch patholoog in opleiding tot forensisch patholoog, beiden verbonden aan het Nederlands Forensisch Instituut (NFI). Daaruit kan worden afgeleid dat bij drie van de negen steekletsels vitale structuren zijn beschadigd. Het overlijden van mevrouw [slachtoffer 1] wordt door de gevolgen van deze drie steekletsels – die zich ter hoogte van de romp bevinden – verklaard, terwijl de overige letsels door bloedverlies aan de snelheid van overlijden kunnen hebben bijgedragen. De letsels waren bovendien zo ernstig dat het overlijden vermoedelijk binnen meerdere minuten heeft plaatsgevonden. Er is door drs. Rijken en drs. Hundscheid ook onderzoek verricht aan het stoffelijk overschot van mevrouw [slachtoffer 2] . Daaruit kan worden afgeleid dat bij acht van de zeventien steekletsels vitale structuren zijn beschadigd. Het overlijden van mevrouw [slachtoffer 2] wordt door de gevolgen van deze acht steekletsels – die zich ter hoogte van de hals en de romp bevinden – verklaard, terwijl de overige letsels door bloedverlies aan de snelheid van overlijden kunnen hebben bijgedragen. De letsels waren bovendien zo ernstig dat het overlijden vermoedelijk binnen enkele minuten heeft plaatsgevonden. De rechtbank overweegt dat het meermalen steken met een mes in de hals en/of borststreek en/of rug en/of buik een groot risico met zich brengt dat iemand als gevolg daarvan om het leven komt, vanwege de vitale organen en slagaders die zich in dat/die gebied(
  7. en)bevinden. Dit handelen van verdachte kan – naar het oordeel van de rechtbank – naar zijn uiterlijke verschijningsvorm worden aangemerkt als zozeer te zijn gericht op de dood, dat het niet anders kan dan dat verdachte met zijn handelen vol opzet op de dood van mevrouw [slachtoffer 1] en mevrouw [slachtoffer 2] heeft gehad. Ten aanzien van feit 3 en feit 4 overweegt de rechtbank het volgende. De raadslieden hebben zich op het standpunt gesteld dat verdachte geen opzet heeft gehad op de dood van mevrouw [slachtoffer 3] en verbalisant [slachtoffer 4] . Daartoe hebben zij aangevoerd dat de kruisboog verkeerd stond afgesteld, dat de afstand tussen verbalisant [slachtoffer 4] en de afgeschoten pijl te groot was om te kunnen spreken van een serieuze poging om hem te raken, en dat het onduidelijk is of mevrouw [slachtoffer 3] nog op de grond lag toen er werd geschoten. De rechtbank overweegt dat ballistisch onderzoek aan de kruisboog heeft aangetoond dat een pijl verschoten met de kruisboog dodelijk letsel kan veroorzaken op alle gevraagde afstanden tussen de 8 en 63 meter. Desondanks heeft verdachte met dit wapen op mevrouw [slachtoffer 3] en verbalisant [slachtoffer 4] geschoten. Op het moment dat verdachte met zijn kruisboog in de richting van mevrouw [slachtoffer 3] wees en daadwerkelijk op haar richtte, lag mevrouw [slachtoffer 3] – zo kan uit het dossier worden afgeleid – gewond en onbeschermd op de grond onder het balkon aan de voorzijde van de woning van verdachte. De afgeschoten pijl is vlak naast haar terechtgekomen. Daarna heeft verdachte ook met de kruisboog op verbalisant [slachtoffer 4] gericht en geschoten. Verbalisant [slachtoffer 4] heeft verklaard dat hij ongeveer 30 meter van verdachte was verwijderd, dat hij een flits boven zijn hoofd zag en kort daarna een ‘tik’ en enkele korte tikken achter elkaar en achter zich hoorde. Later wordt op die locatie op de Rembrandtlaan een pijl aangetroffen. De plaats waar verdachte over het balkon heeft gehangen, de plaats waar verbalisant [slachtoffer 4] heeft gestaan en de locatie waar de pijl is aangetroffen, lagen in één lijn. De rechtbank heeft geen reden om aan de verklaring van verbalisant [slachtoffer 4] te twijfelen en leidt uit die verklaring en het aantreffen van de pijl af, dat deze over het hoofd van verbalisant [slachtoffer 4] is gegaan en verbalisant [slachtoffer 4] dodelijk had kunnen raken. Het beschreven handelen van verdachte kan – naar het oordeel van de rechtbank – naar zijn uiterlijke verschijningsvorm worden aangemerkt als zozeer te zijn gericht op de dood, dat het niet anders kan dan dat verdachte met zijn handelen vol opzet op de dood van mevrouw [slachtoffer 3] en verbalisant [slachtoffer 4] heeft gehad. - voorbedachte raad Voor een bewezenverklaring van (poging tot) moord moet tevens het bestanddeel ‘voorbedachte raad’ wettig en overtuigend worden bewezen, zodat de rechtbank zich vervolgens voor de vraag gesteld ziet of sprake is van voorbedachte raad. - voorbedachte raad: juridisch kader Voor een bewezenverklaring van het bestanddeel ‘voorbedachte raad’ moet komen vast te staan dat de verdachte zich gedurende enige tijd heeft kunnen beraden op het te nemen of het genomen besluit en dat hij niet heeft gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling, zodat hij de gelegenheid heeft gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven. Bij de vraag of sprake is van voorbedachte raad gaat het bij uitstek om een weging en waardering van de omstandigheden van het concrete geval door de rechter, waarbij deze het gewicht moet bepalen van de aanwijzingen die voor of tegen het bewezen verklaren van voorbedachte raad pleiten. De vaststelling dat de verdachte voldoende tijd had om zich te beraden op het te nemen of het genomen besluit vormt weliswaar een belangrijke objectieve aanwijzing dat met voorbedachten rade is gehandeld, maar behoeft de rechter niet ervan te weerhouden aan contra-indicaties een zwaarder gewicht toe te kennen. Daarbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan de omstandigheid dat de besluitvorming en uitvoering in plotselinge hevige drift plaatsvinden, dat slechts sprake is van een korte tijdspanne tussen besluit en uitvoering of dat de gelegenheid tot beraad eerst tijdens de uitvoering van het besluit ontstaat. Zo kunnen bepaalde omstandigheden (of een samenstel daarvan) de rechter uiteindelijk tot het oordeel brengen dat de verdachte in het gegeven geval niet met voorbedachte raad heeft gehandeld. Mede met het oog op het strafverzwarende gevolg dat dit bestanddeel heeft, moeten aan de vaststelling dat de voor voorbedachte raad vereiste gelegenheid heeft bestaan, bepaaldelijk eisen worden gesteld en moet de rechter, in het bijzonder indien de voorbedachte raad niet rechtstreeks uit de bewijsmiddelen volgt, daaraan in zijn motivering van de bewezenverklaring nadere aandacht geven. De achtergrond van het vereiste dat de verdachte de gelegenheid heeft gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven, is dat ingeval vaststaat dat de verdachte die gelegenheid heeft gehad, het redelijk is aan te nemen dat de verdachte gebruik heeft gemaakt van die gelegenheid en dus daadwerkelijk heeft nagedacht over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap heeft gegeven. Dat de verdachte daadwerkelijk heeft nagedacht en zich rekenschap heeft gegeven, leent zich immers moeilijk voor strafrechtelijk bewijs, zeker in het geval dat de verklaringen van de verdachte en/of eventuele getuigen geen inzicht geven in hetgeen voor en ten tijde van het begaan van het feit in de verdachte is omgegaan. Of in een dergelijk geval voorbedachte raad bewezen kan worden, hangt dan sterk af van de hierboven bedoelde gelegenheid en van de overige feitelijke omstandigheden van het geval zoals de aard van het feit, de omstandigheden waaronder het is begaan alsmede de gedragingen van de verdachte voor en tijdens het begaan van het feit. Daarbij verdient opmerking dat de enkele omstandigheid dat niet is komen vast te staan dat is gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling, niet toereikend is om daaraan de gevolgtrekking te verbinden dat sprake is van voorbedachte raad. De Hoge Raad neemt als uitgangspunt dat de eventuele omstandigheid dat de keuzevrijheid van een persoon ten tijde van het plegen van bepaalde feiten zodanig was aangetast dat dit handelen niet aan die persoon kan worden toegerekend, niet uitsluit dat sprake is van voorbedachte raad. Niettemin kan – gelet op het voorgaande – de vraag worden opgeworpen of de aanwezigheid van een eventuele stoornis in voorkomende gevallen een contra-indicatie oplevert. Immers, de geestelijke gesteldheid van de verdachte, de door hem verrichte gedragingen en de omstandigheden waarin de verdachte deze gedragingen uitvoert, kunnen zodanig van aard zijn dat hij niet daadwerkelijk de gelegenheid heeft om tijdens de uitvoering na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn daad. Toegespitst op deze zaak overweegt de rechtbank het volgende. - voorbedachte raad: was er sprake van een plan? De rechtbank overweegt dat het dossier wellicht aanwijzingen bevat die zo kunnen worden uitgelegd dat verdachte bezig was met de uitvoering van een plan. Naar het oordeel van de rechtbank zijn deze aanwijzingen echter zowel afzonderlijk als in samenhang bezien niet van dien aard dat kan worden gesproken van een concreet plan om mevrouw [slachtoffer 1] , mevrouw [slachtoffer 2] , mevrouw [slachtoffer 3] en verbalisant [slachtoffer 4] van het leven te beroven. In de woning van verdachte zijn meerdere wapens aangetroffen, waaronder het mes en de kruisboog die door verdachte bij de uitvoering van het ten laste gelegde zijn gebruikt. Deze wapens waren echter al langere tijd in het bezit van verdachte en al die tijd heeft verdachte deze niet gebruikt tegen anderen. Er zijn ook geen (andere) aanwijzingen dat verdachte de wapens heeft aangeschaft met het doel om deze bij de uitvoering van het ten laste gelegde handelen te gebruiken. Verdachte is een keer eerder in de woning aan de [adres 2] geweest. Hierover heeft verdachte verklaard dat hij zijn sleutels was vergeten en via het balkon van zijn onderbuurvrouw, mevrouw [slachtoffer 1] , naar het balkon van zijn eigen woning is geklommen, om langs die weg zijn woning binnen te kunnen komen. Hij kan zich niet herinneren wanneer dit precies heeft plaatsgevonden, maar het was rond de tijd dat verdachte aan [adres 1] ging wonen. Aan de hand van de stukken in het dossier kan worden vastgesteld dat verdachte in augustus 2020 naar [adres 1] is verhuisd. Dat zou betekenen dat verdachte ongeveer een jaar voor het ten laste gelegde in de woning aan de [adres 2] is geweest. Een aanleiding om te vermoeden dat zijn kortdurende aanwezigheid in de woning van mevrouw [slachtoffer 1] onderdeel zou uitmaken van een plan om het ten laste gelegde te plegen, ontbreekt. Daar komt bij dat er geen aanwijzingen zijn dat verdachte het op mevrouw [slachtoffer 1] (en mevrouw [slachtoffer 2] ) had gemunt; een motief ontbreekt. Tot slot zijn in de mobiele telefoon en op een laptop van verdachte documenten en zoekslagen gevonden die blijk geven van een interesse voor geweld. In de woning van verdachte lagen verder notitieblokken met onder meer gewelddadige teksten. Ten aanzien van de documenten dient te worden opgemerkt dat deze oud waren en dat de laptop waarop deze documenten zijn aangetroffen in het geheel niet is gebruikt na 21 januari 2014. De teksten in de telefoon en notitieblokken zijn deels gewelddadig, onsamenhangend en warrig. Nog los van het feit dat het voor zich spreekt dat uit de enkele interesse voor geweld en het opschrijven van gewelddadige teksten niet (zonder meer) kan worden afgeleid dat verdachte van plan was om daadwerkelijk