RECHTBANK OVERIJSSEL Team Strafrecht Meervoudige kamer Zittingsplaats Zwolle Parketnummer: 08-993147-19 (P) Datum vonnis: 21 maart 2022 Vonnis op tegenspraak in de zaak van de officier van justitie tegen: [verdachte] , geboren op [geboortedatum] 1964 in [geboorteplaats] , wonende op het adres [adres] , Verenigde Arabische Emiraten. 1Het onderzoek op de terechtzitting Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzittingen van 9 januari 2020, 5 maart 2020, 18 en 20 januari en 15 februari 2021, 17 en 18 februari 2022 en 7 maart 2022. De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officieren van justitie, mr. J.C.G. van der Wulp en mr. M. Lambregts, en van wat door verdachte en zijn raadsman, mr. Th. J. Kelder, advocaat te 's-Gravenhage, naar voren is gebracht. 2De tenlastelegging De verdenking komt er, kort en zakelijk weergegeven, op neer dat verdachte: feit 1: in de periode van 16 april 2013 tot en met 30 juni 2016 en/of in de periode van 1 juli 2016 tot en met heden, heeft geweigerd om aan de rechter-commissaris in faillissementszaken (mr. P. Neijt) en/of de curatoren ( [curator 1] en [curator 2] ) - aangesteld in zijn privé-faillissement - de vereiste inlichtingen te geven en zonder geldige reden is weggebleven; feit 2: hij in de periode van 10 juni 2014 tot en met 30 juni 2016 en/of in de periode van 1 juli 2016 tot en met heden, als voormalig bestuurder van de vennootschap [bedrijf 1] B.V. - failliet verklaard op 10 juni 2014 - heeft geweigerd om aan de curator (mr. [curator 3] ) de vereiste inlichtingen te geven en zonder geldige reden is weg gebleven. Voluit luidt de tenlastelegging aan verdachte, dat: feit 1: hij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 16 april 2013 tot en met 30 juni 2016 in de gemeente(
(2014)naar mr. [curator 1] om zich op te laten sluiten? [verdachte] is verplicht op basis van art l05 Fw om voor de curator te verschijnen en inlichtingen te verschaffen zo vaak als deze wenst. [verdachte] hoeft alleen niet te verschijnen als hij een geldige reden heeft om niet te verschijnen. Wat is nu een geldige reden? Dat er bijna een jaar lang geen vraag gesteld is? Dat er karrevrachten en meer aan informatie is verstrekt ? Dat mr. [curator 1] bevestigt dat er enkel cruciale informatie ontbreekt over een transactie net voor het faillissement en dat nu na bijna een jaar stilzwijgen pas meldt ? Dit terwijl uit alles blijkt dat er geen informatie kan ontbreken ? Dat de enige reden is om [verdachte] op te sluiten zonder straf en te dwingen tot de gewenste handelingen ? Dat mr. [curator 1] publiekelijk uitgenodigd is zijn ondenkbare vraag te stellen maar dit niet doet ? Dat het slecht weer is in Nederland ?” Uit een getuigenverhoor van getuige [naam 7] , verslaggever, blijkt dat hij in Dubai met verdachte heeft gesproken. Verdachte vertelde [naam 7] tijdens dat gesprek dat hij wel aan het onderzoek wilde meewerken, maar dat hij ‘niet vast wilde zitten en dat hij daarom in Dubai zit’. Voorts heeft verdachte op 7 februari 2017 naar de rechter-commissaris een fax gestuurd met de volgende tekst: “Waar recht onrecht is, is verzet een plicht. Al die prachtige dikke wetboeken, die discutabele jurisprudentie voortkomend uit vonnissen van de Rechtbank Oost-Brabant en al die vele met juridische termen doorspekte brieven ten spijt, ben ik hier - in Dubai - en u allen daar. U en de curatoren brengen daar geen verandering in. Nu niet, dan niet en nooit niet.” Uit het voorgaande volgt dat verdachte welbewust niet voor de curatoren en de rechter-commissaris is verschenen en dat zonder een geldige reden. Van een verontschuldigbare onbewustheid ten aanzien van de ongeoorloofdheid van de gedraging is evenmin gebleken. 