RECHTBANK OVERIJSSEL Civiel recht Kantonrechter Zittingsplaats Enschede Zaaknummer: 10202498 \ CV EXPL 22-4150 Vonnis van 21 maart 2023 in de zaak van [A] H.O.D.N. [B], te [vestigingsplaats] , eisende partij, hierna te noemen: zowel [A] als [B] , gemachtigde: B. Drent, tegen [gedaagde] , te [woonplaats] , gedaagde partij, hierna te noemen: [gedaagde] , procederend in persoon. 1De procedure 1.
- Het verloop van de procedure blijkt uit: - de dagvaarding, - de conclusie van antwoord, - de conclusie van repliek, - de conclusie van dupliek. 1.
- Ten slotte is vonnis bepaald. 2Inleiding 2.
- Deze zaak gaat over de vraag of [A] op grond van de huur- en serviceovereenkomst een bedrag heeft te vorderen van [gedaagde] . 2.
- De kantonrechter is van oordeel dat hiervoor geen gronden aanwezig zijn. 3De feiten 3.
- [gedaagde] heeft op 1 november 2017 een huur- en serviceovereenkomst (hierna: de overeenkomst) gesloten met [C] ingeschreven bij de Kamer van Koophandel onder nummer KvK [nummer] (hierna [C] ) voor het mogen beschikken over een werkplek voor zakelijk gebruik in het [pand] aan [het adres] in [vestigingsplaats] In de overeenkomst is, voor zover van belang, opgenomen: “(…)
- Deze overeenkomst wordt aangegaan voor een periode van 1 jaar en zal door automatische verlenging steeds verlengd worden met een periode van 1 jaar. Ingangsdatum: 01-11-2017 . Opzegtermijn: 2 maand voor afloop periode. (…)” 3.
- Uit hoofde van voormelde overeenkomst is [gedaagde] aan [C] maandelijks een bedrag van € 39,95 (exclusief 21% btw) aan lidmaatschapskosten verschuldigd. 3.
- [B] heeft in deze procedure voor een totaalbedrag van € 338,38 aan facturen van [C] aan [gedaagde] overgelegd. Voormelde facturen bestaan uit de factuur van 27 november 2017 (lidmaatschapskosten december 2017), de factuur van 1 januari 2018 (lidmaatschapskosten januari 2018 tot en met maart 2018) en de factuur van 2 april 2018 (lidmaatschapskosten april 2018 tot en met juni 2018). 3.
- [C] bericht [gedaagde] op 30 mei 2018 om 14:44 uur per e-mail als volgt: “(…) U heeft nog enkele facturen openstaan die inmiddels maanden verlopen zijn. Mochten we geen betaling ontvangen voor donderdag 31-05-2018 dan zullen we de huurovereenkomst beëindigen en deze direct morgen melden bij de kvk. (…)” 3.
- De overeenkomst tussen [C] en [gedaagde] is per 31 mei 2018 door [C] beëindigd. 3.
- Namens [B] heeft WIS Incasso [gedaagde] , ruim vier jaar later, op 27 juni 2022 en op 4 juli 2022 herinneringen gestuurd voor de onbetaald gelaten facturen voor een bedrag van € 338,38, vermeerderd met rente en kosten. 3.
- [gedaagde] is, ondanks sommatie daartoe, niet overgegaan tot betaling van voormeld bedrag, waarna zij door [B] in rechte is betrokken. 4Het geschil 4.
- [B] vordert dat de kantonrechter bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, [gedaagde] veroordeelt om aan haar te voldoen een bedrag van € 500,00, te vermeerderen met rente rechtens en met veroordeling van [gedaagde] in de proceskosten. 4.
- Daartoe voert [B] aan dat [gedaagde] in gebreke is gebleven de lidmaatschapsgelden over de periode januari 2017 tot en met juni 2018 uit hoofde van de overeenkomst te voldoen. [B] heeft haar vordering om proceseconomische redenen beperkt tot een bedrag van € 500,00 waarbij zij afstand doet van haar restantvordering. 4.
- [gedaagde] voert verweer. Volgens [gedaagde] heeft zij geen overeenkomst gesloten met [B] en is zij aan [B] niets verschuldigd. Zij betwist verder de juistheid van het gevorderde bedrag. 4.
- Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan. 5De beoordeling 5.
- De vraag die in deze procedure voorligt is of [B] ( [A] ) een bedrag heeft te vorderen van [gedaagde] . 5.
- [gedaagde] voert als verweer dat zij geen overeenkomst heeft gesloten met [B] ( [A] ) en aan [B] daarom niets is verschuldigd. De kantonrechter begrijpt dat [B] die stelling erkent, omdat zij bevestigt dat [gedaagde] niet met haar, maar met [C] de overeenkomst in 2017 is aangegaan. Vast staat dat [C] en [B] bij de Kamer van Koophandel als verschillende entiteiten onder verschillende nummers staan ingeschreven. Volgens [A] is [gedaagde] toch het gevorderde bedrag aan haar verschuldigd omdat [C] de afgelopen twee jaren is gewijzigd van rechtspersoon (CvR onder overeenkomst). 5.
- Niet duidelijk is wat [B] hiermee bedoelt te stellen. Voor zover zij bedoelt te stellen dat zij ( [A] ) de handelsnaam heeft overgenomen van [C] , helpt dit haar niet. Het enkel overnemen van een handelsnaam van een andere entiteit houdt nog niet in dat ook de overige activa (waaronder de debiteuren) mee overgaan. 5.
- Voor zover [A] hiermee heeft bedoeld te stellen dat zij de hele onderneming, [C] , heeft overgenomen, helpt dat haar ook niet. Naast het feit dat zij haar stelling niet onderbouwt, niet stelt wanneer zij dan [C] heeft overgenomen en zij geen stukken bijvoorbeeld afkomstig van de Kamer van Koophandel heeft overgelegd waar dat uit blijkt, levert ook deze stelling geen geldige contractoverneming op. 5.
- Voor een geldige contractoverneming is medewerking van de wederpartij nodig (art. 6:159 BW). [B] heeft geen feiten en of omstandigheden gesteld die kunnen leiden tot het oordeel dat [gedaagde] medewerking heeft verleend aan de overdracht van de rechtsverhouding. [gedaagde] heeft dit bovendien gemotiveerd betwist. Verder heeft [B] niet gesteld dat [C] door cessie vorderingsrechten heeft overgedragen aan [B] . Hieruit volgt dat niet is komen vast te staan dat [B] enig vorderingsrecht heeft verkregen van [C] . 5.
- De stelling van [B] dat [gedaagde] de vordering heeft erkend, gaat ook niet op. [gedaagde] erkent immers een bedrag verschuldigd te zijn aan [C] . Dat zij erkent een bedrag verschuldigd te zijn aan [B] volgt uit de stukken niet. 5.
- Dit leidt tot de slotsom dat [B] geen vorderingsrecht kan ontlenen aan de huur- en serviceovereenkomst tussen [C] en [gedaagde] en dat de op de bepalingen in deze overeenkomst gebaseerde vordering van [B] daarom zal worden afgewezen. 5.
- [A] zal, als de in het ongelijk gestelde partij, in de proceskosten worden veroordeeld. Deze kosten worden aan de zijde van [gedaagde] begroot op nihil. 6De beslissing 6.
- wijst de vorderingen af; 6.
- veroordeelt [A] in de proceskosten, aan de zijde van [gedaagde] begroot op nihil; Dit vonnis is gewezen door mr. J.M. Marsman en in het openbaar uitgesproken op 21 maart
- (TD)