geweld te gaan gebruiken, kan uit het voorgaande ook geen concreet en duidelijk vooropgezet plan worden afgeleid om mensen – in het bijzonder mevrouw [slachtoffer 1] , mevrouw [slachtoffer 2] , mevrouw [slachtoffer 3] en verbalisant [slachtoffer 4] – van het leven te beroven. Evenmin kan dit worden afgeleid uit de door verdachte gemaakte zoekslagen. Uit het voorgaande volgt dat niet van een concreet plan is gebleken. - voorbedachte raad: was er gelegenheid voor kalm beraad en rustig overleg? Aan de hand van de stukken in het dossier kan het volgende worden vastgesteld. In de ochtend van 17 september 2021 heeft verdachte een mes gepakt en meegenomen naar de woning van zijn onderbuurvrouw. Daar heeft verdachte zichzelf met bruut geweld toegang tot de woning verschaft. Hij heeft vervolgens zowel mevrouw [slachtoffer 1] als mevrouw [slachtoffer 2] meerdere keren met het meegebrachte mes gestoken. Daar komt bij dat verdachte achter mevrouw [slachtoffer 2] aan is gegaan en haar in meerdere vertrekken in de woning heeft aangevallen. Daarna is verdachte naar zijn eigen woning teruggekeerd en lijkt hij het mes te hebben schoongemaakt, nu er op het oog geen bloedsporen zichtbaar waren op het mes. Het mes was bovendien weer in een foedraal gestopt en weggelegd. Daarna is verdachte op het balkon van zijn eigen woning verschenen. In eerste instantie had hij niets in zijn handen, maar na korte tijd in zijn woning te zijn geweest, kwam verdachte het balkon op met een kruisboog. Daarmee heeft hij eerst op mevrouw [slachtoffer 3] gericht en – na een korte handeling tussendoor – ook daadwerkelijk op haar geschoten. Het kan niet anders dan dat verdachte zijn kruisboog opnieuw heeft geladen, want vervolgens is verdachte op het balkon aan de achterzijde van de woning verschenen en heeft hij wederom een pijl afgevuurd. Deze keer was het doelwit verbalisant [slachtoffer 4] . Intussen is verdachte door de verbalisanten aangeroepen en heeft hij daar ook op gereageerd door het een en ander terug te roepen. Uit het voorgaande leidt de rechtbank af dat uit het tijdsverloop vanaf het moment dat verdachte met het mes naar beneden is gegaan tot het schieten op verbalisant [slachtoffer 4] objectief kan worden vastgesteld dat verdachte enige tijd had om zich te beraden op het te nemen of genomen besluit om mevrouw [slachtoffer 1] en mevrouw [slachtoffer 2] met een mes te steken en het besluit om met de kruisboog op mevrouw [slachtoffer 3] en verbalisant [slachtoffer 4] te schieten. De vraag is echter of verdachte daadwerkelijk in de gelegenheid was om na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich bovendien daarvan rekenschap te geven. Om die vraag te kunnen beantwoorden, is het volgende van belang. De in deze zaak geraadpleegde gedragsdeskundigen (waarover later meer) hebben geconcludeerd dat ten tijde van de ten laste gelegde feiten bij verdachte sprake was van een ernstig psychotisch toestandsbeeld, waarbij er sprake was van forse oordeels- en kritiekstoornissen waardoor hij oorzaak en gevolg niet meer kon beredeneren of overzien. Zoals hiervoor is overwogen, volgt uit de jurisprudentie dat een psychotisch toestandsbeeld niet in de weg hoeft te staan aan het aannemen van voorbedachte raad. In zaken waarin ondanks een psychotisch toestandsbeeld van de verdachte is geoordeeld dat sprake is van voorbedachte raad, kon echter vrijwel steeds uit de verklaringen van de verdachte worden afgeleid dat de verdachte, ondanks een psychotisch toestandsbeeld, (enigszins) weloverwogen afwegingen en keuzes had gemaakt. In dit geval stelt verdachte geen enkele herinnering te hebben aan de gebeurtenissen op 17 september 2021 en ook niet meer aan bepaalde gebeurtenissen die plaatsvonden vóór deze datum. Aan de hand van de verklaringen van verdachte kan dus niet worden vastgesteld welke afwegingen en keuzes verdachte heeft gemaakt en op welke manier dat is gebeurd. De rechtbank merkt het volgende op over het door verdachte gestelde geheugenverlies. In deze zaak is M. Jelicic, een deskundige op het gebied van geheugenverlies, geraadpleegd. Aan hem is de vraag voorgelegd of er een neurobiologische of psychiatrische verklaring is voor het gestelde geheugenverlies van verdachte. Ook is aan hem de vraag voorgelegd of het geheugenverlies van verdachte kenmerken vertoont van bonafide amnesie. Jelicic heeft in zijn rapport van 5 juli 2022 het volgende geconcludeerd: “Mocht de heer [verdachte] op 17 september 2021 in een psychose hebben verkeerd, dan biedt dat een verklaring voor zijn geheugenverlies voor de gebeurtenissen die op die datum plaatsvonden. Zijn amnesie heeft echter geen elementen van een bonafide amnesie”. Bij Jelicic bestaan twijfels met betrekking tot de authenticiteit van het gestelde geheugenverlies van verdachte. De gedragsdeskundigen hebben gerapporteerd dat de totale amnesie over het ten laste gelegde niet eenduidig te verklaren is; er kunnen verschillende oorzaken voor zijn zoals middelengebruik, maar ook het niet willen denken aan te pijnlijke, beangstigende of traumatische gebeurtenissen is vanuit gedragskundig perspectief goed voorstelbaar. Zij hebben evenwel ook geconcludeerd dat er ten tijde van het ten laste gelegde bij verdachte sprake was van een ernstig psychotisch toestandsbeeld, waarbij sprake was van forse oordeels- en kritiekstoornissen, waardoor hij oorzaak en gevolg niet kon beredeneren of overzien. De rechtbank ziet in de psychotische ontregeling een contra-indicatie voor het aannemen van voorbedachte raad. Immers, door de psychotische ontregeling kon verdachte oorzaak en gevolg niet beredeneren of overzien. Daarom kan niet worden aangenomen dat verdachte daadwerkelijk in de gelegenheid was om na te denken over de betekenis en gevolgen van zijn voorgenomen daad/daden en zich bovendien daarvan rekenschap te geven. Samengevat is niet gebleken van een concreet plan om mevrouw [slachtoffer 1] , mevrouw [slachtoffer 2] , mevrouw [slachtoffer 3] en verbalisant [slachtoffer 4] van het leven te beroven. Weliswaar kan objectief worden vastgesteld dat verdachte enige tijd heeft gehad om zich te beraden, maar de rechtbank ziet in de psychose van verdachte een omstandigheid die maakt dat onvoldoende is komen vast te staan dat verdachte daadwerkelijk in de gelegenheid was om na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad/daden en zich bovendien daarvan rekenschap te geven. - conclusie Het voorgaande leidt tot de conclusie dat verdachte van de ten laste gelegde ‘voorbedachten rade’ zal worden vrijgesproken. De rechtbank acht aldus niet bewezen dat verdachte het onder 1 primair en het onder 2 primair ten laste gelegde heeft begaan en zal hem hiervan vrijspreken. De rechtbank acht het onder 1 subsidiair en het onder 2 subsidiair ten laste gelegde wel wettig en overtuigend bewezen. De rechtbank acht voorts het onder 3 primair en het onder 4 primair ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen, met uitzondering van het bestanddeel ‘voorbedachten rade’. 4.4.2 Feit 5 4.4.2.1 De feiten en omstandigheden De rechtbank stelt op grond van de inhoud van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting de volgende feiten en omstandigheden vast. Op 17 september 2021 is een lid van de Dienst Speciale Interventies (DSI) naar de flat aan de M. Th. Steynstraat in Almelo gekomen om de situatie daar onder controle te brengen. Deze verbalisant staat geregistreerd als [slachtoffer 5] . Ter plaatse heeft [slachtoffer 5] zich achter de ambulance opgesteld om dit voertuig als dekking te kunnen gebruiken. [slachtoffer 5] heeft vervolgens een vuurlijn gelegd op het balkon aan de voorzijde van de woning van verdachte. Daarna verscheen verdachte weer met zijn kruisboog op genoemd balkon, waardoor [slachtoffer 5] zicht op hem kreeg. [slachtoffer 5] heeft verdachte meteen gesommeerd om zijn wapen te laten vallen, waarop verdachte zijn kruisboog op hem richtte. [slachtoffer 5] besloot een waarschuwingsschot te lossen. Op dat moment verkeerde [slachtoffer 5] in de angst dat verdachte op hem zou schieten, terwijl zijn gezicht niet was bedekt in verband met het kunnen verkrijgen van goed zicht, en hij daar dus dodelijk geraakt zou kunnen worden. Het waarschuwingsschot had niet het gewenste effect op verdachte, die nonchalant reageerde en een wegwuifgebaar maakte. Daarop richtte verdachte wederom zijn kruisboog op [slachtoffer 5] , wat voor [slachtoffer 5] aanleiding vormde om een schot te plaatsen op de borst van verdachte. Verdachte werd door dit schot uitgeschakeld. Tijdens het forensisch onderzoek in de woning van verdachte aan [adres 1] is een geladen kruisboog gevonden. Deze geladen kruisboog is in de nabijheid van verdachte aangetroffen tijdens zijn aanhouding op het balkon en is vervolgens door de politie naar de slaapkamer verplaatst. 4.4.2.2 Het oordeel van de rechtbank Op grond van het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat kan worden vastgesteld dat verdachte de kruisboog op [slachtoffer 5] heeft gericht. [slachtoffer 5] had in alle redelijkheid vrees dat verdachte daadwerkelijk op hem zou schieten. Er was immers al door verdachte geschoten op mevrouw [slachtoffer 3] en verbalisant [slachtoffer 4] en op het waarschuwingsschot van [slachtoffer 5] reageerde verdachte nonchalant. De rechtbank acht het onder 5 ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen. 4.5 De bewezenverklaring De rechtbank acht op grond van de in de bijlage opgenomen bewijsmiddelen – waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt – wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de onder 1 subsidiair, onder 2 subsidiair, onder 3 primair, onder 4 primair en onder 5 ten laste gelegde feiten heeft begaan, met dien verstande dat: 1. subsidiair. hij op 17 september 2021 te Almelo [slachtoffer 1] opzettelijk van het leven heeft beroofd, door die [slachtoffer 1] meermalen (met kracht) met een mes (diep) in de borst en de arm en de schouder te steken; 2 subsidiair. hij op 17 september 2021 te Almelo [slachtoffer 2] opzettelijk van het leven heeft beroofd, door die [slachtoffer 2] meermalen (met kracht) met een mes (diep) in de hals en de rug en de borst en de buik te steken; 3 primair. hij op 17 september 2021 te Almelo, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [slachtoffer 3] van het leven te beroven, opzettelijk een geladen kruisboog heeft aangelegd om op die [slachtoffer 3] te schieten en die geladen kruisboog op die [slachtoffer 3] heeft gericht en met die kruisboog gericht één pijl met aluminium punt in de richting van het lichaam van die [slachtoffer 3] heeft geschoten, nadat de handelingen genoemd onder de feiten 1 en 2 werden verricht en die [slachtoffer 3] van het balkon van de woning van mevrouw [slachtoffer 1] op de grond was gevallen teneinde te vluchten voor het geweld zoals onder de feiten 1 en 2 ten laste gelegd en gewond op de grond lag, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid; 4 primair. hij op 17 september 2021 te Almelo, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk een politieambtenaar, te weten [slachtoffer 4] , van het leven te beroven, opzettelijk een geladen kruisboog heeft aangelegd om op die [slachtoffer 4] te schieten en die geladen kruisboog op die [slachtoffer 4] heeft gericht en met die kruisboog gericht één pijl in de richting van het hoofd van die [slachtoffer 4] heeft geschoten, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid; 5. hij op 17 september 2021 te Almelo een politieambtenaar, te weten [slachtoffer 5] (lid van de Dienst Speciale Interventies en het Aanhoudings- en Ondersteuningsteam Noordoost-Nederland) heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht door een geladen kruisboog aan te leggen en die geladen kruisboog op die [slachtoffer 5] te richten en gericht te houden. De rechtbank acht niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd, zodat zij hem daarvan zal vrijspreken. De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten zijn in de bewezenverklaring verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging. 5De strafbaarheid van het bewezen verklaarde Het bewezen verklaarde is strafbaar gesteld in de artikelen 45, 285 en 287 van het Wetboek van Strafrecht (Sr). Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Het bewezen verklaarde levert op: feit 1 subsidiair en feit 2 subsidiair: telkens het misdrijf: doodslag; feit 3 primair en feit 4 primair: telkens het misdrijf: poging tot doodslag; feit 5: het misdrijf: bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht. 6De strafbaarheid van verdachte 6.1 Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft overeenkomstig een door hem overgelegd schriftelijk requisitoir het standpunt ingenomen dat verdachte strafbaar is, omdat de ten laste gelegde feiten in verminderde mate aan verdachte kunnen worden toegerekend. De officier van justitie heeft daartoe primair aangevoerd dat verdachte – ondanks de psychiatrische stoornis – nog een zekere mate van keuzevrijheid had. Subsidiair heeft de officier van justitie aangevoerd dat er sprake is van ‘culpa in causa’. 6.2 Het standpunt van de verdediging De raadslieden hebben overeenkomstig een door hen overgelegde pleitnota aangevoerd dat het ten laste gelegde niet aan verdachte kan worden toegerekend, zodat verdachte dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging. 6.3 Het oordeel van de rechtbank In het Nederlandse strafrecht geldt het uitgangspunt dat een strafbaar feit aan de dader kan worden toegerekend. Eén van de uitzonderingen op dit uitgangspunt, is in de wet neergelegd in artikel 39 Sr: als de dader ten tijde van het plegen van het strafbare feit aan een ziekelijke stoornis van zijn of haar geestvermogens leed, die bepalende invloed heeft gehad op zijn of haar handelen, dan kan het ten laste gelegde niet worden toegerekend. Ter beoordeling van de vraag of de hierboven bewezen verklaarde feiten in dit geval aan verdachte kunnen en moeten worden toegerekend, moet de rechtbank achtereenvolgens drie vragen beantwoorden: was er ten tijde van het begaan van de strafbare feiten sprake van een ziekelijke stoornis of gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens van de verdachte? is er een causaal verband tussen de stoornis en de strafbare feiten? welk oordeel moet – gelet op de eerste twee vragen en gelet op alle omstandigheden van de zaak – over de toerekening worden gegeven? Om een oordeel te kunnen geven over de eerste twee vragen, wordt doorgaans de expertise van deskundigen op het gebied van geestelijk welzijn ingeroepen. Aan hen wordt voorts de vraag voorgelegd of de eventuele ziekelijke stoornis van de geestvermogens de gedragskeuzes en gedragingen ten tijde van de ten laste gelegde feiten beïnvloedde en zo ja, in welke mate dit is geweest. De deskundigen geven doorgaans ook – zoals eveneens in onderhavige zaak is gebeurd – een advies aan de rechters over de toerekenbaarheid van de feiten aan verdachte. Het uiteindelijke oordeel over de toerekenbaarheid betreft een juridisch oordeel, waarbij de rechter alle omstandigheden van de zaak moet betrekken. Ter beoordeling van de strafbaarheid van verdachte ten tijde van het ten laste gelegde, heeft de rechtbank acht geslagen op het Pro Justitia-rapport van het Pieter Baan Centrum (hierna: het PBC-rapport) van 30 september 2022, opgesteld door M. van Berkel, psychiater, M. van der Burgh, GZ-psycholoog (in opleiding tot rapporteur), onder supervisie van T.W. van de Kant, klinisch psycholoog, en G.M. Scheurwater, forensisch milieuonderzoeker. - de totstandkoming van het PBC-rapport Ten behoeve van de totstandkoming van het PBC-rapport is verdachte negen weken in het Pieter Baan Centrum (PBC) opgenomen, terwijl een opname van zes weken gebruikelijk is. De verlenging heeft plaatsgevonden, omdat de onderzoekers dat noodzakelijk vonden om tot een zorgvuldig en volledig onderzoek te komen. Het onderzoek heeft geresulteerd in een uitgebreid rapport. Het PBC-rapport bestaat onder meer uit een psychiatrisch rapport, een psychologisch rapport en een milieurapport. Het onderzoek heeft door een multidisciplinair team plaatsgevonden: een psychiater, een psycholoog, een forensisch milieuonderzoeker en een groepsleider. Behalve deze onderzoekers maakten een procesbegeleidend gedragskundige en een jurist deel uit van het onderzoeksteam. Zij voerden zelf geen onderzoeksgesprekken met verdachte, maar vervulden wel een ondersteunende en toetsende rol bij de multidisciplinaire beoordeling van de beschikbare informatie door het onderzoeksteam. Er zijn door de psychiater en de psycholoog meerdere gesprekken met verdachte gevoerd. De forensisch milieuonderzoeker heeft eveneens meerdere gesprekken met verdachte gevoerd, maar ook met personen die tot het sociaal netwerk van verdachte behoren. Een belangrijke pijler van het klinisch onderzoek betrof de observatie van verdachte op de afdeling. Het observeren en het rapporteren over het gedrag van verdachte vond plaats door een groepsleider. Tijdens het onderzoek kwamen de onderzoekers geregeld bijeen om te vergaderen over het onderzoek. Daarnaast hebben de volgende onderzoeken plaatsgevonden door anderen dan de genoemde onderzoekers: een testpsychologisch onderzoek, een neuropsychologisch onderzoek en een lichamelijk onderzoek door een huisarts en een gedragsneuroloog. Tevens heeft een laboratoriumonderzoek plaatsgevonden en is een MRI-scan van de hersenen uitgevoerd. In het kader van de psychiatrische zorg werd verdachte voorts door een zogeheten zorgpsychiater bezocht. De informatie die uit genoemde onderzoeken is verkregen, is ook meegenomen door de PBC-deskundigen. Het voorgaande maakt dat de rechtbank van oordeel is dat het PBC-rapport zorgvuldig en met de nodige deskundigheid tot stand is gekomen. - geheugenverlies Verdachte heeft van meet af aan verklaard dat de pleegdatum één groot zwart gat betreft en dat hij zich niets van de ten laste gelegde feiten kan herinneren. Bij verdachte zijn van de periode vóór 17 september 2021 wel flarden van herinneringen teruggekomen. Ter terechtzitting van 21 november 2022 hebben de gedragsdeskundigen benadrukt dat het al dan niet hebben van herinneringen geen betekenis heeft voor de psychose. Het advies om het ten laste gelegde in het geheel niet aan verdachte toe te rekenen, wordt – vanwege die ernstige pathologie – onverkort gehandhaafd. Op grond van het vorenstaande in combinatie met de zorgvuldigheid en deskundigheid waarmee het PBC-rapport tot stand is gekomen, is de rechtbank van oordeel dat het gestelde geheugenverlies van verdachte – wat daar ook van zij – geen afbreuk doet aan de conclusies en het advies van de deskundigen zoals verwoord in het PBC-rapport. - voorgeschiedenis In december 2018 heeft verdachte zijn werk in de steigerbouw neergelegd in verband met burn-out klachten. Tot die tijd heeft verdachte – ondanks een problematische jeugd – een redelijk normaal leven geleid: hij maakte deel uit van een vriendengroep, heeft twee Mbo-opleidingen afgerond en hield zich bezig met vechtkunsten, waar hij ook les in gaf. Verdachte gebruikte wel verdovende middelen. Naar eigen zeggen heeft verdachte eind 2019 voor het eerst LSD gebruikt. Het kantelpunt was volgens de vrienden van verdachte in de zomer van 2020. Zij merkten dat verdachte zich anders ging gedragen. In eerste instantie vertoonde verdachte zweverig gedrag en was hij in zijn uitlatingen filosofisch en vaag. Later veranderde de toon en werden de uitlatingen van verdachte agressiever, wat in de zomer van 2021 voor de vrienden van verdachte aanleiding vormde om (meer) afstand van hem te nemen. In de tussengelegen periode heeft verdachte een zelfmoordpoging ondernomen door zichzelf – tijdens de jaarwisseling van 2020/2021 – onder invloed van drugs en alcohol met een mes in zijn buik te steken. In de periode van januari 2019 tot en met mei 2021 is verdachte in behandeling geweest van een psycholoog. De psycholoog heeft vóór de zelfmoordpoging geen psychotische ontregeling bij verdachte geconstateerd, maar heeft daarbij opgemerkt wel afhankelijk te zijn geweest van wat verdachte hem vertelde. De PBC-deskundigen hebben gerapporteerd dat verdachte na zijn zelfmoordpoging in toenemende mate achterdochtig werd en dat de realiteitstoetsing verstoord raakte. Er was sprake van betrekkingswanen, grootheidswanen en achtervolgingswanen. Op 31 augustus 2021 heeft verdachte zich fors verzet bij een aanhouding en sloeg hij wartaal uit. In het arrestantencomplex had het er alle schijn van dat verdachte in een psychose verkeerde. Twee medewerkers van de crisisdienst van Mediant, een instelling voor geestelijke gezondheidszorg, hebben verdachte in het arrestantencomplex bezocht. Volgens deze medewerkers was verdachte te onberekenbaar en te gewelddadig om bij Mediant onder te brengen. Verdachte is vervolgens heengezonden. De forensisch arts heeft telefonisch aan de huisarts van verdachte doorgegeven dat verdachte zich hevig had verzet bij een aanhouding en in welke toestand verdachte toen verkeerde. Het is instanties vervolgens niet meer gelukt om contact met verdachte te krijgen. - ziekelijke stoornis van de geestvermogens en causaal verband In het PBC-rapport hebben de psychiater en de psycholoog vastgesteld dat bij verdachte sprake is van een psychotische stoornis, die kan worden geclassificeerd als een ongespecificeerde schizofreniespectrum of andere psychotische stoornis. De stoornis kan niet nader worden gespecificeerd, omdat de oorzaak van de psychotische ontregeling (nog) niet duidelijk is geworden. Kijkend naar de oorzaak van de psychotische toestand, is het goed mogelijk dat er bij verdachte sprake is van een psychotische kwetsbaarheid voortkomend uit een zwakke persoonlijkheidsstructuur. Daarnaast is het mogelijk dat bij verdachte sprake is van genetische kwetsbaarheid voor het ontwikkelen van psychoses en/of is er mogelijk sprake van een schizofrene ontwikkeling. Een combinatie van deze factoren (een erfelijke kwetsbaarheid, een zwakke persoonlijkheidsstructuur en/of een schizofrene ontwikkeling) is eveneens een aannemelijk verklaringsmodel. Drugsgebruik heeft zeer waarschijnlijk ook een rol gespeeld bij het luxeren of onderhouden van de psychotische klachten. Er was volgens de gedragsdeskundigen in ieder geval de laatste maanden voorafgaand aan het ten laste gelegde (en mogelijk zelfs al eerder) sprake van een psychose, die ook nog tijdens het PBC-onderzoek aanwezig was. Deze psychotische stoornis was bovendien aanwezig tijdens het plegen van de ten laste