RECHTBANK OVERIJSSEL Team kanton en handelsrecht Zittingsplaats Enschede Zaaknummer : 10708817 CV EXPL 23-3326 Vonnis van 27 februari 2024 in de zaak van de heer [partij A], wonende op de Filipijnen, eisende partij in conventie, gedaagde partij in (voorwaardelijke) reconventie, hierna te noemen [partij A], gemachtigde: mr. T.B. van Dreumel, advocaat te Enschede, tegen 1Stichting Doe Mee(r), gevestigd te Hengelo, als bewindvoerder over de goederen van: 2. de heer [partij B 1], en 3. mevrouw [partij B 2], echtgenoten, wonend te [woonplaats], gedaagden in conventie, eisers in (voorwaardelijke) reconventie, hierna te noemen [partij B 1] en [partij B 2], gemachtigde: mr. F. Hoff, advocaat te Enschede. 1De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: - de dagvaarding met producties, - de conclusie van antwoord met producties, tevens inhoudende een voorwaardelijke eis in voorwaardelijke reconventie, - de conclusie van antwoord in voorwaardelijke reconventie, met aanvullende producties, waaronder de aangetekende brief van 4 januari 2023 waarbij de bewindvoerder van [partij B 1] en [partij B 2] in de procedure is opgeroepen, - een aanvullende productie van [partij B 1] en [partij B 2], - de mondelinge behandeling d.d. 25 januari 2024, waarbij de gemachtigde van [partij A] gebruik heeft gemaakt van spreekaantekeningen. 1.2. Aan het einde van de mondelinge behandeling is aan partijen medegedeeld dat vonnis zal worden gewezen. 2Samenvatting [partij A] heeft met ingang van 1 april 2015 zijn woning verhuurd aan [partij B 1] en [partij B 2], omdat hij zelf in het buitenland is gaan wonen. [partij A] vordert in deze procedure dat deze huurovereenkomst moet worden beëindigd, omdat hij de woning nodig heeft voor dringend eigen gebruik. [partij B 1] en [partij B 2] voeren daartegen verweer; volgens hen is de noodzaak van [partij A] niet aangetoond, terwijl het voor hen niet mogelijk is om binnen de huidige woningmarkt voor het gezin met jonge kinderen nieuwe woonruimte te vinden. De kantonrechter oordeelt dat er geen sprake is van dringend eigen gebruik van de woning door [partij A] en dat niet is gebleken dat [partij B 1] en [partij B 2] andere passende woonruimte kunnen verkrijgen en wijst de vorderingen van [partij A] af. 3Het geschil De vordering 3.1. [partij A] vordert dat de kantonrechter bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad: I. de huurovereenkomst tussen [partij A] en [partij B 1] en [partij B 2] zal beëindigen per 1 februari 2024, dan wel een in goede justitie te bepalen datum en het tijdstip van de ontruiming vast te stellen op diezelfde datum; II. het bedrag dat [partij A] aan [partij B 1] en [partij B 2] moet betalen ter tegemoetkoming in de verhuis- en inrichtingskosten te bepalen op nihil, of een door de kantonrechter in goede justitie te bepalen bedrag; III. [partij B 1] en [partij B 2] te veroordelen in de proceskosten en de nakosten, te verhogen met wettelijke rente indien niet tijdig betaald. 3.2. [partij A] legt het volgende aan zijn vorderingen ten grondslag. [partij B 1] en [partij B 2] huren sinds 1 april 2015 de woning aan de [adres] van [partij A]. [partij A] zelf is in 2015 met zijn vrouw en dochter op de Filipijnen gaan wonen. [partij A] heeft altijd beoogd om op termijn weer terug te keren naar Nederland en daarom is in de huurovereenkomst bedongen dat deze kon worden opgezegd zodra [partij A] de woning wilde verkopen. Om die reden staat in de overeenkomst ook dat deze bedoeld is voor een paar jaar. [partij A] is inmiddels 71 jaar en moet er, gezien zijn leeftijd, rekening mee houden dat hij in de nabije toekomst meer en vaker een beroep zal moeten doen op de gezondheidszorg. De gezondheidszorg in Nederland is beter dan die op de Filipijnen en hij zou daarom zorg in Nederland willen genieten. Ook voor de dochter van [partij A] is het van belang dat zij op korte termijn naar Nederland kan verhuizen. Zij wil namelijk hoger onderwijs in Nederland volgen. Haar perspectieven op de arbeidsmarkt zijn na het volgen van een opleiding in Nederland aanzienlijk beter dan haar mogelijkheden op de Filipijnen. [partij A] beschikt niet over de middelen om op andere wijze in huisvesting voor zijn gezin te voorzien. Op de verhuurde woning rust nog een aflosvrije hypotheek. De relatief lage huur (€ 700,00 voor een ruime gezinswoning) die wordt betaald is maar net genoeg om de aflossing van € 426,46 per maand en enkele vaste kosten te voldoen. De woning van [partij A] op de Filipijnen heeft een beperkte waarde en er is geen ander vermogen om andere gelijkwaardige woonruimte in Nederland te kopen of te huren. [partij A] leeft met zijn gezin van zijn pensioen en AOW. Voor [partij B 1] en [partij