4.5 De bewezenverklaring De rechtbank acht op grond van de hiervoor opgegeven bewijsmiddelen waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten heeft begaan, met dien verstande dat: Feit 1 : hij in de periode van 16 april 2013 tot en met 30 juni 2016 in Nederland, (telkens) als degene die op 16 april 2013 door de rechtbank Oost-Brabant in staat van faillissement was verklaard (DOC-102, p. 3709) en wettelijk opgeroepen (ingevolge artikel 105/106 Faillissementswet) (alsmede) middels beschikking van de rechtbank Oost-Brabant d.d. 28 mei 2013 (DOC-001, p. 2814)) tot het geven van (alle) inlichtingen: voor/aan de rechter-commissaris in faillissementszaken mr. P.J. Neijt in de Rechtbank Oost-Brabant te ’s-Hertogenbosch zonder geldige reden opzettelijk is weg gebleven, en voor/aan de curatoren mr. [curator 1] te Eindhoven en mr. [curator 2] te 's-Hertogenbosch, opzettelijk heeft geweigerd deze curator(en) de vereiste inlichtingen te (doen) geven, door geen inlichtingen te verstrekken met betrekking tot zijn woon- en verblijfplaats, en zonder geldige reden opzettelijk is weg gebleven, en hij in de periode van 1 juli 2016 tot en met 14 oktober 2019 in Nederland als degene die op 16 april 2013 door de rechtbank Oost-Brabant in staat van faillissement was verklaard en wettelijk verplicht (ingevolge artikel 105/106 Faillissementswet) (alsmede) middels beschikking van de rechtbank Oost-Brabant d.d. 28 mei 2013 tot het geven van (alle) inlichtingen: voor/aan de rechter-commissaris in faillissementszaken mr. P.J. Neijt in de Rechtbank Oost-Brabant te 's-Hertogenbosch, en/of voor/aan de curatoren mr. [curator 1] te Eindhoven en mr. [curator 2] te 's-Hertogenbosch, opzettelijk heeft geweigerd deze rechter-commissaris en/of deze curatoren de vereiste en volledige inlichtingen te (doen) geven, door geen inlichtingen te verstrekken met betrekking tot zijn woon- en verblijfplaats, en zonder geldige reden opzettelijk is weg gebleven; Feit 2 : hij in de periode van 10 juni 2014 tot en met 30 juni 2016 in Nederland, als (voormalig) (middellijk) bestuurder van [bedrijf 1] B.V., welke laatste op 10 juni 2014 door de rechtbank Oost-Brabant in staat van faillissement was verklaard, en terwijl hij, verdachte, wettelijk was opgeroepen (ingevolge artikel 105/106 Faillissementswet) om te verschijnen en alle inlichtingen te verstrekken voor/aan de curator mr. [curator 3] te Rosmalen, opzettelijk heeft geweigerd deze curator de vereiste inlichtingen te (doen) geven, door geen inlichtingen te verstrekken met betrekking tot zijn woon- en verblijfplaats, en zonder geldige reden opzettelijk is weg gebleven, en hij in de periode van 1 juli 2016 tot en met 14 oktober 2019 in Nederland, als (voormalig) (middellijk) bestuurder van [bedrijf 1] B.V., welke laatste op 10 juni 2014 door de rechtbank Oost-Brabant in staat van faillissement was verklaard, en terwijl hij, verdachte, wettelijk verplicht was (ingevolge artikel 105/106 Faillissementswet) om te verschijnen en (alle) inlichtingen te verstrekken voor/aan de curator mr. [curator 3] te Rosmalen, opzettelijk heeft geweigerd deze curator de vereiste en volledige inlichtingen te (doen) geven, door geen inlichtingen te verstrekken met betrekking tot zijn woon- en verblijfplaats, en zonder geldige reden opzettelijk is weg gebleven. De rechtbank acht niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd, zodat zij hem daarvan zal vrijspreken. Indien in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd in de bewezenverklaring. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging. 5De strafbaarheid van het bewezen verklaarde Het bewezen verklaarde is strafbaar gesteld in artikel 194 Sr, zoals die bepaling gold tot alsook na 1 juli
- Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Het bewezen verklaarde levert op: feit 1 het misdrijf: (tot 1 juli 2016) in staat van faillissement verklaard en wettelijk opgeroepen tot het geven van inlichtingen zonder geldige reden wegblijven en weigeren de vereiste inlichtingen te geven, meermalen gepleegd; (vanaf 1 juli 2016) in staat van faillissement verklaard en wettelijk verplicht tot het geven van inlichtingen, zonder geldige reden wegblijven en opzettelijk onvolledige inlichtingen geven, meermalen gepleegd; feit 2 het misdrijf: (tot 1 juli 2016) in staat van faillissement verklaard als bestuurder of commissaris van een rechtspersoon wettelijk opgeroepen tot het geven van inlichtingen zonder geldige reden wegblijven en weigeren de vereiste inlichtingen te geven, meermalen gepleegd; (vanaf 1 juli 2016) in staat van faillissement verklaard als bestuurder of commissaris van een rechtspersoon wettelijk verplicht tot het geven van inlichtingen, zonder geldige reden wegblijven en opzettelijk onvolledige inlichtingen geven, meermalen gepleegd. 6De strafbaarheid van verdachte Ten aanzien van feit 1 en feit 2 Namens verdachte is nog aangevoerd dat sprake moet zijn van ontslag van alle rechtsvervolging, op grond van het hiernavolgende. Beroep op rechtsdwaling De raadsman heeft aangevoerd dat verdachte moet worden ontslagen van alle rechtsvervolging, omdat sprake is geweest van rechtsdwaling aangezien verdachte (mede naar aanleiding van adviezen van verschillende advocaten) meende dat hij een geldige reden had om niet te verschijnen, ondanks door de curatoren in de faillissementen daartoe te zijn opgeroepen. De rechtbank overweegt ten aanzien van dit verweer dat – zoals hiervoor overwogen ten aanzien van het opzet – uit het handelen van de verdachte blijkt dat hij er (steeds) welbewust voor heeft gekozen om aan oproepingen en sommaties van de curatoren sinds 13 december 2013 geen gehoor te geven. Niet gebleken is dat verdachte in een toestand van rechtsdwaling heeft verkeerd. Het verweer wordt verworpen. Beroep op overmacht in de zin van noodtoestand De raadsman heeft aangevoerd dat het feit dat verdachte werd gesommeerd om inlichtingen te verstrekken met betrekking tot zijn adres, terwijl die informatie zou worden gedeeld met het openbaar ministerie, zich - gezien zijn positie als verdachte in het onderliggende strafrechtelijke onderzoek - niet verhield met het aan de verdachte toekomende zwijgrecht, het ‘nemo tenetur’- beginsel en het vereiste van een eerlijk proces. Aan verdachte komt gelet hierop een beroep op overmacht, in de zin van noodtoestand, toe, nu sprake was van een ernstig conflict van plichten. De rechtbank overweegt dienaangaande als volgt. Op grond van artikel 40 Sr is ‘niet strafbaar hij die een feit begaat waartoe hij door overmacht is gedrongen’. De rechtbank is anders dan de raadsman van oordeel – onder verwijzing naar haar eerdere overwegingen ten aanzien van de ‘geldige reden om niet te verschijnen’ – dat van een actuele concrete noodsituatie, waardoor verdachte een keuze heeft moeten maken tussen aan de ene kant naleving van de wet en aan de andere kant naleving van een maatschappelijke plicht, niet is gebleken. De rechtbank verwerpt het verweer. Er zijn ook overigens geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De rechtbank oordeelt daarom dat verdachte strafbaar is voor de bewezen verklaarde feiten. 7De op te leggen straf of maatregel 7.1 De vordering van de officieren van justitie De officieren van justitie hebben gevorderd dat verdachte ter zake van het onder 1 en 2 ten laste gelegde wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf van 16 maanden. 