RECHTBANK OVERIJSSEL Zittingsplaats Almelo Bestuursrecht zaaknummer: ZWO 22/2220 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [eiser] , uit [woonplaats] , eiser en het college van burgemeester en wethouders van Enschede gemachtigde: mr. J. Boxem. Inleiding In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen een besluit over zijn bijstandsuitkering op grond van de Participatiewet (PW). Met het besluit van 13 december 2021 heeft het college de bijstandsuitkering van eiser vanaf 1 november 2021 beëindigd en eiser verzocht de over de periode 3 maart 2020 tot en met 30 november 2021 als geldlening ontvangen uitkering tot een bedrag van € 22.018,24 terug te betalen aan het college. Met het bestreden besluit van 17 november 2022 heeft het college het bezwaar van eiser tegen dit besluit niet-ontvankelijk verklaard voor zover het bezwaar is gericht tegen de verstrekking van bijstand in de vorm van een geldlening. Voor zover het bezwaar is bedoeld als een verzoek om kwijtschelding heeft het college dit verzoek afgewezen. De rechtbank heeft het beroep op 22 maart 2023 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser en de gemachtigde van het college. Beoordeling door de rechtbank 1.1 De rechtbank gaat bij de beoordeling uit van de volgende feiten en omstandigheden. 1.2 Eiser heeft geruime tijd een bijstandsuitkering ontvangen. Met ingang van november 2019 heeft eiser werk gevonden bij [naam] , zodat de uitkering per die datum is beëindigd. Na drie maanden is een einde gekomen aan het dienstverband bij [naam] . 1.3 Eiser heeft op 3 maart 2020 weer een bijstandsuitkering aangevraagd. Met een besluit van 7 juli 2020 heeft het college aan eiser vanaf 3 maart 2020 een PW-uitkering toegekend naar de norm van een alleenstaande. Het college heeft daarbij de bijstand tot een maximumbedrag van € 24.287,60 als geldlening verstrekt, omdat eiser een eigen woning heeft met overwaarde boven het bedrag van de vrijlating. Het college heeft aan de toekenning van de uitkering de verplichting verbonden dat eiser meewerkt aan het vestigen van een krediethypotheek op zijn woning. Eiser heeft dit gedaan. In het toekenningsbesluit is vermeld dat eiser de geldlening moet terugbetalen als hij geen bijstand meer ontvangt. 1.4 Op 29 november 2021 heeft eiser aan het college gemeld dat hij per 1 november 2021 voor 40 uur per week een baan heeft gevonden bij [naam vennootschap] B.V. 1.5 Met het besluit van 13 december 2021 heeft het college de bijstandsuitkering van eiser vanaf 1 november 2021 beëindigd en eiser verzocht de over de periode 3 maart 2020 tot en met 30 november 2021 als geldlening ontvangen uitkering tot een bedrag van € 22.018,24 terug te betalen aan het college. 1.6 Eiser heeft hiertegen bezwaar gemaakt. Hij is het er niet mee eens dat hij dit bedrag moet terugbetalen. Hij hoopt op begrip en menselijkheid en wil graag kwijtschelding of vermindering van het openstaande bedrag. Het advies van de Commissie Bezwaarschriften 2.1 De Commissie Bezwaarschriften heeft geen aanleiding gezien te twijfelen aan de juridische juistheid van de toekenning van de bijstand per 3 maart 2020 in de vorm van een geldlening en van de vestiging van een krediethypotheek ter zekerheidsstelling. De Commissie concludeert verder dat het college de bijstandsuitkering per 1 november 2021 terecht heeft beëindigd, terwijl het college ook met juistheid heeft gesteld dat eiser de als lening verstrekte bijstand moet terugbetalen. Niettemin ziet de Commissie uit het oogpunt van doelmatigheid redenen het college te adviseren om af te zien van terugvordering van de verstrekte bijstand en deze alsnog om niet toe te kennen. Volgens de Commissie heeft eiser veel moeite gedaan om vanuit de bijstand weer aan het werk te komen. Nadat het hem was gelukt een baan te vinden is hij buiten zijn eigen schuld om na drie maanden ontslagen waarna hij noodgedwongen opnieuw bijstand moest aanvragen. Bij die aanvraag is een vermogenstoets gedaan, die anders niet had plaatsgevonden, en vanwege de overwaarde op zijn woning is de bijstand als geldlening verleend. Eiser moet het inkomen dat hij ontvangt en de bijstandsnorm te boven gaat nu gebruiken ter aflossing van zijn schuld bij de gemeente, terwijl hem van die schuld geen enkel verwijt