RECHTBANK OVERIJSSEL Bestuursrecht zaaknummer: ZWO 24/1978 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [eiseres], uit [woonplaats], eiseres, (gemachtigde: mr. Y.N. Teke-Bozkurt), en Directie Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen, verweerder. Inleiding In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep dat eiseres heeft ingesteld, omdat verweerder volgens haar niet op tijd heeft beslist op het bezwaar dat verweerder op 20 september 2022 van eiseres heeft ontvangen. Eiseres heeft verweerder op 31 maart 2023 in gebreke gesteld. Bij besluiten van 31 mei 2023 is de maximale dwangsom van € 1.442,- aan eiseres toegekend. In de uitspraak van 14 juli 2023 (kenmerk ZWO 23/1124) heeft de rechtbank – voor zover relevant – het beroep gegrond verklaard, verweerder opgedragen binnen twaalf weken na de datum van het verweerschrift alsnog een besluit op het bezwaar van eiseres bekend te maken onder oplegging van een dwangsom. Eiseres heeft op 13 februari 2024, door de rechtbank ontvangen op 14 februari 2024, (wederom) beroep ingesteld tegen het niet op tijd nemen van besluit op haar bezwaar. Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift dat op 12 maart 2024 door de rechtbank is ontvangen. De rechtbank heeft partijen laten weten dat zij een zitting niet nodig vindt en gevraagd of zij het daarmee eens zijn. Omdat partijen daarna niet om een zitting hebben gevraagd, heeft de rechtbank op grond van artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) het onderzoek gesloten en de zaak niet behandeld op een zitting. Beoordeling door de rechtbank
- Als een bestuursorgaan niet op tijd beslist op een aanvraag of bezwaarschrift, kan de betrokkene daartegen in beroep gaan. Voordat hij beroep kan instellen, moet de betrokkene per brief aan het bestuursorgaan laten weten dat binnen twee weken alsnog beslist moet worden op zijn aanvraag of bezwaar (de zogenoemde ingebrekestelling). Als er na die twee weken nog steeds geen besluit is, dan kan de betrokkene beroep instellen. Is het beroep ontvankelijk en gegrond?
- In artikel 7:10, eerste lid, van de Awb staat dat het bestuursorgaan moet beslissen op een bezwaar binnen zes weken gerekend vanaf de dag na die waarop de termijn voor het indienen van het bezwaarschrift is verstreken of binnen twaalf weken als een bezwaarcommissie als bedoeld in artikel 7:13 is ingesteld. Deze termijn kan eenmaal met maximaal zes weken worden verlengd. De langere beslistermijnen, zoals genoemd in artikel 6.2, eerste en tweede lid, van de Wet hersteloperatie toeslagen (Wht) hebben alleen betrekking op aanvragen en niet op besluiten op bezwaar. Dit betekent dat in dit geval de termijnen van artikel 7:10, eerste lid, van de Awb van toepassing zijn.
- Artikel 6:12, derde lid, van de Awb bepaalt dat indien redelijkerwijs niet van de belanghebbende kan worden gevergd dat hij het bestuursorgaan in gebreke stelt, het beroepschrift kan worden ingediend zodra het bestuursorgaan in gebreke is tijdig een besluit te nemen. Op grond van dit artikel is voorafgaand aan een herhaald beroep niet tijdig beslissen geen ingebrekestelling nodig.
- In de eerder genoemde uitspraak van 14 juli 2023 heeft de rechtbank het eerdere beroep van eiseres tegen het niet tijdig nemen van een besluit op haar bezwaar gegrond verklaard en verweerder opgedragen om binnen twaalf weken na de datum van het verweerschrift een besluit bekend te maken, op straffe van een dwangsom van € 100,- per dag, met een maximum van € 15.000,-. Omdat verweerder nog steeds geen besluit heeft genomen en het maximum van de dwangsom is bereikt, heeft eiseres een herhaald beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit ingediend. Omdat de door de rechtbank gestelde beslistermijn is overschreden en het maximum van de dwangsom is bereikt, is het beroep ontvankelijk en gegrond. Welke beslistermijn moet aan verweerder worden opgelegd en welke dwangsom wordt daaraan verbonden?
- Als het beroep gegrond is en het bestuursorgaan nog geen besluit bekendgemaakt heeft, bepaalt de rechtbank dat het bestuursorgaan binnen twee weken na de dag van verzending van de uitspraak alsnog een besluit bekendmaakt. Alleen in bijzondere gevallen kan de rechtbank een andere termijn bepalen.