7.2 Het standpunt van de verdediging De verdediging heeft ten aanzien van de strafoplegging het volgende aangevoerd. Het door de curatoren en de rechter-commissaris in de faillissementen en door het openbaar ministerie geschetste beeld van verdachte - als een voortvluchtige die met zakken vol poen naar een zonnig oord is vertrokken en de curatoren met opzet heeft achtergelaten met louter ellende - is onterecht. Verdachte heeft wel degelijk aan het onderzoek van de curatoren meegewerkt en een grote hoeveelheid inlichtingen verstrekt. Strafrechtelijke vervolging ter zake van overtreding van artikel 194 Sr is dan ook onterecht. De eis, een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 16 maanden, is onredelijk. Deze eis staat niet in verhouding tot de straffen die in soortgelijke zaken plegen te worden opgelegd. De raadsman heeft verzocht om bij de strafoplegging in elk geval rekening te houden met de onmogelijke positie waarin verdachte heeft verkeerd en nog altijd verkeert, gelet op het met onderhavige zaak samenhangende strafrechtelijk onderzoek naar faillissementsfraude ten aanzien van meerdere vennootschappen, het feit dat verdachte wel degelijk medewerking heeft verleend bij het verstrekken van inlichtingen en het feit dat hij in de civiele procedure reeds een maand in faillissementsgijzeling heeft gezeten. De raadsman heeft ten slotte nog verzocht om bij de strafoplegging tevens rekening te houden met de overschrijding van de redelijke termijn in de zin van artikel 6 EVRM. De eerste aangifte ter zake van overtreding van artikel 194 Sr is gedaan op 30 januari
- Ten tijde van de uitspraak zijn meer dan acht jaren verstreken sinds die aangifte. Dit tijdsverloop van acht jaren valt niet te wijten aan de verdachte. 7.3 De gronden voor een straf of maatregel Bij de strafoplegging houdt de rechtbank rekening met de aard en de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van verdachte zoals die uit het dossier en tijdens de behandeling ter terechtzitting naar voren zijn gekomen. De rechtbank acht daarbij in het bijzonder het volgende van belang. Verdachte heeft zich als gefailleerde in zijn privé-faillissement en als bestuurder van een gefailleerde vennootschap jarenlang en meerdere malen schuldig gemaakt aan schending van de inlichtingen- en verschijningsplicht ex artikel 105 Fw (oud en nieuw) en daarmee aan overtreding van artikel 194 Sr. Verschillende curatoren hebben verdachte vele malen opgeroepen om persoonlijk te verschijnen om (nadere) inlichtingen te verstrekken. Verdachte heeft – nadat hem bekend was geworden dat de schorsing van de faillissementsgijzeling werd opgeheven wegens het niet voldoen aan de voorwaarden – bewust Nederland verlaten teneinde zich aan een nieuwe faillissementsgijzeling te onttrekken en heeft zich met zijn gezin gevestigd in Dubai. Hij heeft vervolgens stelselmatig geweigerd om aan de oproepingen om persoonlijk te verschijnen gehoor te geven, terwijl hij daartoe wettelijk wel verplicht was. De rechtbank rekent de verdachte het strafbare handelen met name aan nu het maatschappelijke en het economische verkeer verlangt dat faillissementen voortvarend en efficiënt worden afgewikkeld. In het onderhavige geval heeft verdachte zo’n afwikkeling door zijn laakbare handelwijze jarenlang (zelfs tot op de dag van vandaag) bewust tegengewerkt en gefrustreerd. Dit klemt temeer nu uit het dossier blijkt dat het vroegere concern van verdachte, [bedrijf 3] , een ongekend grote omvang heeft gehad (bestaande uit meer dan 150 vennootschappen), waarbij sprake is (geweest) van grote financiële belangen en daarmee samenhangende vorderingen en geldstromen. De curatoren dienen de aan de orde zijnde privé-faillissementen van verdachte en zijn medeverdachte alsmede de faillissementen van de aan hen gelieerde vennootschappen af te wikkelen tegen de achtergrond van dit zeer grote concern met complexe juridische verhoudingen. Gelet hierop had van verdachte veel meer medewerking mogen worden verwacht op het gebied van de inlichtingen- en (met name) de verschijningsplicht. Gezien de ernst van de feiten kan naar oordeel van de rechtbank niet anders worden gereageerd dan met oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf. Bij de strafoplegging heeft de rechtbank een de verdachte betreffend recent uittreksel justitiële documentatie in acht genomen, waaruit blijkt dat verdachte niet eerder is