vonnis RECHTBANK OVERIJSSEL Zittingsplaats Almelo Zaaknummer: 8944992 EL 20-6 vonnis van de kantonrechter van 10 februari 2022 in de zaak van de besloten vennootschap Dexia Nederland B.V., gevestigd te Amsterdam, eisende partij, gemachtigde: USG Legal Professionals B.V., tegen [gedaagde] , wonende te [woonplaats] , gedaagde partij, gemachtigde: mr. G. van Dijk, Leaseproces. Partijen worden hierna Dexia en [gedaagde] genoemd. 1De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: de dagvaarding van 10 december 2020 van Dexia, met producties, de conclusie van antwoord van [gedaagde] , met producties, de conclusie van repliek van Dexia, tevens houdende akte (voorwaardelijke) wijziging van eis, met producties, de conclusie van dupliek van [gedaagde] . 1.2. Hierna is vonnis bepaald. 2De feiten 2.1. Op 20 januari 1998 is [gedaagde] een effectenlease-overeenkomst aangegaan met (de rechtsvoorganger van) Dexia, genaamd ‘Spaarleasen’. De overeenkomst heeft contractnummer 36005504. [gedaagde] is verder op 21 december 1998 een tweede effectenlease-overeenkomst aangegaan met (de rechtsvoorganger van) Dexia, genaamd ‘WinstVerDriedubbelaar’. De overeenkomst heeft contractnummer 74125732. In september 1999 is hij met (de rechtsvoorganger van) Dexia een derde effectenlease-overeenkomst aangegaan, genaamd ‘Korting Kado’. Deze overeenkomst heeft contractnummer 59181515. 2.2. De overeenkomsten zijn respectievelijk geëindigd op 15 december 2010, 18 december 2001 en 29 september 2009. Daarbij is bij de overeenkomst met nummer 59181515 een restschuld ontstaan van € 1.881,88, welke door [gedaagde] is voldaan. Dexia heeft in januari 2012 een bedrag van € 1.351,36 aan [gedaagde] terugbetaald. 2.3. De echtgenote van [gedaagde] heeft [gedaagde] , met wie zij ten tijde van het aangaan van de lease-overeenkomsten was gehuwd, geen (schriftelijke) toestemming verleend voor het aangaan van de overeenkomsten. 2.4. Bij brief van 27 juni 2006 (hierna: de vernietigingsbrief) heeft de echtgenote van [gedaagde] een beroep gedaan op artikel 1:89 BW gericht op vernietiging van de lease-overeenkomsten. 3De vordering en het verweer 3.1. Dexia vordert (samengevat), na (voorwaardelijke) wijziging van eis, dat de rechtbank bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad,: 1. zal verklaren voor recht dat Dexia met betrekking tot de overeenkomsten met contractnummers 36005504, 59181515 en 74125732, na betaling van een door de rechtbank in goede justitie vast te stellen bedrag, aan al haar verplichtingen heeft voldaan en niets meer aan [gedaagde] verschuldigd is,2. [gedaagde] zal veroordelen in de proceskosten. 3.2. [gedaagde] voert verweer tegen de vorderingen en concludeert tot niet-ontvankelijk verklaring van Dexia, althans afwijzing van de vorderingen, met veroordeling van Dexia in de proceskosten en de nakosten. 3.3. Op de stellingen en verweren van partijen zal voor zover nodig hierna nader worden ingegaan. 4De beoordeling 4.1. Dexia vordert een verklaring voor recht die ertoe strekt het niet-bestaan van een recht vast te stellen. In haar visie is zij niets meer aan [gedaagde] verschuldigd. 4.2. [gedaagde] stelt dat er nog een vordering op Dexia resteert, omdat hij meent nog een vordering te hebben op Dexia vanwege de vernietiging van de effectenlease-overeenkomsten op grond van art. 1:89 BW, dan wel vanwege de onaanvaardbaar zware financiële last die het aangaan van de overeenkomst met contractnummer 74125732 voor hem betekende. Ook is hij van mening dat Dexia nog de aan zijn kant gemaakte buitengerechtelijke kosten dient te vergoeden. 