RECHTBANK OVERIJSSEL Civiel recht Kantonrechter Zittingsplaats Almelo Zaaknummer: 10509935 \ CV EXPL 23-1093 Vonnis van 1 augustus 2023 (bij vervroeging gewezen) in de zaak van [eiser] , te [vestigingsplaats], eisende partij, hierna te noemen: [eiser], gemachtigde: Deurwaarderskantoor Wigger Van het Laar, tegen [gedaagde] , te [woonplaats], gedaagde partij, hierna te noemen: [gedaagde], procederend in persoon. 1Samenvatting 1.1. [gedaagde] huurde een woning van [eiser]. [eiser] heeft de huurovereenkomst opgezegd en [gedaagde] heeft de woning inmiddels verlaten. Volgens [eiser] heeft [gedaagde] de woning niet in de juiste staat opgeleverd. Zij vordert vergoeding van de herstelkosten en betaling van de huurachterstand. [gedaagde] voert verweer. Hij betwist de schade, maar erkent de huurachterstand. 1.2. Naar het oordeel van de kantonrechter heeft [eiser] de gestelde schade, in het licht van de betwisting daarvan door [gedaagde], onvoldoende onderbouwd. Nu [eiser] op dat punt niet aan haar stelplicht heeft voldaan, wordt aan bewijslevering niet toegekomen. De gevorderde herstelkosten worden afgewezen. De gevorderde huurachterstand is niet betwist en wordt dan ook toegewezen. 2De procedure 2.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: - het tussenvonnis van 6 juni 2023, - de e-mail met aanvullende producties van [eiser] van 7 juli 2023, - de op voorhand toegezonden pleitaantekeningen van de gemachtigde van [eiser], - de mondelinge behandeling van 18 juli 2023, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt. 2.2. Ten slotte is vonnis bepaald. 3De feiten 3.1. [gedaagde] huurde de woning aan de [adres] van [eiser]. Op 8 maart 2023 hebben partijen hiervoor een tijdelijke huurovereenkomst gesloten. Aan de huurovereenkomst was een driepartijenovereenkomst verbonden tussen [eiser], [gedaagde] en Stichting Het Maathuis (de hulpverlener van [gedaagde]), omdat [gedaagde] begeleiding nodig had en nog niet zelfstandig kon wonen. 3.2. Op 15 juni 2022 heeft [eiser] een brief naar [gedaagde] gestuurd waarin zij de huurovereenkomst voortijdig opzegt wegens het niet nakomen van afspraken, [gedaagde] een maand de tijd geeft om de woning leeg en schoon op te leveren en hem informeert dat op 14 juli 2022 een eindinspectie zal plaatsvinden. 3.3. [gedaagde] heeft met die opzegging ingestemd. 3.4. Op 14 juli 2022 was [gedaagde] niet aanwezig. Werknemers van [eiser] en Stichting Het Maathuis hebben de woning betreden. Er heeft die dag geen eindinspectie plaatsgevonden. 3.5. [eiser] heeft [gedaagde] uitstel gegeven tot 21 juli 2022, en vervolgens tot 22 juli 2022, om de woning leeg te halen en schoon te maken. 3.6. Op 25 juli 2022 zijn werknemers van [eiser] bij de woning gaan kijken. Op dat moment kwam [gedaagde] net aanlopen. Hij heeft de medewerkers van [eiser] in de woning toegelaten, heeft nog anderhalf uur de tijd gekregen om de woning in orde te maken en is toen definitief uit de woning vertrokken. 3.7. Op 26 juli 2022 heeft [eiser] in de woning een eindopname verricht, waarbij [gedaagde] niet aanwezig was. 3.8. Op 30 augustus 2022 heeft [eiser] een brief met de eindafrekening naar [gedaagde] gestuurd. Hierin is [gedaagde] verzocht om binnen vijftien dagen een bedrag van € 3.774,58 (bestaande uit € 188,70 aan huur en € 3.585,88 aan herstelkosten) aan haar te betalen. 3.9. Op 25 januari 2023 heeft [eiser] [gedaagde] nogmaals per brief gesommeerd om het bedrag van € 3.774,58 te betalen. 4Het geschil 4.1. [eiser] vordert dat [gedaagde] wordt veroordeeld tot betaling van een bedrag van € 4.451,78 (bestaande uit een bedrag van € 3.774,58 aan hoofdsom, € 69,22 aan rente tot en met 12 mei 2023 en € 502,46 aan buitengerechtelijke incassokosten), vermeerderd met de wettelijke rente over € 3.774,58 vanaf 12 mei 2023 tot aan de dag van volledige voldoening. Verder vordert [eiser] dat [gedaagde] in de proceskosten en de nakosten wordt veroordeeld. 