RECHTBANK OVERIJSSEL Team Strafrecht Meervoudige kamer Zittingsplaats Zwolle Parketnummer: 84-225526-22 (P) Datum vonnis: 29 februari 2024 Vonnis op tegenspraak in de zaak van de officier van justitie tegen: [verdachte] , geboren op [geboortedatum] 1991 in [geboorteplaats] , wonende aan de [adres] . 1Het onderzoek op de terechtzitting Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzittingen van 24 juli 2023 en 15 februari 2024. De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie mr. M. Lambregts en van wat door verdachte en haar raadsman mr. P.W. Hermens, advocaat in Rotterdam, naar voren is gebracht. 2De tenlastelegging De verdenking komt er, kort en zakelijk weergegeven, op neer dat verdachte: feit 1: in de periode van 21 december 2020 tot en met 8 november 2022 heeft deelgenomen aan een criminele organisatie die belastingfraude en valsheid in geschrift pleegde en zich bezig hield met (gewoonte)witwassen; feit 2: in de periode van 1 november 2021 tot en met 19 april 2022 als ambtenaar bij de Belastingdienst (belasting)geld heeft verduisterd en/of heeft toegelaten dat (belasting)geld door anderen werd weggenomen/verduisterd; feit 3: in de periode van 21 december 2020 tot en met heden een bedrag van € 72.670,00 heeft witgewassen en daarvan een gewoonte heeft gemaakt. Voluit luidt de tenlastelegging aan verdachte, dat: 1 zij in of omstreeks de periode van 21 december 2020 tot en met 8 november 2022 te Amsterdam, Rotterdam, Den Haag, Almere en/of Apeldoorn, in elk geval in Nederland, heeft deelgenomen aan een organisatie, zijnde een samenwerkingsverband tussen natuurlijke personen te weten: 1. [ [verdachte] (V-01);] 2. [naam 16] (V-02); 3. [naam 17] (V-03); 4. [naam 1] (V-04); 5. [naam 2] (V-05); 6. [naam 3] (V-06); 7. [naam 4] (V-07); 8. [naam 5] (V-08); 9. [naam 6] (V-09); 10. [naam 7] (V-10); 11. [naam 8] (V-11); 12. [naam 9] (V-12); 13. [naam 10] (V-13); 14. [medeverdachte] (V-14); 15. [naam 11] (V-15); 16. [naam 12] (V-16); 17. [naam 13] (V-17); 18. [naam 14] (V-18), en/of 19. [naam 15] (V-19), al dan niet in wisselende samenstelling, welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven, te weten: a. het opzettelijk doen/en of laten indienen van een of meerdere onjuiste aangiften omzetbelasting (artikel 69, lid 2 Algemene wet inzake rijksbelastingen); b. het valselijk doen en/of laten opmaken van een of meerdere aangiften omzetbelasting (artikel 225, lid 1 Wetboek van Strafrecht); en/of c. het plegen van (gewoonte)witwassen; 2 zij op één of meer tijdstippen in of omstreeks 1 november 2021 tot en met 19 april 2022 in Amsterdam, Almere en/of Apeldoorn, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen en/of alleen, als ambtenaar, opzettelijk (belasting)geld dat zij in haar bediening onder zich had, heeft verduisterd en/of heeft toegelaten dat dat (belasting)geld door anderen werd weggenomen of verduisterd, door als ambtenaar bij de Belastingdienst werkzaam op de administratie omzetbelasting te Amsterdam, een of meerdere (onjuiste) teruggaven/aangiften omzetbelasting uit te doen/laten betalen en/of met openstaande belastingschulden te doen/laten verrekenen; 3 zij in of omstreeks de periode van 21 december 2020 tot en met heden in Almere, Den Haag, Rotterdam en/of Apeldoorn, in elk geval in Nederland, een geldbedrag van in totaal € 72.670 aan terugontvangen en/of verrekende omzetbelasting, in elk geval een of meer geldbedragen, heeft verworven, voorhanden heeft gehad, heeft overgedragen, heeft omgezet en/of van die voorwerpen gebruik heeft gemaakt terwijl zij wist of redelijkerwijs moest vermoeden dat die voorwerpen – onmiddellijk of middellijk – afkomstig waren uit enig misdrijf, en zij van het plegen van dit feit een gewoonte heeft gemaakt. 3De procesafspraken 3.1 Inleidende opmerkingen Op 20 juni 2023 heeft de officier van justitie de rechtbank geïnformeerd dat hij met de verdediging procesafspraken heeft gemaakt, waaronder begrepen een afdoeningsvoorstel met betrekking tot onderhavige strafzaak. Tijdens de inhoudelijke behandeling ter terechtzitting op 24 juli 2024 zijn de gemaakte procesafspraken aan verdachte voorgehouden en indringend met haar besproken. De rechtbank heeft in haar tussenvonnis van 7 augustus 2023 voorshands geoordeeld dat niet tot een bewezenverklaring van het onder 2 ten laste gelegde kan komen en alleen al daarom het afdoeningsvoorstel (nog) niet kan worden gevolgd. De rechtbank heeft het onderzoek heropend teneinde partijen in de gelegenheid te stellen