gelegde feiten. Er was bij verdachte sprake van een ernstig psychotisch toestandsbeeld waarbij er sprake was van forse oordeels- en kritiekstoornissen, waardoor verdachte oorzaak en gevolg niet meer kon beredeneren en overzien. Daar komt bij dat verdachte tijdens de psychose ook bizarre wanen heeft die zijn denken (volledig) beïnvloeden. Op grond van de ernst van de symptomen, de vastgestelde psychopathologie en de beschrijving van het toestandsbeeld van verdachte door anderen vlak voor de ten laste gelegde feiten, hebben de gedragsdeskundigen kunnen vaststellen dat het denken en handelen van verdachte ten tijde van het plegen van de ten laste gelegde feiten volledig door de psychose werden beïnvloed. De rechtbank neemt de conclusies van de deskundigen over en maakt deze tot de hare, nu hun bevindingen – mede in het licht van de toelichting die daarop ter terechtzitting van 21 november 2022 is gegeven – inzichtelijk en navolgbaar zijn. Naar het oordeel van de rechtbank staat genoegzaam vast dat verdachte ten tijde van het plegen van de strafbare feiten aan een psychose leed, die een zodanig bepalende invloed heeft gehad op zijn denken en handelen dat het voor verdachte niet (meer) mogelijk was om weloverwogen afwegingen te maken. Dat betekent dat de rechtbank de eerste twee vragen, zoals hierboven uiteengezet, bevestigend beantwoordt: er was ten tijde van het begaan van de strafbare feiten sprake van een ziekelijke stoornis van de geestvermogens, waarvan voldoende aannemelijk is dat die een doorslaggevende rol heeft gespeeld bij het begaan van die strafbare feiten. - toerekening Met de beantwoording van de eerste twee vragen, komt de rechtbank bij de derde en tevens laatste vraag: welk oordeel moet – gelet op alle omstandigheden van de zaak – over de toerekening worden gegeven? Daarbij moet de rechtbank in het bijzonder antwoord geven op de vraag of er toch niet sprake is van (enige) verwijtbaarheid aan de kant van verdachte, wat in juridisch jargon wordt aangeduid als ‘culpa in causa’. In onderhavige zaak ziet de rechtbank zich meer concreet voor de vraag gesteld of verdachte zichzelf, door drugs te gebruiken, in een psychose heeft gebracht. Uit het dossier en het verhandelde ter terechtzitting blijkt over verdachte en drugs(gebruik) het volgende. Verdachte heeft bij herhaling verklaard dat hij sinds zijn zelfmoordpoging geen drugs meer heeft gebruikt. In het dossier bevinden zich evenwel aanwijzingen die anders doen vermoeden. In 2021 heeft verdachte meerdere keren drugs besteld en naderhand heeft hij de websites, waar hij de drugs op bestelde, opnieuw bezocht. In het PBC-rapport staat bovendien beschreven dat verdachte na de zelfmoordpoging had overwogen om weer LSD te gebruiken en dat hij deze drugs ook had gekocht, maar dat hij zich had voorgenomen om niet meer alleen te gebruiken, zodat iemand op hem zou kunnen letten. Dat verdachte weer drugs is gaan gebruiken, wordt ook door getuige [getuige 1] verklaard, want verdachte zou tegen hem hebben gezegd weer LSD te hebben gebruikt. In de woning van verdachte zijn ook LSD-zegels aangetroffen. Daar komt bij dat getuige [getuige 2] begin september 2021 heeft gezien dat verdachte een zegel op zijn tong legde, waarna het gedrag van verdachte veranderde. Tot slot heeft verdachte in een chatgesprek met [getuige 1] van 16 september 2021 gezegd: “48u per dag… pfff wat een drug… kan ik niet meer handelen”, wat erop kan duiden dat verdachte al 48 uren onder invloed van drugs verkeerde. Er zijn meerdere toxicologische onderzoeken geweest om te achterhalen of verdachte het ten laste gelegde onder invloed van drugs heeft gepleegd, zoals de aanwijzingen in het dossier doen vermoeden. Er zijn bloedonderzoeken en een urineonderzoek uitgevoerd, maar die hadden een negatief resultaat. Het haaronderzoek suggereert wel herhaaldelijke blootstelling aan LSD, waarbij echter niets wordt gezegd over de concentratie van de aangetroffen drugs en evenmin over de hoeveelheid. Het blijft daarom onduidelijk wanneer en hoeveel drugs verdachte heeft gebruikt, waardoor evenmin iets kan worden gezegd over hoe drugsgebruik van invloed is geweest bij het luxeren of onderhouden van de psychotische klachten. In het PBC-rapport wordt – zoals hiervoor vermeld – geconcludeerd dat verdachtes denken en handelen ten tijde van de ten laste gelegde feiten volledig door de psychose werden beïnvloed. In de rapportage is in dat verband ook ingegaan op de rol die drugsgebruik mogelijk heeft gespeeld bij het ten laste gelegde handelen. In het onderzoek hebben de gedragsdeskundigen de resultaten van het haaronderzoek meegenomen, evenals dat er aanwijzingen zijn dat verdachte in de periode vóór het ten laste gelegde drugs heeft gebruikt. Desondanks komen de gedragsdeskundigen tot de conclusie dat er vanuit gedragskundig perspectief geen scenario voorstelbaar is waarbij verdachte – gezien zijn toestandsbeeld – de gevolgen van middelengebruik in de periode voorafgaand aan het ten laste gelegde nog goed heeft kunnen overzien. Gezien de duur en de ernst van de psychotische symptomen is het zeer onaannemelijk dat verdachte in deze periode hierover rationele afwegingen heeft kunnen maken. Het is onduidelijk gebleven wat de rol van drugs is geweest in de periode van de ten laste gelegde feiten, maar het is wel duidelijk geworden dat de psychotische ontregeling van verdachte al langer gaande was; in ieder geval enkele maanden voorafgaand aan de ten laste gelegde feiten. De gedragsdeskundigen adviseren daarom het ten laste gelegde in het geheel niet aan verdachte toe te rekenen. De rechtbank overweegt dat verdachte op grond van het dossier aantoonbaar psychotisch is ontregeld vanaf zijn aanhouding (voor een feit dat los staat van deze zaak) op 31 augustus 2021, maar dat het – gelet op wat de vrienden van verdachte over zijn gedrag hebben verklaard – aannemelijk is dat verdachte al vanaf juli 2021 en mogelijk zelfs al eerder in een psychose heeft verkeerd. Ter terechtzitting van 21 november 2022 hebben de gedragsdeskundigen daarover gezegd dat het vreemde gedrag van verdachte dat volgens vrienden werd veroorzaakt door drugsgebruik evengoed symptomen van de psychotische ontregeling kunnen zijn. In verband met de duur en de ernst van de psychotische symptomen is het volgens de PBC-deskundigen in ieder geval zeer onaannemelijk dat verdachte in deze periode rationele afwegingen over drugsgebruik heeft kunnen maken. In het PBC-rapport zijn de gedragsdeskundigen bovendien tot de conclusie gekomen dat bij verdachte sprake is van een psychose die wel door drugsgebruik kan verergeren, maar die niet slechts door drugsgebruik wordt veroorzaakt. In dat geval hadden de psychotische klachten immers moeten opklaren na een abstinentieperiode. Dat is niet gebeurd. Naar het oordeel van de rechtbank moet op grond van het vorenstaande worden vastgesteld dat er geen sprake is van ‘culpa in causa’. Het is voldoende aannemelijk geworden dat het verdachte in de periode voorafgaand aan de ten laste gelegde feiten heeft ontbroken aan een rationele keuzevrijheid om drugs te nemen. Daar komt nog bij dat drugsgebruik niet als de (enige) oorzaak van de psychose kan worden aangemerkt. Naar het oordeel van de rechtbank kan verdachte dus geen (beperkt) verwijt worden gemaakt voor het verkeren in een psychotische toestand, zoals voor ‘culpa in causa’ is vereist. - conclusie De rechtbank stelt – op grond van wat hierboven is overwogen – vast dat het bewezen verklaarde in het geheel niet aan verdachte kan worden toegerekend. Verdachte is niet strafbaar, zodat de rechtbank verdachte zal ontslaan van alle rechtsvervolging. Dat neemt niet weg dat het verdachtes gedrag is geweest waardoor abrupt en op gruwelijke wijze een einde is gekomen aan het leven van twee vrouwen en waardoor nabestaanden en slachtoffers in meer of mindere mate de rest van hun leven geconfronteerd zullen worden met de gevolgen van wat verdachte op 17 september 2021 heeft gedaan. 7De op te leggen straf of maatregel 7.1 De vordering van de officier van justitie De officier van justitie heeft overeenkomstig een door hem overgelegd schriftelijk requisitoir gevorderd dat aan verdachte de maatregel van terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege en een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 22 jaren wordt opgelegd. 7.2 Het standpunt van de verdediging De raadslieden hebben overeenkomstig een door hen overgelegde pleitnota verzocht om de maatregel van terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege op te leggen. 7.3 De gronden voor een straf of maatregel Er is een aantal factoren waarmee de rechtbank bij het opleggen van een straf of maatregel rekening moet houden, te weten de aard en de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van verdachte zoals die uit het dossier en tijdens de behandeling ter terechtzitting naar voren zijn gekomen. In de onderhavige zaak acht de rechtbank in het bijzonder het volgende van belang. - de aard en de ernst van de gepleegde feiten In de ochtend van 17 september 2021 hebben in en rondom een flat aan de M. Th. Steynstraat in Almelo gebeurtenissen plaatsgevonden, die afschuwelijk zijn voor iedereen die daarbij betrokken is geweest en waarvan het nauwelijks te bevatten is dat ze daadwerkelijk hebben plaatsgevonden. De gebeurtenissen hebben niet alleen in Almelo, maar ook daarbuiten, een grote schok veroorzaakt. Verdachte heeft zich met enorm veel geweld toegang verschaft tot de woning van zijn onderbuurvrouw, mevrouw [slachtoffer 1] . Daar waren op dat moment ook mevrouw [slachtoffer 2] en mevrouw [slachtoffer 3] aanwezig. Mevrouw [slachtoffer 3] was bezig met het aanbrengen van een infuus bij mevrouw [slachtoffer 1] . Wat zich moet hebben afgespeeld in de woning nadat verdachte was binnengedrongen – het geweld, de angst – is gruwelijk en gaat elk voorstellingsvermogen te boven. Het moet voor de nabestaanden afschuwelijk zijn om te horen en stil te staan bij datgene waarmee hun naasten de laatste minuten van hun leven zijn geconfronteerd. In amper tien minuten tijd kwam aan het leven van mevrouw [slachtoffer 1] en mevrouw [slachtoffer 2] op een vreselijke manier een einde. Daarmee is de nabestaanden onbeschrijflijk veel leed aangedaan. Zij moeten verder leven met het gemis van hun naasten. Ter terechtzitting hebben kinderen en andere familieleden van mevrouw [slachtoffer 1] en mevrouw [slachtoffer 2] het spreekrecht uitgeoefend. Daaruit sprak enerzijds boosheid, anderzijds ook intens verdriet en gemis van twee vrouwen die voor velen zo belangrijk waren. Ook voor mevrouw [slachtoffer 3] is na 17 september 2021 niets meer hetzelfde. Niet voor haar, niet voor haar gezin, niet voor haar familie en niet voor haar collega’s. Niets is meer normaal of vanzelfsprekend. Dat heeft zij op treffende wijze onder woorden gebracht door haar op schrift gestelde slachtofferverklaring ter terechtzitting voor te lezen. Zij kampt nog steeds met de psychische en lichamelijke gevolgen van wat haar die dag is overkomen. Zij moet leren leven met de forse beperkingen die zij opliep door haar val van het balkon, de onzekerheid over de vraag of zij haar werk als verpleegkundige ooit weer als voorheen kan uitoefenen en de pijnlijke herinneringen aan de dag en