kan worden gemaakt. De Commissie vindt de gevolgen van het besluit daarmee onevenredig in verhouding tot de met het besluit te dienen doelen. Het standpunt van het college 2.2 Het college heeft dit advies naast zich neergelegd en het advies van de vakafdeling Werk en Inkomen ten grondslag gelegd aan het besluit op bezwaar. Het college wijst er op dat artikel 50 PW haar verplichtte de bijstand als geldlening te verstrekken, uitgaande van de overwaarde van de eigen woning van eiser. Het besluit om de uitkering per 1 november 2021 te beëindigen in verband met werkaanvaarding is volgens het college eveneens juist en daartegen richt het bezwaar zich ook niet. Dat ziet op de terugbetaling van de als geldlening uitbetaalde bijstand. Volgens het college kan eiser een betalingsregeling treffen als hij de lening niet op korte termijn kan aflossen. Als het bezwaar is gericht tegen de vorm waarin de bijstand is verleend, namelijk als geldlening, dan is het bezwaar te laat gemaakt en daarmee niet-ontvankelijk. Voor zover het gaat om een verzoek om kwijtschelding of vermindering van de schuld moet het verzoek worden afgewezen omdat er geen grond is voor kwijtschelding. Los van formele gronden ziet het college ook inhoudelijk geen aanleiding om aan het bezwaar van eiser tegemoet te komen. Het college heeft volledig correct gehandeld. De door eiser gestelde onredelijke situatie maakt dat niet anders. Het college moet nu eenmaal rekening houden met de overwaarde van de woning van eiser. Dat daar tijdens de bijstandsverlening soepeler mee wordt omgegaan dan bij een nieuwe aanvraag, moge zo zijn, maar daar kunnen geen rechten aan worden ontleend. Ook het zittende bestand ontkomt uiteindelijk niet aan een herbeoordeling van de waarde van de woning, aldus het college. Het standpunt van eiser 2.3 Eiser vindt dat hij de dupe is geworden van omstandigheden waaraan hij zelf niets kon doen. Eiser heeft toegelicht dat hij na een lange periode van werkloosheid aan het werk is gegaan bij ZT Systems in Almelo. Uiteindelijk deed hij dit werk maar drie maanden. Eiser is op 12 februari 2020 ontslagen om redenen die hij niet zelf heeft veroorzaakt. Het college heeft dit na een bezwaarprocedure tegen een opgelegde maatregel ook erkend. Toen eiser vervolgens opnieuw een bijstandsuitkering aanvroeg is het college gebleken dat hij overwaarde op zijn woning had. Hij wist dit zelf niet en zelfs als hij had geweten van de overwaarde, kon hij er niets mee doen, aldus eiser. Tijdens de zitting heeft eiser verder toegelicht dat hij nu een schuld heeft bij de gemeente, omdat hij is ontslagen zonder dat hem iets te verwijten valt. Als hij niet was ontslagen, dan had hij niet opnieuw bijstand hoeven aanvragen en was er geen schuld aan de gemeente ontstaan. Juist door actief op zoek te gaan naar werk en werk te vinden, is die schuld ontstaan. Eiser vindt dat zijn situatie meer menselijk moet worden benaderd. Hij voelt zich gestraft, terwijl hij juist goede bedoelingen had. Het oordeel van de rechtbank 3.1 In artikel 50 van de PW zijn voorschriften opgenomen over de vorm waarin bijstand wordt verleend aan een belanghebbende die - zoals eiser - eigenaar is van een door hemzelf bewoonde woning. Bepaald is dat bijstand wordt verleend in de vorm van een geldlening als het vermogen gebonden in de woning hoger is dan het vrij te laten vermogen, bedoeld in artikel 34, tweede lid, onderdeel d, van de PW. 3.2 Niet in geschil is dat het aan de woning van eiser gebonden vermogen ten tijde van de aanvraag van 3 maart 2020 boven het vrijlatingsbedrag van € 52.500,00 lag. Daarmee staat vast dat in maart 2020 verstrekking van bijstand in de vorm van een geldlening tot een bedrag van € 24.287,60 aan de orde was. Het gaat hier om een gebonden bevoegdheid van het college. Het college stelt terecht dat zij geen ruimte had om anders te handelen bij de toepassing van artikel 50 van de PW. 3.3 De rechtbank is het met het college eens dat het besluit van 13 december 2021 gaat over de beëindiging van de uitkering van eiser. Maar daarnaast wordt in het besluit ook het bedrag aan uitkering dat eiser in de periode van 3 maart 2020 tot en met 30 november 2021 heeft ontvangen, vastgesteld op € 22.018,
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.