zich hierover alsmede over het verdere verloop van de procedure nader te kunnen uitlaten. Op 21 augustus 2023 heeft de rechtbank per e-mail een schriftelijke reactie van de officier van justitie ontvangen waarin hij, kort gezegd, primair het standpunt handhaaft dat conform het afdoeningsvoorstel het onder 2 ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard. Ter onderbouwing van dit standpunt heeft de officier van justitie naar voren gebracht dat verdachte moet worden aangemerkt als functioneel dader. Subsidiair stelt de officier van justitie zich op het standpunt dat een deelvrijspraak van het onder 2 ten laste gelegde geen effect heeft op de geëiste straf. Op 29 januari 2024 heeft de rechtbank per e-mail een schriftelijke reactie van de raadsman ontvangen waarin hij, kort gezegd, zich op het standpunt stelt dat verdachte van het onder 2 ten laste gelegde moet worden vrijgesproken en dat een vrijspraak van het onder 2 ten laste gelegde dient te leiden tot een lagere straf. Op 13 februari 2024 heeft de raadsman mede namens de officier van justitie een hernieuwd afdoeningsvoorstel aan de rechtbank doen toekomen. Dit nieuwe afdoeningsvoorstel houdt, voor zover relevant en zakelijk weergegeven, concreet het volgende in: Het Openbaar Ministerie vordert zodanige wijziging van de tenlastelegging dat feit 3 komt te vervallen. De verdediging voert geen bewijsverweer ten aanzien van feit 1. Wat feit 2 betreft refereren het Openbaar Ministerie en de verdediging zich ter terechtzitting aan hun op 21 augustus 2023 respectievelijk 29 januari 2024 op schrift gestelde en aan de rechtbank toegestuurde standpunten. Alle eventueel nog openstaande onderzoekswensen komen te vervallen. Door ondertekening van dit afdoeningsvoorstel bekent verdachte zich schuldig te hebben gemaakt aan feit 1 oftewel het in de periode van 21 december 2020 tot en met 8 november 2022 deelnemen aan een samenwerkingsverband dat zich bezig heeft gehouden met belastingfraude, valsheid in geschrift en witwassen. Het Openbaar Ministerie eist ter terechtzitting op basis van een bewezenverklaring van feit 1 en feit 2 een onvoorwaardelijke taakstraf van 240 uren te vervangen door 120 dagen hechtenis, met aftrek van voorarrest en een gevangenisstraf van zes maanden voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaren en het verbod om gedurende vijf jaren als ambtenaar te werken. De verdediging verweert zich slechts in zoverre tegen voornoemde strafeis dat zij een straf bepleit op basis van een bewezenverklaring van uitsluitend feit 1 van 200 uren taakstraf te vervangen door 100 dagen hechtenis met aftrek van voorarrest en d maanden voorwaardelijke gevangenisstraf met een proeftijd van drie jaren en een verbod om gedurende vijf jaren als ambtenaar te werken. Bij vonnis overeenkomstig deze procesafspraak doen de verdachte en het Openbaar Ministerie afstand van hoger beroep. Deze procesafspraak – met als variabele al dan niet een bewezenverklaring van feit 2 en een daarmee samenhangende bandbreedte qua strafoplegging – vervalt indien en voor zover die niet gevolgd wordt door de rechtbank. 3.2 Inhoudelijke beoordeling van de procesafspraken Na heropening en hervatting van het onderzoek zijn tijdens de inhoudelijke behandeling van de strafzaak op de terechtzitting van 15 februari 2024 de nieuwe procesafspraken, zoals deze zijn vervat in het (opvolgend) afdoeningsvoorstel van 8 februari 2024 besproken. De officier van justitie en de raadsman hebben daartoe, zakelijk weergegeven, naar voren gebracht dat het Openbaar Ministerie en de verdediging weliswaar een andere bewijspositie innemen ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde, maar dat weldegelijk overeenstemming is bereikt over de grenzen van het geschil en dat de rechtbank een zekere ‘manoeuvreerruimte’ wordt geboden door het opnemen van een eventuele bewezenverklaring van het onder 2 ten laste gelegde als ‘variabele’. De rechtbank stelt voorop dat zij geen partij is bij de gemaakte procesafspraken en daaraan dus ook niet gebonden is. De rechtbank heeft een eigen verantwoordelijkheid en dat betekent dat bij de behandeling op de zitting de beantwoording van de vragen van de artikelen 348 en 350 van het Wetboek van Strafvordering (Sv) leidend is geweest. In haar overzichtsarrest inzake procesafspraken van 27 september 2022 (ECLI:NL:HR:2022:1252) heeft de Hoge Raad aandachtspunten geformuleerd die de rechtbank bij de beoordeling van procesafspraken in acht zal nemen. Procesafspraken