herbelevingen van de dag waarop alles anders werd. De dag waarop zij door over een balkonrand op de tweede verdieping van een flat te klimmen en haar hoofd koel te houden, ontkwam aan de gruwelijkheden die zich op dat moment in de woning afspeelden. De dag waarop zij door haar val vanaf de tweede verdieping ernstig letsel opliep en al liggende op de grond, met een kruisboog beschoten werd door verdachte. Dat zij niet dodelijk gewond is geraakt, is niet de verdienste van verdachte. Wat de impact voor verbalisant [slachtoffer 4] is geweest, blijkt niet alleen uit het proces-verbaal dat hij heeft opgemaakt en waarin hij inzicht heeft gegeven in zijn gedachten op het moment zelf en daarna, maar is ook onder woorden gebracht in de toelichting op de vordering benadeelde partij. Daarin wordt onder andere tot uitdrukking gebracht dat omgang met agressie hoort bij het politievak en dat de politie over een zekere gehardheid moet beschikken, maar dat dit niet wegneemt dat de impact voor de betreffende verbalisant en zijn omgeving groot kan zijn als er sprake is geweest van een poging doodslag zoals in het onderhavige geval. Ook in het geval van verbalisant [slachtoffer 4] is het niet de verdienste van verdachte geweest dat hij niet geraakt is door de afgeschoten pijl uit de kruisboog. Ook de ter plaatse gekomen [slachtoffer 5] die opgeleid is om in zeer ernstige situaties ‘een extra stap’ te zetten om aan onveilige situaties een einde te maken, beschrijft in een toelichting op de vordering benadeelde partij wat er in hem omging op het moment dat verdachte hem bedreigde door zijn kruisboog op hem te richten en de reële vrees bij hem ontstond dat verdachte daadwerkelijk op hem zou schieten. In de toelichting wordt eveneens beschreven dat de gebeurtenissen een enorme indruk hebben gemaakt op [slachtoffer 5] en welke gevolgen de gebeurtenissen en zijn rol daarin voor hem hebben gehad. - de persoon van verdachte De rechtbank heeft acht geslagen op het verdachte betreffende uittreksel uit de Justitiële Documentatie (strafblad) van 17 oktober 2022, waaruit blijkt dat verdachte niet eerder voor strafbare feiten is veroordeeld. De rechtbank heeft ook acht geslagen op wat over de persoon van verdachte is opgenomen in het hiervoor onder 6.3 genoemde PBC-rapport van 30 september 2022. Wat betreft de bij verdachte vastgestelde stoornis en de wijze waarop deze van invloed is geweest op het plegen van de ten laste gelegde feiten wordt verwezen naar wat hierover onder hoofdstuk 6 is vermeld. Kort samengevat is bij verdachte sprake van een psychotische stoornis die kan worden geclassificeerd als een ongespecificeerde schizofreniespectrum of andere psychotische stoornis, welke stoornis aanwezig was ten tijde van het ten laste gelegde en invloed heeft gehad op de gedragskeuzes van verdachte in die zin dat verdachtes denken en handelen ten tijde van de feiten volledig door de psychose werden beïnvloed. Het gaat om een ernstige stoornis waarvan de symptomen ondanks behandeling met medicatie tegen psychose nog in lichte mate aanwezig blijven. Er is bij verdachte voorts sprake van een beperkt ziekte-inzicht, waardoor hij bijvoorbeeld niet beseft dat medicatie tegen psychose een belangrijk onderdeel van de behandeling betreft en hij van mening is dat hij zonder medicatie zijn problemen de baas kan worden. Daarbij is de inschatting dat psychotische kwetsbaarheid – die is gerelateerd aan de zwakke persoonlijkheidsstructuur – maar moeizaam beïnvloed kan worden door middel van behandeling. Een langdurende psychotherapeutische behandeling is nodig om de persoonlijkheid van verdachte te verstevigen en de identiteitsvorming op gang te brengen. Daarnaast is het van belang om het beloop van de psychotische klachten te monitoren, omdat bij blijvende psychotische symptomen en het eventueel ontwikkelen van bijkomende negatieve symptomen mogelijk sprake is van schizofrenie. Er zijn voorts enkele historische risicofactoren aanwezig: een traumatische jeugd, problemen in intieme relaties, middelengebruik, problemen met werk en de items die rechtstreeks verband houden met de vastgestelde stoornis. Daarentegen heeft verdachte geen voorgeschiedenis van gewelddadig gedrag en is er bij hem geen sprake van een antisociale persoonlijkheidsstoornis of psychopathie. Ten aanzien van de klinische items is vastgesteld dat verdachte op een aantal risicofactoren scoort, waarbij het voornamelijk gaat om de items die betrekking hebben op de huidige psychotische stoornis. Er is wel enig blijk van ziekte-inzicht bij verdachte en hij staat open voor behandeling. De gewelddadige denkbeelden of intenties lijken voort te komen uit de psychotische stoornis en worden daarom niet als losstaande risicofactor beschouwd. Er worden ook enkele risicofactoren gezien wat betreft de toekomst en behandeling: mocht verdachte zonder behandeling vrijkomen dan kan hij makkelijk in stressvolle omstandigheden terechtkomen, het is de vraag of verdachte met alle voorgestelde behandelinterventies zal instemmen (zoals eventueel langdurig gebruik van medicatie) en verdachte heeft thans geen inkomen of werk, terwijl het twijfelachtig is of verdachte goed in staat is om dit weer op een adequate manier voor zichzelf te organiseren. Juist deze stressfactoren zijn bij verdachte risicovol voor het ontwikkelen van een nieuwe psychotische episode. Beschermende factoren zijn dat verdachte een gemiddelde intelligentie heeft, evenals empathische vermogen en een hoge mate van zelfcontrole. Daar komt bij dat verdachte enige motivatie heeft voor de behandeling en dat er sprake is van vrijetijdsbesteding (sporten) en een redelijk sociaal netwerk. Samengevat komt het er volgens de gedragsdeskundigen op neer dat als verdachte zonder behandeling vrijkomt, het recidiverisico op korte termijn wordt ingeschat als laag tot matig en op langere termijn als matig tot hoog. Het risico is groot dat verdachte weer langdurig onder stress komt te staan, waardoor hij opnieuw psychotisch kan ontregelen en agressief naar zichzelf of anderen kan worden. Hierbij is het van groot belang dat verdachte abstinent blijft van middelen, omdat middelen ook een nieuwe psychotische stoornis kunnen veroorzaken of reeds bestaande klachten kunnen verergeren. Ten aanzien van de behandeling is het belangrijk dat de psychotische symptomen adequaat worden behandeld, waarbij de inschatting is dat hiervoor een lange behandeling met medicatie noodzakelijk zal zijn en verdachte – zoals gezegd – abstinent dient te blijven van middelen. Het is ook van belang dat het ziekte-inzicht van verdachte wordt vergroot door middel van psycho-educatie, waarbij aandacht moet zijn voor de risico’s van gebruik van verslavende middelen. Daarnaast is het van belang dat verdachte een (langdurige) psychotherapeutische behandeling ondergaat om zijn identiteitsvorming te verbeteren en om op die manier zijn persoonlijkheidsstructuur te verstevigen. Als in de toekomst de diagnose schizofrenie wordt gesteld, dan zal deze diagnose de focus van de behandeling (moeten) beïnvloeden. Tot slot wordt ingeschat dat vanwege de ernst van de problematiek een lange resocialisatie nodig is. Daarbij staat centraal: abstinentie, stabiliteit en het voorkomen van psychotische ontregeling en daarmee mogelijk gewelddadig gedrag naar anderen of zichzelf. De gedragsdeskundigen adviseren – vanwege de ernst van de ten laste gelegde feiten, de ernst van de stoornis, de beschreven kans op herhaling en de benodigde intensiteit van de behandeling – aan verdachte de maatregel van terbeschikkingstelling met bevel tot verpleging van overheidswege op te leggen. Ter terechtzitting van 21 november 2022 hebben de gedragsdeskundigen een toelichting op het PBC-rapport gegeven en zijn zij bij de daarin neergelegde conclusies en het advies gebleven. De rechtbank heeft verder acht geslagen op het reclasseringsrapport van 15 november 2022, opgesteld door B.A. Otten, reclasseringswerker. In het reclasseringsrapport is aangesloten bij wat in het PBC-rapport is beschreven. Een traject in een gedwongen kader met een langdurige behandeling is ook naar het inzicht van de reclassering geïndiceerd vanwege de complexe aard en de ernst van de stoornis, de door het PBC beschreven kans op recidive, de onzekerheid of verdachte zal instemmen met door het PBC voorgestelde behandelinterventies, het beperkte zieke-inzicht van verdachte (ook ten aanzien van medicatie) en de benodigde intensiteit van de behandeling. De reclassering heeft voorts als complicerende factor genoemd dat verdachte stelt geen herinneringen te hebben aan het ten laste gelegde, waardoor de samenwerking in het kader van een terbeschikkingstelling met voorwaarden extra wordt bemoeilijkt. De reclassering ziet daarom geen aanknopingspunten voor de maatregel van terbeschikkingstelling met voorwaarden. - het oordeel van de rechtbank De rechtbank stelt voorop dat geen enkele straf of maatregel – hoe hoog of hoe lang ook – kan terugdraaien wat er is gebeurd, het verdriet ongedaan kan maken, de pijn kan wegnemen en herinneringen kan uitwissen. De rechtbank realiseert zich dat door zaken als deze, in de samenleving – en meer specifiek bij slachtoffers en nabestaanden – gevoelens kunnen ontstaan die tot de reactie leiden dat de verdachte in kwestie zo lang mogelijk uit de samenleving moet worden geweerd door de oplegging van een langdurige gevangenisstraf. Maar als wordt geoordeeld dat de verdachte niet strafbaar is en daarom dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging – zoals in deze zaak het geval is – dan staat deze omstandigheid in de weg aan het opleggen van een straf. Het opleggen van een maatregel die ertoe kan leiden dat iemand langdurig uit de samenleving wordt gehaald, behoort wel tot de mogelijkheden. De rechtbank sluit aan bij de aanbeveling van de gedragsdeskundigen en de visie van de reclassering over de noodzaak van een stevig kader om adequate behandeling van verdachte mogelijk te maken en het recidiverisico terug te dringen. Er is sprake van een complexe en ernstige stoornis, die nog niet lijkt te zijn uitgekristalliseerd. Verdachte lijdt mogelijk (ook) aan schizofrenie, maar het is te vroeg om deze stoornis vast te kunnen stellen. Daarnaast heeft verdachte amper ziekte-inzicht en kan het innemen van medicatie – een belangrijk onderdeel van de behandeling – op weerstand van verdachte rekenen vanwege zijn houding, die zich kenmerkt door zelf problemen te willen oplossen. Naar het oordeel van de rechtbank kan behandeling, en daarmee het terugdringen van het recidiverisico, daarom niet anders plaatsvinden dan binnen het kader van de maatregel van terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege. De rechtbank stelt vast dat alle bewezen verklaarde feiten misdrijven zijn als bedoeld in artikel 37a, eerste lid, Sr, waarvoor oplegging van de maatregel van terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege mogelijk is. Daarnaast eist de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen het opleggen van deze maatregel. Omdat de maatregel wordt opgelegd voor misdrijven die zijn gericht tegen of gevaar veroorzaken voor de onaantastbaarheid van het lichaam van één of meer personen als bedoeld in artikel 38e Sr, kan de totale duur van de maatregel een periode van vier jaren te boven gaan. 7.4 De inbeslaggenomen voorwerpen 7.4.1 Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft het standpunt ingenomen dat de op de beslaglijst genoemde goederen dienen te worden onttrokken aan het verkeer. 