veroordeeld ter zake van een soortgelijk feit. De rechtbank acht in beginsel oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van twaalf maanden passend en geboden. Bij de strafoplegging houdt de rechtbank rekening met de aan de orde zijnde overschrijding van de redelijke termijn. De overschrijding van de redelijke termijn is naar oordeel van de rechtbank in dit geval niet (alleen) aan de verdachte te wijten. Uit een arrest van de Hoge Raad van 17 juni 2008 (ECLI:NL:HR:BD 2578) volgt dat in geval van overschrijding van de redelijke termijn - de redelijke termijn in een strafrechtelijke procedure van twee jaar – bij oplegging van gevangenisstraf, een hechtenis, een taakstraf en/of geldboete sprake is van vermindering van de straf ‘naar bevind van zaken’ bij overschrijding met een periode van meer dan twaalf maanden. Ten aanzien van oplegging van gevangenisstraf geldt daarbij: een strafvermindering van nooit meer dan de duur van de overschrijding en maximaal zes maanden. De rechtbank zal gelet op ruime overschrijding van de redelijke termijn in dit geval vier maanden in mindering brengen op de - in beginsel passende - gevangenisstraf van twaalf maanden, zodat een gevangenisstraf voor de duur van acht maanden resteert. Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de verdachte in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma als bedoeld in artikel 4 van de Penitentiaire beginselenwet. 8De toegepaste wettelijke voorschriften De hierna te nemen beslissing berust op het hiervoor genoemde wetsartikel. Daarnaast berust deze beslissing op artikel 57 Sr. 9De beslissing De rechtbank: verklaart de dagvaarding geldig; verklaart het openbaar ministerie ontvankelijk in de vervolging van verdachte; Bewezenverklaring verklaart bewezen dat verdachte de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten heeft begaan, zoals hierboven omschreven; verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij; Strafbaarheid feiten verklaart het bewezen verklaarde strafbaar; verklaart dat het bewezen verklaarde de volgende strafbare feiten oplevert: feit 1 het misdrijf: (tot 1 juli 2016) in staat van faillissement verklaard en wettelijk opgeroepen tot het geven van inlichtingen zonder geldige reden wegblijven en weigeren de vereiste inlichtingen te geven, meermalen gepleegd; (vanaf 1 juli 2016) in staat van faillissement verklaard en wettelijk verplicht tot het geven van inlichtingen, zonder geldige reden wegblijven en opzettelijk onvolledige inlichtingen geven, meermalen gepleegd; feit 2 het misdrijf: (tot 1 juli 2016) in staat van faillissement verklaard als bestuurder of commissaris van een rechtspersoon wettelijk opgeroepen tot het geven van inlichtingen zonder geldige reden wegblijven en weigeren de vereiste inlichtingen te geven, meermalen gepleegd; (vanaf 1 juli 2016) in staat van faillissement verklaard als bestuurder of commissaris van een rechtspersoon wettelijk verplicht tot het geven van inlichtingen, zonder geldige reden wegblijven en opzettelijk onvolledige inlichtingen geven, meermalen gepleegd; Strafbaarheid verdachte verklaart verdachte strafbaar voor het onder 1 en 2 bewezen verklaarde; Straf veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 8 (acht) maanden. Dit vonnis is gewezen door mr. M.J.C.M. Manders, voorzitter, mr. M.B. Werkhoven en mr. J.H.W.R. Orriëns-Schipper, rechters, in tegenwoordigheid van mr. J.M. van Westerlaak, griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 21 maart
- Buiten staat mr. J.H.W.R. Orriëns-Schipper is niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen. HR 27 juni 1995, ECLI:NL:HR:1995:ZD
- O.a. HR 8 mei 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW5002; HR 26 april 2016, ECLI:NL:HR:2016:742 en HR 7 april 2020, ECLI:NL:HR:2020:
- Tekst en Commentaar Insolventierecht, actueel t/m 1 oktober 2021; zie ook MvT, Van der Feltz II, pag.