zijn gebaseerd op wilsovereenstemming tussen het Openbaar Ministerie en de verdachte. Het aan de rechtbank voorleggen van een gezamenlijk afdoeningsvoorstel in de vorm van een procesafspraak kan aan de orde zijn indien de officier van justitie en de verdediging tenminste overeenstemming bereiken over de bewijspositie en de bijbehorende kwalificatie en de verdediging in dat licht bereid is af te zien van bewijsrechtelijke verweren. Naar het oordeel van de rechtbank komen in het thans voorliggende afdoeningsvoorstel essentiële discrepanties tot uitdrukking, meer specifiek in de beoordeling door partijen van een wezenlijk onderdeel van de tenlastelegging en bewezenverklaring. Gelet op het hiervoor overwogene is de rechtbank van oordeel dat tussen partijen geen overeenstemming is bereikt over de bewijspositie en de bijbehorende kwalificatie van het onder 2 ten laste gelegde, hetgeen ook tot uiting komt in het door partijen voorgestane – en dus van elkaar afwijkende - strafvoorstel, zodat de rechtbank het afdoeningsvoorstel niet zal volgen. 4De voorvragen De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van deze zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging. 5. De bewijsmotivering 5.1 Inleiding Op 14 en 17 januari 2022 ontvangt het Bureau Integriteit en Veiligheid (verder: BIV) van de FIOD een tweetal meldingen van een Boete- en Fraudecoördinator van de Belastingdienst waarin staat dat een medewerker van de afdeling omzetbelasting van de Belastingdienst, verdachte [verdachte] , zich samen met haar broer en neef, bezighoudt met het opmaken en indienen van onjuiste aangiften omzetbelasting bij de Belastingdienst. Naast het signaal vanuit de Belastingdienst ontvangt de FIOD op 8 februari 2022 een anonieme klikbrief waarin wordt gesteld dat verdachte [verdachte] , werkzaam als belastingambtenaar bij de Belastingdienst, samen met haar neef al jaren bezig is met belastingfraude, geld verdient met vertrouwelijke gegevens uit de systemen van de Belastingdienst en ‘ten onrechte’ geld verdient met een beauty-zaak. De meldingen en de klikbrief zijn door een medewerker van het BIV onderzocht en hebben geresulteerd in het opmaken van een proces-verbaal van verdenking. Op 21 maart 2022 is het strafrechtelijk onderzoek ‘Louth’ gestart. Naar aanleiding van het onderzoek worden 19 personen, onder wie verdachte en medeverdachte [medeverdachte] , er van verdacht dat zij zich schuldig hebben gemaakt aan het in georganiseerd verband plegen van belastingfraude en witwassen, waarbij verdachte voorts wordt verweten dat zij geld, dat zij in het kader van haar positie als ambtenaar bij de Belastingdienst onder zich had, heeft verduisterd. 5.2 Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat alle tenlastegelegde feiten wettig en overtuigend bewezen kunnen worden verklaard. 5.3 Het standpunt van de verdediging De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat het onder 1 en 3 ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard. De raadsman heeft ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde vrijspraak bepleit. Daartoe heeft hij, zakelijk weergegeven, aangevoerd dat een kwaliteitsdelict ten laste is gelegd en dat niet kan worden bewezen dat verdachte geld of geldswaardig papier in haar bediening onder zich heeft gehad. Daarnaast heeft de raadsman bepleit dat verdachte niet kan worden aangemerkt als functioneel dader, zoals door de officier van justitie is betoogd. 5.4 Het oordeel van de rechtbank Feit 2 De rechtbank heeft in haar tussenvonnis van 7 augustus 2023 overwogen dat voor een bewezenverklaring van onderhavig feit het antwoord op de vraag of de ambtenaar door zijn functie (feitelijk) in staat wordt gesteld om dat geld of geldswaardig papier te verduisteren dan wel de verduistering daarvan door anderen toe te laten, doorslaggevend is. Vereist is dat zijn ambt hem tot het verrichten van die gedragingen in staat stelt. De rechtbank is van oordeel dat niet van elke ambtenaar werkzaam bij de Belastingdienst kan worden gezegd dat hij of zij daardoor in staat is – feitelijk – invloed uit te oefenen op (negatieve) belastingaanslagen en vervolgens op de daaraan verbonden betalingen. De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld of verdachte door haar functie als administratief medewerker op de afdeling Omzetbelasting van de Belastingdienst, toegang had tot de systemen van de Belastingdienst, waaronder dat van de (heffing van
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.