4.3. In beginsel is het aan de schuldeiser van een vordering om te bepalen of en op welk moment hij zijn vordering in rechte geldend wil maken. Indien hij de regels ten aanzien van de (stuiting van) de verjaring (en onder omstandigheden de klachtplicht) in acht neemt, kan hij daarvoor de tijd nemen. Anderzijds dient het procesrecht er ook toe om bescherming te bieden aan een schuldenaar die jarenlang wordt genoodzaakt rekening te houden met een onduidelijke, mogelijk nog jegens hem geldend te maken vordering. Ook hem moet de mogelijkheid worden geboden om aan die situatie op enig moment een einde te maken door uitsluitsel te kunnen krijgen over de vraag of het gaat om daadwerkelijk bestaande civielrechtelijke rechten. Daartoe kan de door Dexia gevraagde verklaring voor recht een geëigend middel zijn. Bij een dergelijke negatieve verklaring voor recht, blijven de stelplicht en bewijslast rusten op de partij die in materieel opzicht aan bepaalde feiten rechtsgevolgen verbonden wil zien. De vorm waarin de vordering is gegoten is daarbij niet bepalend. Voor toewijzing van de vordering van Dexia is vereist dat in dit geding kan worden vastgesteld dat zij niets meer aan [gedaagde] is verschuldigd. Dat betekent dat wanneer dat niet ten volle kan worden vastgesteld, in beginsel afwijzing van de vordering behoort te volgen, dan wel de vordering slechts voorwaardelijk toewijsbaar is. Algemeen 4.4. Het gaat in deze zaak om een financieel product dat tussen 1990 en 2003 in Nederland ongeveer één miljoen keer is verkocht, namelijk een effectenlease-overeenkomst. Kenmerk van dit product is, dat de afnemer van het product met geleend geld belegt. Na het instorten van de aandelenmarkt zijn vele afnemers geconfronteerd met restschulden en andere verliezen. In de afgelopen 15 á 20 jaar zijn in Nederland hierover duizenden procedures gevoerd, waarbij Dexia vaak één van de procespartijen was. Door belangenbehartigers van afnemers en vertegenwoordigers van aanbieders van deze producten is, in het kader van de WCAM, een regeling getroffen, die bij beschikking van het Gerechtshof Amsterdam van 25 januari 2007 algemeen verbindend is verklaard. Enkele tienduizenden afnemers hebben deze regeling niet geaccepteerd en tijdig een opt-out-verklaring ingediend, waaronder [gedaagde] . 4.5. De veelheid van procedures heeft geleid tot veel jurisprudentie, waaronder verschillende richtinggevende arresten van de Hoge Raad. Deze jurisprudentie is bij de gemachtigden van partijen bekend. In het bijzonder gaat het om de arresten van de Hoge Raad van 28 maart 2008 (ECLI:NL:HR:2008:BC2837), 5 juni 2009 (ECLI:NL:HR:2009:BH 2815), 29 april 2011 (ECLI:NL:HR:2011:BP4003), 3 februari 2017 (ECLI:NL:HR: 2017:164) en 12 april 2019 (ECLI:NL:HR:2019:590) en de arresten van het gerechtshof Amsterdam van 1 december 2009 (ECLI:NL: GHAMS:2009:BK4981) en 1 april 2014, (ECLI:NL:GHAMS:2014:1135). Deze jurisprudentie wordt als leidraad genomen. Door partijen zijn geen (althans onvoldoende) bijzondere omstandigheden gesteld die in deze zaak een afwijking daarvan rechtvaardigen. 4.6. Toepassing van deze maatstaven en beoordelingskaders leidt in het onderhavige geval tot de volgende conclusies: er is sprake van huurkoop; er is geen sprake van dwaling, misleidende reclame en/of misbruik van omstandigheden; evenmin is er sprake van (ver)nietig(baar)heid krachtens de Wck; Dexia heeft haar bijzondere zorgplichten geschonden, in elk geval de waarschuwingsplicht, en daardoor onrechtmatig gehandeld; afnemer heeft schade geleden, bestaande uit betaalde termijnen en restschuld; er is voldoende causaal verband aanwezig tussen de hiervoor bedoelde schade en de onrechtmatige daad van Dexia. 