RECHTBANK OVERIJSSEL Civiel recht Kantonrechter Zittingsplaats Enschede Zaaknummer: 10305336 \ CV EXPL 23-309 Vonnis van 13 juni 2023 in de zaak van 1 [eiser 1] , wonende te [woonplaats 1] ,
- [eiser 2], wonende te [woonplaats 2] , eisende partijen, hierna te noemen: [eisers] , gemachtigde: M. Steghuis, tegen [gedaagde] , wonende te [woonplaats 3] , gedaagde partij, hierna te noemen: [gedaagde] , procederend in persoon. 1De procedure 1.
- Het verloop van de procedure blijkt uit: - de dagvaarding van [eisers] , - de schriftelijke reactie van [gedaagde] , aangemerkt als conclusie van antwoord, - de conclusie van repliek van [eisers] , - de schriftelijke reactie van [gedaagde] , aangemerkt als conclusie van dupliek. 1.
- Vervolgens is vonnis bepaald. 2De feiten 2.
- [eiser 1] heeft op 5 september 2021 € 7.000,00 uitgeleend aan [gedaagde] . [eiser 2] heeft op 24 december 2021 € 700,00 uitgeleend aan [gedaagde] . 2.
- [gedaagde] heeft een bedrag van € 4.300,00, terugbetaald waarvan € 3.800,00 bestemd was voor de lening van € 7.000,00 door Khantaros en € 500,00 voor die van [eiser 2] . Deze terugbetaling(en) vond plaats door middel van bankoverschrijving. 3Het geschil 3.
- [eisers] vorderen dat de kantonrechter bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, [gedaagde] veroordeelt om aan [eisers] te betalen een bedrag van € 3.979,18, te vermeerderen met de wettelijke rente over € 3.400,00 vanaf 19 januari 2023 tot aan de dag van volledige betaling. Ook vorderen [eisers] veroordeling van [gedaagde] in de proceskosten. 3.
- [eisers] baseren hun vordering op de hiervoor opgenomen feiten waarbij zij het volgende nog hebben aangevoerd. Op grond van de geldleningsovereenkomst dient [gedaagde] nog een totaalbedrag van € 3.400,00 terug te betalen. 3.
- [gedaagde] voert verweer tegen de vordering van [eisers] . 3.
- Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan. 4De beoordeling 4.
- Deze procedure draait om het antwoord op de vraag of [gedaagde] nog € 3.400,00 moet terugbetalen aan [eisers] . 4.
- [gedaagde] heeft als verweer aangevoerd dat zij het bedrag van € 3.400,00 (op verzoek van [eisers] ) al contant heeft terugbetaald. Volgens [gedaagde] heeft haar echtgenoot, [naam] , haar een bedrag van € 3.400,00 gegeven, zodat [gedaagde] daarmee [eisers] kon afbetalen en de lening volledig was afgelost. Bij conclusie van dupliek heeft [naam] (namens [gedaagde] ) verder verklaard dat hij dacht dat er sprake was van een geldlening van € 3.400,00 en dat hij dit bedrag aan [gedaagde] heeft gegeven, naar eigen zeggen, om ‘van de problemen af te zijn’. [naam] heeft het geld in een envelop gedaan en [gedaagde] naar het huis van [eiser 1] gebracht waar zij de envelop aan [eiser 1] heeft gegeven. 4.
- Met de stelling dat het bedrag van € 3.400,00 al contant is terugbetaald, voert [gedaagde] een zogenoemd “bevrijdend verweer”. Gelet op de hoofdregel van artikel 150 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) ligt het, nu dit door [eisers] wordt betwist, op de weg van [gedaagde] om bewijs te leveren van haar stelling dat het volgens [eisers] onbetaald gelaten bedrag reeds is terugbetaald. 4.
- Voordat de kantonrechter [gedaagde] zal opdragen bewijs te leveren van deze stelling, zal zij [gedaagde] in de gelegenheid stellen bij schriftelijke reactie aan de kantonrechter kenbaar te maken of, en zo ja hoe zij bewijs wenst te leveren. Daarbij merkt de kantonrechter op dat bewijslevering mogelijk is door het overleggen van bewijsstukken, het horen van getuigen en/of door middel van een ander bewijsmiddel (bijvoorbeeld bankafschriften van geldopnames door [naam] waaruit kan volgen dat hij een bedrag van € 3.400,00 heeft opgenomen). 5De beslissing 5.
- bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van 27 juni 2023 voor schriftelijke reactie van [gedaagde] waarin zij zich uitlaat over wat in rechtsoverweging 4.
- is opgenomen; 5.
- houdt iedere verdere beslissing aan. Dit vonnis is gewezen door mr. A.M.S. Kuipers en in het openbaar uitgesproken op 13 juni
- (TD)