7.4.2 Het standpunt van de verdediging De raadslieden hebben ten aanzien van het beslag geen standpunt ingenomen. 7.4.3 Het oordeel van de rechtbank De rechtbank is van oordeel dat de op de beslaglijst genoemde goederen onder de nummers 1 t/m 27, 32 en 34 t/m 48 vatbaar zijn voor onttrekking aan het verkeer, aangezien met behulp van deze voorwerpen de feiten zijn begaan of voorbereid, dan wel die voorwerpen van zodanige aard zijn dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet of met het algemeen belang en kunnen dienen tot het begaan of de voorbereiding van soortgelijke feiten. De rechtbank zal de teruggave aan verdachte gelasten van de aan hem toebehorende op de beslaglijst genoemde goederen onder de nummers 28 t/m 31 en 33, aangezien deze niet vatbaar zijn voor verbeurdverklaring of onttrekking aan het verkeer. Daartoe overweegt de rechtbank dat het geen voorwerpen zijn met behulp waarvan de feiten zijn begaan of voorbereid. 8De schade van benadeelden 8.1 De vordering van de benadeelde partijen 8.1.1 De vordering van de benadeelde partij: [benadeelde 1] (feit 1) [benadeelde 1] – de zoon van slachtoffer [slachtoffer 1] – heeft zich als benadeelde partij gevoegd in dit strafproces. De vordering van de benadeelde partij is ingediend door mr. S.M. Diekstra, advocaat te Leiden. De benadeelde partij heeft gevorderd verdachte te veroordelen om schadevergoeding te betalen tot een totaalbedrag van € 23.400,00, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment waarop de schade is ontstaan. De gevorderde materiële schade bestaat uit kosten van een grafmonument met toebehoren van € 5.900,00. De gevorderde immateriële schade bestaat uit de vergoeding van affectieschade van € 17.500,00. 8.1.2 De vordering van de benadeelde partij: [benadeelde 2] (feit 1) [benadeelde 2] – de zoon van slachtoffer [slachtoffer 1] – heeft zich als benadeelde partij gevoegd in dit strafproces. De vordering van de benadeelde partij is ingediend door mr. S.M. Diekstra, advocaat te Leiden. De benadeelde partij heeft gevorderd verdachte te veroordelen om schadevergoeding te betalen tot een totaalbedrag van € 17.500,00, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment waarop de schade is ontstaan. Het gevorderde bedrag betreft immateriële schade, namelijk affectieschade. 8.1.3 De vordering van de benadeelde partij: [benadeelde 3] (feit 1) [benadeelde 3] – de zus van slachtoffer [slachtoffer 1] – heeft zich als benadeelde partij gevoegd in dit strafproces. De vordering van de benadeelde partij is ingediend door mr. S.M. Diekstra, advocaat te Leiden. De benadeelde partij heeft gevorderd verdachte te veroordelen om schadevergoeding te betalen tot een totaalbedrag van € 144,00, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment waarop de schade is ontstaan. Het gevorderde bedrag betreft materiële schade en heeft betrekking op rouwboeketten. 8.1.4 De vordering van de benadeelde partij: [benadeelde 4] (feit 2) [benadeelde 4] – de vader van slachtoffer [slachtoffer 2] – heeft zich als benadeelde partij gevoegd in dit strafproces. De vordering van de benadeelde partij is ingediend door mr. S.M. Diekstra, advocaat te Leiden. De benadeelde partij heeft gevorderd verdachte te veroordelen om schadevergoeding te betalen tot een totaalbedrag van € 19.000,00, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment waarop de schade is ontstaan. De gevorderde materiële schade bestaat uit kosten in verband met de huur van een begraafplaats van € 1.500,00. De gevorderde immateriële schade bestaat uit de vergoeding van affectieschade van € 17.500,00. 8.1.5 De vordering van de benadeelde partij: [benadeelde 5] (feit 2) [benadeelde 5] – de zus van slachtoffer [slachtoffer 2] – heeft zich als benadeelde partij gevoegd in dit strafproces. De vordering van de benadeelde partij is ingediend door mr. S.M. Diekstra, advocaat te Leiden. De benadeelde partij heeft gevorderd verdachte te veroordelen om schadevergoeding te betalen tot een totaalbedrag van € 10.730,85, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment waarop de schade is ontstaan. Het gevorderde bedrag betreft materiële schade en heeft betrekking op een grafmonument en andere aankopen ten behoeve van de uitvaart. 8.1.6 De vordering van de benadeelde partij: [benadeelde 6] (feit 2) [benadeelde 6] – de broer van slachtoffer [slachtoffer 2] – heeft zich als benadeelde partij gevoegd in dit strafproces. De vordering van de benadeelde partij is ingediend door mr. S.M. Diekstra, advocaat te Leiden. De benadeelde partij heeft gevorderd verdachte te veroordelen om schadevergoeding te betalen tot een totaalbedrag van € 1.176,94, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment waarop de schade is ontstaan. Het gevorderde bedrag betreft materiële schade en heeft betrekking op aankopen ten behoeve van de uitvaart en kosten in verband met de herdenkingsdienst op 3 september 2022. 8.1.7 De vordering van de benadeelde partij: [benadeelde 7] (feit 2) [benadeelde 7] – de zwager van slachtoffer [slachtoffer 2] – heeft zich als benadeelde partij gevoegd in dit strafproces. De vordering van de benadeelde partij is ingediend door mr. S.M. Diekstra, advocaat te Leiden. De benadeelde partij heeft gevorderd verdachte te veroordelen om schadevergoeding te betalen tot een totaalbedrag van € 21,63, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment waarop de schade is ontstaan. Het gevorderde bedrag betreft materiële schade en heeft betrekking op aankopen ten behoeve van de uitvaart. 8.1.8 De vordering van de benadeelde partij: [benadeelde 8] (feit 2) [benadeelde 8] – de zwager van slachtoffer [slachtoffer 2] – heeft zich als benadeelde partij gevoegd in dit strafproces. De vordering van de benadeelde partij is ingediend door mr. S.M. Diekstra, advocaat te Leiden. De benadeelde partij heeft gevorderd verdachte te veroordelen om schadevergoeding te betalen tot een totaalbedrag van € 371,14, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment waarop de schade is ontstaan. Het gevorderde bedrag betreft materiële schade en heeft betrekking op aankopen ten behoeve van de uitvaart. 8.1.9 De vordering van de benadeelde partij: [benadeelde 9] (feit 2) [benadeelde 9] – de dochter van slachtoffer [slachtoffer 2] – heeft zich als benadeelde partij gevoegd in dit strafproces. De vordering van de benadeelde partij is ingediend door mr. W. van Egmond, advocaat te Amsterdam. De benadeelde partij heeft gevorderd verdachte te veroordelen om schadevergoeding te betalen tot een totaalbedrag van € 17.941,39, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment waarop de schade is ontstaan. De gevorderde materiële schade van € 441,39 bestaat uit kosten van bloemen ten behoeve van de uitvaart en kosten van de huur van een kluis voor het bewaren van eigendommen van mevrouw [slachtoffer 2] . De gevorderde immateriële schade bestaat uit de vergoeding van affectieschade van € 17.500,00. 8.1.10 De vordering van de benadeelde partij: [benadeelde 10] (feit 2) [benadeelde 10] – de (minderjarige) zoon van slachtoffer [slachtoffer 2] – heeft zich, vertegenwoordigd door zijn vader [naam 1] , als benadeelde partij gevoegd in dit strafproces. De vordering van de benadeelde partij is ingediend door mr. W. van Egmond, advocaat te Amsterdam. De benadeelde partij heeft gevorderd verdachte te veroordelen om schadevergoeding te betalen tot een totaalbedrag van € 26.300,00, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment waarop de schade is ontstaan. De gevorderde materiële schade van € 6.300,00 heeft betrekking op gederfd levensonderhoud. De gevorderde immateriële schade bestaat uit de vergoeding van affectieschade van € 20.000,00. 8.1.11 De vordering van de benadeelde partij: [slachtoffer 3] (feit 3) [slachtoffer 3] heeft zich als benadeelde partij gevoegd in dit strafproces. De vordering van de benadeelde partij is ingediend door mr. R.E.H. Jager, advocaat te Amersfoort. De benadeelde partij heeft gevorderd verdachte te veroordelen om schadevergoeding te betalen tot een totaalbedrag van € 35.314,37, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment waarop de schade is ontstaan. De gevorderde materiële schade van € 7.814,37 bestaat uit de volgende posten: - kleding € 269,95 - eigen risico 2021 € 385,00 - eigen risico 2022 € 385,00 - ziekenhuisdaggeldvergoeding € 124,00 - fysiotherapie € 660,00 - gewichten t.b.v. oefeningen € 5,99 - tandarts € 193,52 - massagecentrum € 358,00 - medicatie € 9,80 - bril € 280,00 - opvragen medische informatie € 104,13 - reiskosten € 263,88 - verlies arbeidsvermogen € 4.774,60. Ter terechtzitting heeft de raadsvrouw namens de benadeelde partij gevorderd de post ‘verlies arbeidsvermogen’ toe te wijzen wat betreft de periode september tot en met december 2022, te weten tot een bedrag van € 1.909,84, en de vordering voor het overige niet-ontvankelijk te verklaren. Daarnaast wordt een bedrag van € 27.500,00 aan immateriële schade gevorderd, bestaande uit de volgende posten: - fysiek letsel € 10.000,00 - aantasting in de persoon € 7.500,00 - shockschade € 10.000,00. 8.1.12 De vordering van de benadeelde partij: [slachtoffer 4] (feit 4) [slachtoffer 4] (politieagent) heeft zich als benadeelde partij gevoegd in dit strafproces. De vordering van de benadeelde partij is ingediend door de gemachtigde P.M. Vrielink. De benadeelde partij heeft gevorderd verdachte te veroordelen om schadevergoeding te betalen tot een totaalbedrag van € 3.000,00, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment waarop de schade is ontstaan. Het gevorderde bedrag betreft immateriële schade. 8.1.13 De vordering van de benadeelde partij: [slachtoffer 5] (feit 5) [slachtoffer 5] (politieagent, werkzaam bij de Dienst Speciale Interventies van de Landelijke Eenheid) heeft zich als benadeelde partij gevoegd in dit strafproces. De vordering van de benadeelde partij is ingediend door de gemachtigde M.H.G. van den Hoven. Naderhand is ook P.M. Vrielink gemachtigd. De benadeelde partij heeft gevorderd verdachte te veroordelen om schadevergoeding te betalen tot een totaalbedrag van € 2.500,00, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment waarop de schade is ontstaan. Het gevorderde bedrag betreft immateriële schade. 8.2 Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de bovengenoemde vorderingen van de benadeelde partijen in het geheel kunnen worden toegewezen, met uitzondering van de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 3] . De officier van justitie heeft zich ten aanzien van deze vordering op het standpunt gesteld dat een bedrag van in totaal € 32.449,61 voor toewijzing vatbaar is en dat de benadeelde partij voor het overige (dat betreft de post ‘verlies arbeidsvermogen’ voor zover die betrekking heeft op de periode na december 2022) niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de vordering. De officier van justitie heeft ten aanzien van de bovengenoemde vorderingen gevorderd de wettelijke rente toe te wijzen en de schadevergoedingsmaatregel op te leggen. 