- Verweerder heeft nog (steeds) geen besluit op bezwaar genomen. Verweerder moet dit alsnog doen. In beroepen tegen het niet tijdig nemen van besluiten op aanvragen als bedoeld in artikel 2.1 van de Wht of besluiten op bezwaar in het kader van de Wht legt de rechtbank nadere beslistermijnen op die overeenstemmen met de uitgangspunten, die de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) heeft geformuleerd in de uitspraak van 23 augustus
- In deze uitspraak heeft de Afdeling nadere beslistermijnen vastgesteld die voortaan in beginsel bij beroepen gericht tegen het niet tijdig nemen van een besluit op een aanvraag of een besluit op bezwaar in het kader van de Wht aan verweerder zullen worden opgelegd.
- Als verweerder een besluit op bezwaar moet nemen, geldt een nadere beslistermijn van twaalf weken na de datum van het verweerschrift om een besluit op bezwaar bekend te maken. Van deze twaalf weken moeten ten minste zes weken zijn gelegen na de dag van verzending van de uitspraak op het beroep gericht tegen het niet tijdig nemen van een besluit. Als de twaalf weken ten tijde van de uitspraak op het beroep al zijn verstreken of als verweerder geen verweerschrift heeft ingediend, geldt een termijn van zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak om een besluit op bezwaar bekend te maken.
- De vraag dringt zich op welke termijn de rechtbank thans voor het bekendmaken van een besluit moet stellen en welke dwangsom de rechtbank daaraan verbindt. De rechtbank overweegt dat nu verweerder nog steeds geen besluit heeft genomen, ondanks de eerdere genoemde uitspraak, een kortere – nadere – beslistermijn gerechtvaardigd is. Dit komt tegemoet aan het belang van eiseres, om spoedig een besluit te ontvangen. Daar staat tegenover dat verweerder de reële gelegenheid moet krijgen om na verzending van de uitspraak een besluit bekend te maken. De rechtbank zal daarom bepalen dat verweerder een besluit bekend moet maken binnen zes weken na verzending van deze uitspraak. De rechtbank ziet aanleiding om hier opnieuw een dwangsom van € 100,- per dag met een maximum van € 15.000,- aan te verbinden. De rechtbank acht deze dwangsom redelijk, gelet op alle belangen. Daarbij houdt de rechtbank in het bijzonder rekening met het belang van eiseres bij een spoedig besluit, het nog steeds uitblijven daarvan – wat, de capaciteitsproblemen ten spijt, verweerder is aan te rekenen – en het gewicht van de hoofdzaak.
- Samengevat draagt de rechtbank verweerder op om binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak alsnog een besluit bekend te maken, op straffe van een dwangsom van € 100,- per dag met een maximum van € 15.000,-. Conclusie en gevolgen
- Het beroep is kennelijk gegrond. Dat betekent dat eiseres gelijk krijgt, verweerder de onder
- genoemde termijn krijgt om alsnog een besluit te nemen en aan verweerder de onder
- genoemde dwangsom wordt opgelegd.
- Omdat het beroep gegrond is, moet verweerder het griffierecht aan eiseres vergoeden en krijgt eiseres ook een vergoeding voor haar proceskosten. Verweerder moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 437,50 omdat de gemachtigde van eiseres een beroepschrift heeft ingediend en de zaak alleen gaat over de vraag of de beslistermijn is overschreden. Dit betreft naar het oordeel van de rechtbank een zaak van licht gewicht waarbij op de waarde een factor van 0,5 moet worden toegepast. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden. Beslissing De rechtbank: - verklaart het beroep gegrond; - vernietigt het, met een besluit gelijk te stellen, niet tijdig nemen van een besluit; - draagt verweerder op om binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een besluit op bezwaar van eiseres bekend te maken; - bepaalt dat verweerder aan eiseres een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee verweerder de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 15.000,-; - veroordeelt verweerder tot betaling van € 437,50 aan proceskosten aan eiseres; - bepaalt dat verweerder het griffierecht van € 51,- aan eiseres moet vergoeden. Deze uitspraak is gedaan door mr. A.P.W. Esmeijer, rechter, in aanwezigheid van mr. H. Richart, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op griffier rechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Dit staat (onder andere) in artikel 6:12 van de Awb. Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 2 september 2019, ECLI:NL:RVS:2019:
- Dit volgt uit artikel 8:55d, eerste en derde lid, van de Awb. Deze uitspraak is te vinden op www.rechtspraak.nl onder kenmerk ECLI:NL:RVS:2023:
- Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 27 maart 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1253.