4.2. [eiser] stelt dat zij de huurovereenkomst per 13 juli 2022 heeft opgezegd en dat [gedaagde] nog een bedrag van € 188,70 aan huur moet betalen voor de periode van 1 tot 13 juli 2022. Daarnaast stelt [eiser] dat [gedaagde] een bedrag van € 3.585,88 aan herstelkosten aan haar moet betalen, omdat [gedaagde] de woning bij het einde van de huur behoorlijk had moeten opleveren, maar dat niet heeft gedaan. Volgens [eiser] was de woning versmeerd, stond deze vol met spullen van [gedaagde] en waren er onderdelen beschadigd. Zo waren de trap en muren zwart geschilderd en waren er ramen die door de verf niet meer open konden. Volgens [eiser] heeft zij herstelwerkzaamheden moeten uitvoeren om de woning weer in de juiste staat te brengen en komen de kosten daarvan voor rekening van [gedaagde]. 4.3. [gedaagde] voert verweer. Hij betwist dat hij de woning zo heeft achtergelaten als op de foto’s van [eiser] te zien is. Volgens hem moeten die foto’s op een ander moment zijn gemaakt. Hij heeft de woning namelijk schoongemaakt en zijn spullen meegenomen. Dit kunnen zijn moeder, stiefvader, broertje en neefje bevestigen. Dat de spullen nog steeds in zijn bezit zijn, onderbouwt hij met foto’s waarop dezelfde spullen te zien zijn als op de foto’s van [eiser]. [gedaagde] erkent dat hij de trap en muren zwart heeft geschilderd, maar betwist de overige gestelde schade. Daarnaast voert [gedaagde] aan dat, als er al schade was, hij nooit de kans heeft gekregen om de schade zelf te (laten) herstellen. De huurachterstand klopt volgens hem wel. 4.4. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan. 5De beoordeling Herstelkosten Opleveren in oorspronkelijke staat 5.1. Artikel 7:224 van het Burgerlijk Wetboek (BW) bepaalt dat de huurder verplicht is om het gehuurde bij het einde van de huur weer ‘in oorspronkelijke staat’ ter beschikking van de verhuurder te stellen. 5.2. Op grond van artikel 7:224 lid 2 BW geldt, dat als bij de aanvang van de huur een beschrijving van het verhuurde is opgemaakt, de huurder verplicht is om het gehuurde bij het einde van de huur weer in dezelfde staat op te leveren als waarin het volgens de beschrijving is aanvaard. 5.3. [eiser] heeft een opnamestaat van de woning van 7 maart 2022 overgelegd. Hieruit blijkt dat vrijwel alle onderdelen van de woning bij aanvang van de huur in goede staat waren. Deze opnamestaat is niet door [gedaagde] ondertekend. [gedaagde] heeft op de mondelinge behandeling echter erkend dat hij het stuk heeft gezien bij het ondertekenen van de huurovereenkomst. Als de staat van de woning volgens [gedaagde] op dat moment anders was (hetgeen hij in deze procedure stelt), dan had hij daar destijds bezwaar tegen moeten maken. Vaststaat dat hij dat niet heeft gedaan. [gedaagde] moest de woning dan ook opleveren in de staat zoals die volgens de opnamestaat bij aanvang van de huur was. Stelplicht en bewijslast m.b.t. de schade/herstelkosten 5.4. Volgens [eiser] was de staat van de woning bij het einde van de huur niet hetzelfde als die bij de aanvang van de huur. Zij stelt dat [gedaagde] tijdens de huurperiode schade aan de woning heeft veroorzaakt en dat zij de woning, nadat [gedaagde] de woning had verlaten, heeft moeten leeghalen, schoonmaken en herstellen. [eiser] verwijst daarbij naar de door haar overgelegde foto’s (die volgens haar zijn gemaakt op 26 juli 2022) en de kostenspecificatie van 25 januari 2023 (productie 6 bij dagvaarding). [gedaagde] betwist de (omvang van
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.