4.7. Verder volgt daar uit dat als uitgangspunt heeft te gelden dat op de door [gedaagde] geleden schade eerst in mindering dient te worden gebracht het voordeel als bedoeld in artikel 6:100 BW en vervolgens (op het restant) het deel van de schade dat [gedaagde] wegens eigen schuld als bedoeld in artikel 6:101 BW zelf dient te dragen. Daarbij dient een onderscheid te worden gemaakt tussen de schade bestaande uit de verschuldigde termijnen en de schade bestaande uit een (eventuele) restschuld. Indien het aangaan van de overeenkomsten voor [gedaagde] een onaanvaardbaar zware financiële last met zich bracht dient [gedaagde] een derde deel van de schade uit zowel verschuldigde termijnen (de inleg) als de restschuld zelf te dragen. Indien geen sprake was van een dergelijke last dient [gedaagde] de schade wegens verschuldigde termijnen geheel zelf te dragen en van de schade wegens restschuld een derde deel. Of sprake is van een zodanig onaanvaardbaar zware financiële last wordt beoordeeld door toepassing van de zogenoemde Hofformule als weergegeven in het arrest van hof Amsterdam van 1 december 2009 (ECLI:NL: GHAMS:2009:BK4981). [gedaagde] dient de gegevens die nodig zijn voor deze beoordeling te verstrekken en met stukken te onderbouwen. Huurkoop en artikel 1:88/1:89 BW 4.8. Ingevolge de arresten van de Hoge Raad van 28 maart 2008, (LJN BC2837) en 9 juli 2010 (LJN BM3868) wordt de lease-overeenkomsten aangemerkt als huurkoop. 4.9. Dit betekent dat artikel 1:88 lid 1 onder d BW op de lease-overeenkomsten van toepassing is, zodat [gedaagde] voor het aangaan van de lease-overeenkomsten de toestemming van zijn echtgenote behoefde. Nu volgens artikel 7A:1576i BW huurkoop bij akte wordt aangegaan, diende deze toestemming ook schriftelijk te worden gegeven (vgl. het arrest van het gerechtshof te Amsterdam van 1 maart 2007, LJN AZ9721, rov 2.12.3 en het reeds genoemde arrest van de Hoge Raad van 28 maart 2008). Aangezien deze schriftelijke toestemming ontbreekt, had de echtgenote van [gedaagde] de bevoegdheid een beroep te doen op de hier bedoelde vernietigbaarheid. Verjaring 4.10. Dexia beroept zich er op dat het vernietigingsrecht van artikel 1:89 BW is verjaard. De verjaringstermijn voor een beroep op dit vernietigingsrecht is op grond van artikel 3:52 lid 1 sub d BW drie jaar. De termijn vangt aan op het moment dat degene aan wie de bevoegdheid tot vernietiging toekomt bekend wordt met de overeenkomst. Niet noodzakelijk is dat deze bekend is met de juridische kwalificatie van die overeenkomst (vgl. HR 5 januari 2007, LJN AY8771 en Gerechtshof Amsterdam, 19 mei 2009, LJN BI 4359). Van belang is derhalve wanneer de echtgenote van [gedaagde] bekend was met het bestaan van de lease-overeenkomsten. 4.11. Op Dexia rust de stelplicht en bewijslast ten aanzien van het beroep op verjaring. 4.12. De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 9 oktober 2015 (JOR 2015/337 m.nt. mr. T.M.C. Arons, ECLI:NL:HR:2015:3018) beslist dat de stuitende werking op de voet van artikel 3:316 lid 1 BW van een collectieve vordering in de zin van artikel 3:305a BW zich uitstrekt tot de verjaring van een op die collectieve actie, ingesteld op 13 maart 2003, aansluitende, individuele vordering tot vernietiging van rechtshandelingen krachtens artikel 1:89 BW en dat dit ingevolge het bepaalde in artikel 3:52 lid 2 BW ertoe leidt dat ook de verjaring van de bevoegdheid tot het uitbrengen van een buitengerechtelijke verklaring tot vernietiging wordt gestuit. Voorts heeft de Hoge Raad daarin bepaald dat een buitengerechtelijke vernietigingsverklaring als hiervoor bedoeld, die wordt uitgebracht voor het tijdstip waarop de in artikel 3:316 lid 2 BW bedoelde termijn van zes maanden is verstreken, tijdig is uitgebracht. 4.13. Uit het arrest van de Hoge Raad van 19 mei 2017 (ECLI:NL:HR:2017:936) volgt dat tot uitgangspunt moet worden genomen dat de verjaring van de bevoegdheid tot vernietiging van de effectenlease-overeenkomst(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.