- Mr. dr. M.L.H. Reumers, ‘De inlichtingen – en medewerkingsplicht, nemo tenetur en wilsafhankelijk materiaal’, Tijdschrift voor curatoren, 4 september 2018, pag. 74 e.v. en o.a. HR 12 juli 2013, NJ 2013/435; HR 24 januari 2014, NJ 2014/
- Reumers, ‘De inlichtingen – en medewerkingsplicht, nemo tenetur en wilsafhankelijk materiaal’, pag. 76 en EHRM 17 december 1996 nr. 19187/91, NJ 1997/699 (Saunders/ VK). Reumers, ‘De inlichtingen - en medewerkingsplicht, nemo tenetur en wilsafhankelijk materiaal’, pag. 76 onderaan, 77 bovenaan. Reumers, ‘De inlichtingen- en medewerkingsplicht, nemo tenetur en wilsafhankelijk materiaal’, pag.
- Reumers, ‘De inlichtingen – en medewerkingsplicht, nemo tenetur en wilsafhankelijk materiaal’, pag.
- O.a. HR 24-01-2014, ECLI:NL:HR:2014:161, NJ 2014/70; zie ook MvT, Kamerstukken II 2014/15, 34253, 3, pag. 19-20 en MvA, Kamerstukken I 2016/17, C, pag. 3 en HR 26 juni 2018, ECLI:NL:HR:2018:992, RvdW 2018/811 (art. 81 RO-zaak). In Hof Arnhem-Leeuwarden 16 november 2016, ECLI:NL:GHARL:2016:9232, JOR 2017/135 werd de boekhouding aangemerkt als wilsonafhankelijk materiaal en werd het geoorloofd geacht dat de gefailleerde onder dreiging van een faillissementsgijzeling ertoe werd gebracht te verklaren waar deze zich bevond, waarna dat materiaal in een strafprocedure kon worden gebruikt. Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, zijn dit pagina’s uit het dossier van de Belastingdienst – FIOD met dossiernummer 54300 in het onderzoek ‘ [verdachte] ’. Tenzij hieronder anders wordt vermeld, wordt steeds verwezen naar bladzijden van een in de wettelijke vorm, door daartoe bevoegde personen, opgemaakt proces-verbaal. Rechtbank Oost-Brabant, 16 april 2013; DOC-102, pag.
- Arrest gerechtshof Den Bosch, 20 juni 2013; DOC-
- Arrest Hoge Raad 2 mei 2014, DOC-
- Vonnis rechtbank Oost-Brabant, 16 april 2013, DOC-270; DOC-102 pag.
- Aangifte curatoren mr. [curator 2] en [curator 1] , 30 januari 2014; AG-01 / DOC-001, pag. 1 – 42 (met 12 bijlagen pag. 43 – 101). Aangifte 30 jan. 2014, AG-01, pag.
- Aanvangsproces-verbaal, AMB-001 (dossierpagina 1213 en 1214) pag. 4-5; zie ook de aangifte van de curatoren 30 januari 2014, AG-01, pagina’s 7 -
- Beschikking rechtbank Oost-Brabant, 28 mei 2013, bijlage 4 bij aangifte 30 jan. 2014, AG-01, DOC-001, p.