B 2] is voldoende passende woonruimte beschikbaar, zolang er geen onrealistisch hoge eisen worden gesteld. Dat zij uit een WSNP-traject komen betekent niet dat zij geen woning kunnen kopen. Zij hebben zelf ook een bod uitgebracht op de gehuurde woning. Per brief van 1 februari 2023 heeft [partij A] de huur opgezegd met een opzegtermijn van drie maanden, waarbij een verhuisvergoeding van € 10.500,00 is aangeboden. Op die brief en ook op latere aangetekende brieven is echter niet gereageerd, zodat er geen andere keus is dan het starten van deze procedure. In reactie op het verweer heeft [partij A] alsnog de bewindvoerder opgeroepen als formele procespartij. [partij A] wist wel dat er sprake was van bewind bij het aangaan van de huurovereenkomst in 2015, maar recent had de gemachtigde van [partij B 1] en [partij B 2] laten weten dat het WSNP-traject was doorlopen en dat er sprake was van een schone lei. [partij A] kon uit het handelen van [partij B 1] en [partij B 2] ook niet afleiden dat er nog steeds sprake was van bewind, nu zij zelfs een bod hebben uitgebracht om de woning te kopen. Omdat [partij A] niet bekend was met het bewind mag hij de bewindvoerder alsnog oproepen in de procedure. De bewindvoerder is ook verschenen en [partij B 1] en [partij B 2] zijn dus niet in hun belangen om verweer te voeren geschaad. Het verweer 3.3. [partij B 1] en [partij B 2] voeren verweer en stellen in de eerste plaats dat [partij A] niet-ontvankelijk moet worden verklaard in zijn vordering omdat zij onder bewind staan en de bewindvoerder niet is opgeroepen in de dagvaarding. De rechten die voortvloeien uit de huurovereenkomst, vallen onder het bewind. De bewindvoerder treedt daarom namens de rechthebbende op als formele procespartij. [partij A] was ook bekend met de onderbewindstelling, die al bestaat sinds 6 juli 2015. De onderbewindstelling is ook gepubliceerd in het curateleregister. Het is de bewindvoerder die al die jaren de huur aan [partij A] heeft betaald vanaf de beheerrekening. Dat zij sinds augustus 2023 een schone lei hebben omdat zij het WSNP-traject hebben doorlopen betekent niet dat het bewind niet meer bestaat. 3.4. Indien [partij A] ontvankelijk wordt verklaard, betwisten [partij B 1] en [partij B 2] dat [partij A] de woning dringend nodig heeft voor eigen gebruik. Zij ontkennen dat [partij A] altijd heeft beoogd om terug te keren naar Nederland, laat staan het verhuurde zelf weer te willen gaan gebruiken. Daarbij wijzen ze erop dat bij het aangaan van de huurovereenkomst is afgesproken dat [partij A] de woning op termijn zou mogen kopen. Dit blijkt ook uit correspondentie tussen [partij A] en [partij B 1] waarbij wordt gesproken over de mogelijkheden tot koop van de woning. Dat [partij A] de woning niet zelf wil gaan bewonen blijkt ook uit zijn brief van 1 februari 2023 waarin hij aangaf de woning te willen verkopen om met de opbrengst elders een nieuwe woning te willen laten bouwen. Dat hij geen vermogen heeft om een andere woning in Nederland te huren of te kopen is niet aangetoond; de stellingen over het inkomen en (ontbreken van) vermogen zijn niet onderbouwd. Daarnaast is het voor [partij B 1] en [partij B 2], gezien de huidige woningmarkt, vrijwel onmogelijk om passende woonruimte te vinden. Passende woningen voor hun budget zijn simpelweg bijna niet beschikbaar. [partij B 1] en [partij B 2] hebben drie minderjarige schoolgaande kinderen en hun sociale leven speelt zich rondom het gehuurde af. Verder bieden zij zorg en ondersteuning aan de moeder van [partij B 1], die bij hen in de buurt woont. Een woonruimte op veel grotere afstand, een woning met een hogere huurprijs of hypotheeklast of een kleinere woonruimte, zijn simpelweg niet passend. Voorwaardelijke eis in reconventie 3.5. Voor het geval de vordering van [partij A] wordt toegewezen, vorderen [partij B 1] en [partij B 2] in voorwaardelijke reconventie een bedrag van € 17.500,- aan verhuiskosten en op grond van artikel 7:276 BW een schadevergoeding van € 50.000,- als blijkt dat het verhuurde niet duurzaam in gebruik wordt genomen door [partij A]. 4De beoordeling in conventie [partij A] wordt ontvankelijk verklaard in zijn vordering tegen de bewindvoerder van [partij B 1] en [partij B 2] 4.1. Tijdens de procedure is gebleken dat [partij B 1] en [partij B 2] nog steeds onder bewind gesteld zijn. Zij zijn daarom zelf niet bevoegd om te procederen over de huurovereenkomst, die valt onder de reikwijdte van het bewind. [partij A] zal voor de vorderingen jegens [partij B 1] en [partij B 2] niet ontvankelijk worden verklaard. 4.2. Na de conclusie van antwoord in conventie is Stichting Doe Mee(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.