8.3 Het standpunt van de verdediging De raadslieden hebben ten aanzien van de vordering van [slachtoffer 5] primair verzocht om de benadeelde partij in zijn vordering niet-ontvankelijk te verklaren, omdat deze anoniem is ingediend. Zij hebben subsidiair verzocht de vordering te matigen tot een bedrag van € 250,00, omdat volgens hen alleen de ten laste gelegde bedreiging bewezen kan worden verklaard. De verdediging heeft ook ten aanzien van de vordering van [slachtoffer 4] verzocht die te matigen tot € 250,00, omdat volgens de verdediging alleen de ten laste gelegde bedreiging bewezen kan worden verklaard. De raadslieden hebben over de vorderingen van de overige benadeelde partijen geen opmerkingen gemaakt. 8.4 Juridisch kader De rechtbank overweegt dat een groot deel van de hierboven genoemde vorderingen door de nabestaanden van mevrouw [slachtoffer 1] (feit 1) en mevrouw [slachtoffer 2] (feit 2) is ingediend. Deze slachtoffers zijn als gevolg van de strafbare feiten overleden. Op grond van het bepaalde in artikel 51f, tweede lid, Sv kunnen de personen genoemd in artikel 6:108 van het Burgerlijk Wetboek (BW) als benadeelde partij in het strafproces onder meer aanspraak maken op gederfd levensonderhoud, de kosten van lijkbezorging en affectieschade. - gederfd levensonderhoud Op grond van artikel 6:108, eerste lid, BW is degene die aansprakelijk is voor iemands overlijden tegenover de nabestaanden gehouden tot het vergoeden van de schade die zij lijden vanwege het mislopen van levensonderhoud. Dit recht op schadevergoeding kent enkele beperkingen. Allereerst is de kring van gerechtigden beperkt tot degenen in wier levensonderhoud door de overledene werd voorzien. Vervolgens is de omvang van de schade afhankelijk van de behoeftigheid van de nabestaanden en van het antwoord op de vraag in hoeverre dit levensonderhoud zou zijn verschaft. - kosten van lijkbezorging Op grond van het bepaalde in artikel 6:108, tweede lid, BW kan degene die kosten van lijkbezorging van het slachtoffer heeft gedragen, deze kosten vorderen. De term lijkbezorging is een verzamelterm en omvat meer dan enkel begrafeniskosten. De kosten moeten echter – gelet op de omstandigheden waaronder de overledene leefde – in redelijkheid worden gemaakt. - affectieschade Sinds 1 januari 2019 is het voor nabestaanden van overleden slachtoffers mogelijk om vergoeding van affectieschade te vorderen op grond van artikel 6:108, derde en vierde lid, BW. Het overlijden van het slachtoffer moet dan het gevolg zijn van een gebeurtenis waarvoor een ander aansprakelijk is. De rechtbank benadrukt dat deze vergoeding uit de aard daarvan een symbolisch karakter heeft, omdat zij geen volledige compensatie kan bieden voor het verdriet van de naasten. De kring van gerechtigden is beperkt. Op welk bedrag zij aanspraak kunnen maken, is geregeld in het Besluit vergoeding affectieschade. 8.5 Het oordeel van de rechtbank 8.5.1 De vordering van de benadeelde partij: [benadeelde 1] (feit 1) Door de gebezigde bewijsmiddelen en de behandeling op de terechtzitting is komen vast te staan dat verdachte door het onder 1 bewezen verklaarde feit rechtstreeks schade heeft toegebracht aan de benadeelde partij. - materiële schade De opgevoerde materiële schadepost heeft betrekking op kosten van lijkbezorging in de zin van artikel 6:108, tweede lid, BW en is niet betwist. De rechtbank is van oordeel dat deze schadepost bovendien voldoende onderbouwd en aannemelijk is. De rechtbank zal het gevorderde daarom toewijzen tot een bedrag van € 5.900,00, te vermeerderen met de verschuldigde wettelijke rente vanaf de datum waarop de schade is ontstaan. - immateriële schade De rechtbank overweegt dat [benadeelde 1] – zoon van slachtoffer [slachtoffer 1] – op grond van artikel 6:108, vierde lid, BW valt binnen de kring van gerechtigden die aanspraak kunnen maken op affectieschade. Naar het oordeel van de rechtbank is komen vast te staan dat de genoemde nabestaande als gevolg van het onder 1 bewezen verklaarde feit rechtstreeks schade heeft geleden in de vorm van affectieschade. De opgevoerde immateriële schadepost is niet betwist en naar het oordeel van de rechtbank voldoende onderbouwd en aannemelijk. De rechtbank stelt vast dat het gevorderde schadebedrag overeenkomt met het bedrag dat volgens het Besluit vergoeding affectieschade in aanmerking komt voor de uitwonende meerderjarige zoon van het slachtoffer. De rechtbank zal het gevorderde daarom toewijzen tot een bedrag van € 17.500,00, te vermeerderen met de verschuldigde wettelijke rente vanaf de datum waarop het strafbare feit is gepleegd. - conclusie Op grond van wat hiervoor is uiteengezet, komt de rechtbank tot gehele toewijzing van de vordering van [benadeelde 1] tot een bedrag van in totaal € 23.400,00. 8.5.2 De vordering van de benadeelde partij: [benadeelde 2] (feit 1) Door de gebezigde bewijsmiddelen en de behandeling op de terechtzitting is komen vast te staan dat verdachte door het onder 1 bewezen verklaarde feit rechtstreeks schade heeft toegebracht aan de benadeelde partij. De rechtbank overweegt dat [benadeelde 2] – zoon van slachtoffer [slachtoffer 1] – op grond van artikel 6:108, vierde lid, BW valt binnen de kring van gerechtigden die aanspraak kunnen maken op affectieschade. Naar het oordeel van de rechtbank is komen vast te staan dat de genoemde nabestaande als gevolg van het onder 1 bewezen verklaarde feit rechtstreeks schade heeft geleden in de vorm van affectieschade. De opgevoerde immateriële schadepost is niet betwist en naar het oordeel van de rechtbank voldoende onderbouwd en aannemelijk. De rechtbank stelt vast dat het gevorderde schadebedrag overeenkomt met het bedrag dat volgens het Besluit vergoeding affectieschade in aanmerking komt voor de uitwonende meerderjarige zoon van het slachtoffer. De rechtbank zal het gevorderde daarom geheel toewijzen tot een bedrag van € 17.500,00, te vermeerderen met de verschuldigde wettelijke rente vanaf de datum waarop het strafbare feit is gepleegd. 8.5.3 De vordering van de benadeelde partij: [benadeelde 3] (feit 1) Door de gebezigde bewijsmiddelen en de behandeling op de terechtzitting is komen vast te staan dat verdachte door het onder 1 bewezen verklaarde feit rechtstreeks schade heeft toegebracht aan de benadeelde partij. De opgevoerde materiële schadepost heeft betrekking op kosten van lijkbezorging in de zin van artikel 6:108, tweede lid, BW en is niet betwist. De rechtbank is van oordeel dat deze schadepost bovendien voldoende onderbouwd en aannemelijk is. De rechtbank zal het gevorderde daarom geheel toewijzen tot een bedrag van € 144,00, te vermeerderen met de verschuldigde wettelijke rente vanaf de datum waarop de schade is ontstaan. 8.5.4 De vordering van de benadeelde partij: [benadeelde 4] (feit 2) Door de gebezigde bewijsmiddelen en de behandeling op de terechtzitting is komen vast te staan dat verdachte door het onder 2 bewezen verklaarde feit rechtstreeks schade heeft toegebracht aan de benadeelde partij. - materiële schade De opgevoerde materiële schadepost heeft betrekking op kosten van lijkbezorging in de zin van artikel 6:108, tweede lid, BW en is niet betwist. De rechtbank is van oordeel dat deze schadepost bovendien voldoende onderbouwd en aannemelijk is. De rechtbank zal het gevorderde daarom toewijzen tot een bedrag van € 1.500,00, te vermeerderen met de verschuldigde wettelijke rente vanaf de datum waarop het strafbare feit is gepleegd. - immateriële schade De rechtbank overweegt dat [benadeelde 4] – vader van slachtoffer [slachtoffer 2] – op grond van artikel 6:108, vierde lid, BW valt binnen de kring van gerechtigden die aanspraak kunnen maken op affectieschade. Naar het oordeel van de rechtbank is komen vast te staan dat de genoemde nabestaande als gevolg van het onder 2 bewezen verklaarde feit rechtstreeks schade heeft geleden in de vorm van affectieschade. De opgevoerde immateriële schadepost is niet betwist en naar het oordeel van de rechtbank voldoende onderbouwd en aannemelijk. De rechtbank stelt vast dat het gevorderde schadebedrag overeenkomt met het bedrag dat volgens het Besluit vergoeding affectieschade in aanmerking komt voor de vader van het slachtoffer. De rechtbank zal het gevorderde daarom toewijzen tot een bedrag van € 17.500,00, te vermeerderen met de verschuldigde wettelijke rente vanaf de datum waarop het strafbare feit is gepleegd. - conclusie Op grond van wat hiervoor is uiteengezet, komt de rechtbank tot gehele toewijzing van de vordering van [benadeelde 4] tot een bedrag van in totaal € 19.000,00. 8.5.5 De vordering van de benadeelde partij: [benadeelde 5] (feit 2) Door de gebezigde bewijsmiddelen en de behandeling op de terechtzitting is komen vast te staan dat verdachte door het onder 2 bewezen verklaarde feit rechtstreeks schade heeft toegebracht aan de benadeelde partij. De opgevoerde materiële schadeposten hebben betrekking op kosten van lijkbezorging in de zin van artikel 6:108, tweede lid, BW en zijn niet betwist. De rechtbank is van oordeel dat deze schadeposten bovendien voldoende onderbouwd en aannemelijk zijn. De rechtbank zal het gevorderde daarom geheel toewijzen tot een bedrag van € 10.730,85, te vermeerderen met de verschuldigde wettelijke rente vanaf de datum waarop de schade is ontstaan. 8.5.6 De vordering van de benadeelde partij: [benadeelde 6] (feit 2) Door de gebezigde bewijsmiddelen en de behandeling op de terechtzitting is komen vast te staan dat verdachte door het onder 2 bewezen verklaarde feit rechtstreeks schade heeft toegebracht aan de benadeelde partij. De opgevoerde materiële schadeposten hebben betrekking op kosten van de lijkbezorging in de zin van 6:108, tweede lid, BW en zijn niet betwist. De rechtbank is van oordeel dat de levensmiddelen die zijn gekocht op 18 september 2021 voor een bedrag van € 96,94 in rechtstreeks verband staan met de uitvaart van mevrouw [slachtoffer 2] en aldus toewijsbaar zijn op grond van artikel 6:108, tweede lid, BW. Naar het oordeel van de rechtbank geldt dat niet voor de overige kosten van in totaal € 1.080,00. Deze kosten hebben geen betrekking op de uitvaart, maar op de herdenkingsdienst die is gehouden op 3 september 2022. Dit deel van de vordering zal worden afgewezen, omdat een wettelijke grondslag daarvoor ontbreekt. - conclusie De rechtbank zal het gevorderde aldus gedeeltelijk toewijzen tot een bedrag van € 96,94, te vermeerderen met de verschuldigde wettelijke rente vanaf de datum waarop de schade is ontstaan. De vordering zal tot een bedrag van € 1.080,00 worden afgewezen. 8.5.7 De vordering van de benadeelde partij: [benadeelde 7] (feit 2) Door de gebezigde bewijsmiddelen en de behandeling op de terechtzitting is komen vast te staan dat verdachte door het onder 2 bewezen verklaarde feit rechtstreeks schade heeft toegebracht aan de benadeelde partij. De opgevoerde materiële schadepost heeft betrekking op kosten van lijkbezorging in de zin van artikel 6:108, tweede lid, BW en is niet betwist. De rechtbank is van oordeel dat deze schadepost bovendien voldoende onderbouwd en aannemelijk is. De rechtbank zal het gevorderde daarom geheel toewijzen tot een bedrag van € 21,63, te vermeerderen met de verschuldigde wettelijke rente vanaf de datum waarop de schade is ontstaan. 