- Beschikking rechtbank Oost-Brabant d.d. 28 mei 2013, bijlage 4 bij AG-01, pag. 56 onderaan e.v.. Aangifte curatoren [curator 1] en [curator 2] 30 januari 2014, AG-01, pagina 20; zie ook AMB-001, dossierpag.
- Aangifte [curator 2] en [curator 1] , AG-09, hoofdproces-verbaal pag. 973 – 974 met bijlagen 09a t/m 09h (pag. 975 – 997). Aanvullende aangifte curatoren [curator 2] en [curator 1] van 5 april 2016, AG-09, bijlage f. Aanvullende aangifte, AG-09, bijlage c. Aanvullende aangifte curatoren [curator 2] en [curator 1] van 5 april 2016, AG-09, bijlage d. Aanvullende aangifte curatoren [curator 2] en [curator 1] van 5 april 2016AG-09, bijlage e. Aangifte [curator 2] en [curator 1] , AG-09, hoofdproces-verbaal pag.
- Aangifte 24 september 2019, curatoren [curator 1] en [curator 2] , bijlagen 12 tot en met 20: e-mailberichten waarin verdachte is opgeroepen te verschijnen. E-mail mr. Aerts, Divos, dossier deel 1, pag.
- E-mail 21 aug. 2015 gericht aan [verdachte] , mr. M. Steenpoorte namens de curatoren, bijlage 29 bij Aanvullende aangifte van 24 september
- Brief van verdachte van 7 februari 2017, gericht aan rc van der Burgt, bijlage 22 bij Aanvullende aangifte va 24 september 2019, pag. 4 en
- Proces-verbaal van verhoor van getuige [curator 2] , 7 november 2018, pag. 9; zie ook requisitoir van de zitting van 18 januari 2021, pag.
- Doc-058, pag.
- Aangifte curator [curator 3] , 1 oktober 2019, BOB-007, Divos deel 2, pag
- Aangifte curator [curator 3] , 1 oktober 2019, pag.
- Bijlagen bij aangifte curator [curator 3] 1 oktober 2019, Cur-A-8 en Cur-A-
- Aangifte curator [curator 3] inzake [bedrijf 1] B.V., 1 oktober 2019, pag. 8, en CUR-A-27 en CUR-A-
- Aangifte curator [curator 3] inzake [bedrijf 1] B.V., 1 oktober 2019, pag. 17 en CUR-A-39, CUR-A-47, CUR-D, CUR-E. Aangifte curator [curator 3] inzake [bedrijf 1] B.V., 1 oktober 2019, pag. 18 bovenaan en brief verdachte aan curator [curator 3] 8 september 2019, bijlage CUR-A-
- Aangifte curator [curator 3] 1 oktober 2019 pag. 15 en bijlage Cur-A-
- Bijlagen bij aangifte 1 oktober 2019 curator [curator 3] , CUR-A-1 en CUR-A-
- CUR-stukken-A-
- CUR-A-3, CUR-A-
- Aangifte curator [curator 3] inzake [bedrijf 1] B.V., 1 oktober 2019, pag. 33 -
- Getuigenverklaring [naam 4] , G-03; getuigenverklaring [naam 3] , G-04, CUR-stukken CUR-V, CUR-A-33, CUR-F, CUR-A-20; correspondentie tussen [naam 4] en [naam 6] , CUR-W, D-
- Aanvulling op de aangifte van 1 oktober van mr. van der Laan namens [curator 3] d.d. 14 november 2019, pag. 6 en CUR-A-
- Beschikking 13 december 2013, bijlage 2 bij de aangifte van 24 september 2019 van curatoren [curator 1] en [curator 2] . E-mailbericht van verdachte van 18 december 2013 gericht aan [naam 6] en [naam 8] , bijlage 3 bij de aangifte van 24 september 2019 van curatoren [curator 1] en [curator 2] . Gepubliceerd interview met [verdachte] , DOC-
- Getuigenverhoor [naam 7] , G-02-01, pag.
- Bijlage 22 bij de aangifte van de curatoren [curator 1] en [curator 2] , faxbericht verdachte 7 feb. 2017.