8.5.8 De vordering van de benadeelde partij: [benadeelde 8] (feit 2) Door de gebezigde bewijsmiddelen en de behandeling op de terechtzitting is komen vast te staan dat verdachte door het onder 2 bewezen verklaarde feit rechtstreeks schade heeft toegebracht aan de benadeelde partij. De opgevoerde materiële schadeposten hebben betrekking op kosten van lijkbezorging in de zin van artikel 6:108, tweede lid, BW en zijn niet betwist. De rechtbank is van oordeel dat deze schadeposten bovendien voldoende onderbouwd en aannemelijk zijn. De rechtbank zal het gevorderde daarom geheel toewijzen tot een bedrag van € 371,14, te vermeerderen met de verschuldigde wettelijke rente vanaf de datum waarop de schade is ontstaan. Ten aanzien van de wettelijke rente overweegt de rechtbank dat uit de bonnen/facturen, waarmee de benadeelde partij de vordering heeft onderbouwd, volgt dat de schade is ontstaan tussen 18 september 2021 en 1 november 2021. De rechtbank zal de ingangsdatum van de rente daarom – vanuit praktisch oogpunt – bepalen op 10 oktober 2021. 8.5.9 De vordering van de benadeelde partij: [benadeelde 9] (feit 2) Door de gebezigde bewijsmiddelen en de behandeling op de terechtzitting is komen vast te staan dat verdachte door het onder 2 bewezen verklaarde feit rechtstreeks schade heeft toegebracht aan de benadeelde partij. - materiële schade De opgevoerde materiële schadeposten hebben betrekking op kosten van lijkbezorging in de zin van artikel 6:108, tweede lid, BW en zijn niet betwist. De rechtbank is van oordeel dat de bloemen die op 22 september 2021 zijn gekocht voor een bedrag van € 250,00 in rechtstreeks verband staan met de uitvaart mevrouw [slachtoffer 2] en aldus toewijsbaar zijn op grond van artikel 6:108, tweede lid, BW. Dat geldt niet voor de kosten van € 191,39 voor het huren van een kluis voor het bewaren van persoonlijke eigendommen van mevrouw [slachtoffer 2] . Naar het oordeel van de rechtbank staan deze kosten niet in rechtstreeks verband met de uitvaart van mevrouw [slachtoffer 2] . Dit deel van de vordering zal worden afgewezen, omdat een wettelijke grondslag daarvoor ontbreekt. De rechtbank zal het gevorderde daarom gedeeltelijk toewijzen tot een bedrag van € 250,00, te vermeerderen met de verschuldigde wettelijke rente vanaf de datum waarop de schade is ontstaan. De vordering zal tot een bedrag van € 191,39 worden afgewezen. - immateriële schade De rechtbank overweegt dat [benadeelde 9] – dochter van slachtoffer [slachtoffer 2] – op grond van artikel 6:108, vierde lid, BW valt binnen de kring van gerechtigden die aanspraak kunnen maken op affectieschade. Naar het oordeel van de rechtbank is komen vast te staan dat de genoemde nabestaande als gevolg van het onder 2 bewezen verklaarde feit rechtstreeks schade heeft geleden in de vorm van affectieschade. De opgevoerde immateriële schadepost is niet betwist en naar het oordeel van de rechtbank voldoende onderbouwd en aannemelijk. De rechtbank stelt vast dat het gevorderde schadebedrag overeenkomt met het bedrag dat volgens het Besluit vergoeding affectieschade in aanmerking komt voor de uitwonende meerderjarige dochter van het slachtoffer. De rechtbank zal het gevorderde daarom toewijzen tot een bedrag van € 17.500,00, te vermeerderen met de verschuldigde wettelijke rente vanaf de datum waarop het strafbare feit is gepleegd. - conclusie Op grond van wat hiervoor is uiteengezet, komt de rechtbank tot gedeeltelijke toewijzing van de vordering van [benadeelde 9] tot een bedrag van in totaal € 17.750,00. De vordering zal tot een bedrag van € 191,39 worden afgewezen. 8.5.10 De vordering van de benadeelde partij: [benadeelde 10] (feit 2) Door de gebezigde bewijsmiddelen en de behandeling op de terechtzitting is komen vast te staan dat verdachte door het onder 2 bewezen verklaarde feit rechtstreeks schade heeft toegebracht aan de benadeelde partij. - materiële schade De opgevoerde materiële schadepost heeft betrekking op gederfd levensonderhoud in de zin van artikel 6:108, eerste lid, BW. Er is een bedrag van € 100,00 per maand gevorderd, gedurende 63 maanden, tot het moment waarop [benadeelde 10] de leeftijd van 21 jaren heeft bereikt. Uit de toelichting op de vordering volgt dat het bedrag van € 100,00 per maand een geschat bedrag betreft, omdat de familie niet over voldoende administratie van mevrouw [slachtoffer 2] beschikt om een rekenkundig bureau in te schakelen. Op 25 november 2022 heeft mr. Van Egmond een ouderschapsplan van 13 april 2021 overgelegd, dat is ondertekend door mevrouw [slachtoffer 2] en [naam 1] . Hieruit kan volgens mr. Van Egmond worden afgeleid dat mevrouw [slachtoffer 2] 97,16% van de kosten van [benadeelde 10] kon dragen. Het bedrag van € 100,00 per maand zou daarom redelijk zijn en schattenderwijs door de rechtbank kunnen worden toegewezen. De rechtbank overweegt ten aanzien van de omvang van de schadevergoeding door het derven levensonderhoud dat dit afhankelijk is van zowel de (hypothetische) draagkracht van mevrouw [slachtoffer 2] zoals deze zich naar alle waarschijnlijkheid verder zou hebben ontwikkeld, als de (feitelijke) behoefte van [benadeelde 10] zoals deze zich na het overlijden van mevrouw [slachtoffer 2] – onder invloed van alle omstandigheden, inclusief alle hem toekomende baten – verder gaat ontwikkelen. Naar het oordeel van de rechtbank kunnen uit de toelichting op de vordering en het ter onderbouwing daarvan overgelegde ouderschapsplan geen eenduidige conclusies worden getrokken met betrekking tot de draagkracht van mevrouw [slachtoffer 2] en de behoefte van [benadeelde 10] . Daarom zal de rechtbank geen gebruik maken van de in artikel 6:97 BW neergelegde schattingsbevoegdheid. De rechter die schat, moet zijn beslissing immers zodanig motiveren dat deze voldoende inzicht geeft in de daaraan ten grondslag liggende gedachtegang om de beslissing voor partijen en derden controleerbaar en aanvaardbaar te maken. Aan deze verplichting kan de rechtbank niet voldoen. De rechtbank is van oordeel dat behandeling van dit onderdeel van de vordering die namens [benadeelde 10] is ingediend, die nadere bewijslevering vereist, een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. De rechtbank zal de benadeelde partij daarom in dit deel van de vordering – te weten een bedrag van € 6.300,00 – niet-ontvankelijk verklaren en bepalen dat de benadeelde partij de vordering in zoverre slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen. - immateriële schade De rechtbank overweegt dat [benadeelde 10] – zoon van slachtoffer [slachtoffer 2] – op grond van artikel 6:108, vierde lid, BW valt binnen de kring van gerechtigden die aanspraak kunnen maken op affectieschade. Naar het oordeel van de rechtbank is komen vast te staan dat de genoemde nabestaande als gevolg van het onder 2 bewezen verklaarde feit rechtstreeks schade heeft geleden in de vorm van affectieschade. De opgevoerde immateriële schadepost is niet betwist en naar het oordeel van de rechtbank voldoende onderbouwd en aannemelijk. De rechtbank stelt vast dat het gevorderde schadebedrag overeenkomt met het bedrag dat volgens het Besluit vergoeding affectieschade in aanmerking komt voor de thuiswonende minderjarige zoon van het slachtoffer. De rechtbank zal het gevorderde daarom toewijzen tot een bedrag van € 20.000,00, te vermeerderen met de verschuldigde wettelijke rente vanaf de datum waarop het strafbare feit is gepleegd. De rechtbank zal bepalen dat de als gevolg van deze uitspraak te betalen schadevergoeding op een ten behoeve van [benadeelde 10] te openen bankrekening met een zogenoemde BEM-clausule wordt gestort. Een dergelijke clausule is bedoeld ter bescherming van de belangen van de minderjarige. De minderjarige en zijn wettelijke vertegenwoordiger kunnen in dat geval – tot de minderjarige de leeftijd van 18 jaren heeft bereikt – alleen met toestemming van de kantonrechter over het vermogen van de minderjarige beschikken. De rechtbank zal voorts bepalen dat de raadsvrouw van de benadeelde partij binnen drie maanden na het onherroepelijk worden van dit vonnis het Openbaar Ministerie op de hoogte dient te brengen van de bij de voor de benadeelde partij geopende bankrekening behorende gegevens. - conclusie Op grond van wat hiervoor is uiteengezet, komt de rechtbank tot gedeeltelijke toewijzing van de vordering van [benadeelde 10] tot een bedrag van in totaal € 20.000,00. De benadeelde partij is niet-ontvankelijk in het overige deel van de vordering, te weten voor een bedrag van € 6.300,00. 8.5.11 De vordering van de benadeelde partij: [slachtoffer 3] (feit 3) Door de gebezigde bewijsmiddelen en de behandeling op de terechtzitting is komen vast te staan dat verdachte door het onder 3 bewezen verklaarde feit rechtstreeks schade heeft toegebracht aan de benadeelde partij. - materiële schade De opgevoerde materiële schadeposten zijn niet betwist. De rechtbank is van oordeel dat deze schadeposten bovendien voldoende onderbouwd en aannemelijk zijn. Het gevorderde zal daarom worden toegewezen, met dien verstande dat de post ‘verlies arbeidsvermogen’ – gelet op wat de benadeelde partij ter terechtzitting van 29 november 2022 naar voren heeft gebracht – zal worden toegewezen tot een bedrag van € 1.909,84. De benadeelde partij zal in het overige deel van deze schadepost niet-ontvankelijk worden verklaard, te weten voor een bedrag van € 2.864,76. De rechtbank zal bepalen dat de benadeelde partij de vordering in zoverre slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen. Ten aanzien van de opgevoerde reiskosten overweegt de rechtbank dat deze kosten deels – namelijk tot een bedrag van € [adres 2] ,76 – betrekking hebben op het bijwonen van de zittingen bij de rechtbank. Dit betreft geen rechtstreeks door het bewezen verklaarde feit veroorzaakte schade. Deze kosten zijn in dit geval ook niet aan te merken als voor vergoeding in aanmerking komende proceskosten, omdat de benadeelde partij niet in persoon, maar met een advocaat procedeert. In dit verband wordt verwezen naar het bepaalde in artikel 238 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) in samenhang met artikel 239 Rv en naar jurisprudentie van de Hoge Raad. De gevorderde reiskosten zullen, omdat een wettelijke grondslag daarvoor ontbreekt, tot een bedrag van € [adres 2] ,76 worden afgewezen. De rechtbank zal het gevorderde aldus gedeeltelijk toewijzen tot een bedrag van € 4.895,85, te vermeerderen met de verschuldigde wettelijke rente vanaf de datum waarop de schade is ontstaan. Uit de stukken waarmee de benadeelde partij de vordering heeft onderbouwd, volgt dat de schade (grofweg) in de periode van september 2021 tot en met december 2022 is ontstaan. De rechtbank zal de ingangsdatum van de rente daarom – vanuit praktisch oogpunt – bepalen op 1 mei 2022. - immateriële schade: fysiek letsel en aantasting in de persoon De rechtbank stelt voorop dat voor vergoeding van immateriële schade altijd een wettelijke grondslag is vereist, zoals opgenomen in artikel 6:106 BW. Het eerste lid van dat artikel luidt, voor zover hier van belang: “Voor nadeel dat niet in vermogensschade bestaat, heeft de benadeelde recht op een naar billijkheid vast te stellen

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.