RECHTBANK OVERIJSSEL Team kanton en handelsrecht Zittingsplaats Zwolle Zaaknummer : 11074168 \ EJ VERZ 24-153 Beschikking van de kantonrechter van 16 juli 2024 in de zaak van de stichting [partij A] , gevestigd in [vestigingsplaats] , verzoekende en verwerende partij, gemachtigde: mr. S. Hornstra, tegen [partij B] , wonend in [woonplaats] , verwerende en verzoekende partij, procederend in persoon. Partijen worden hierna [partij A] en [partij B] genoemd. 1Samenvatting 1.1. In deze zaak moet worden beoordeeld of de arbeidsovereenkomst tussen [partij A] en [partij B] moet worden ontbonden. [partij A] vindt dat [partij B] verwijtbaar heeft gehandeld. [partij B] heeft volgens haar ten onrechte om een onevenredig hoge uitbetaling van overuren gevraagd. Daarnaast zou zij ten onrechte verschillende kosten hebben gedeclareerd. Als tweede reden voor ontbinding voert [partij A] aan dat sprake is van een verstoorde arbeidsverhouding tussen partijen. Zij wil daarom dat de kantonrechter de arbeidsovereenkomst ontbindt. [partij B] verzet zich tegen de ontbinding en heeft daarnaast nog enkele verzoeken ingediend die samenhangen met de wijze waarop partijen omgaan met elkaar. 1.2. De kantonrechter laat de arbeidsovereenkomst in stand, allereerst omdat er geen sprake is van verwijtbaar handelen. Een verzoek om uitbetaling van overuren levert op zichzelf geen verwijtbaar handelen op. [partij A] had naar de gegrondheid van dit verzoek nader onderzoek kunnen doen. Evenmin is komen vast te staan dat [partij B] onterecht heeft gedeclareerd. Ten tweede is de arbeidsverhouding weliswaar verstoord geraakt, maar die verstoring is niet ernstig en duurzaam genoeg om tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst over te gaan. Daarbij is van belang dat [partij A] de relatie met name verstoord vindt vanwege het in haar ogen verwijtbaar handelen van [partij B] . Dat verwijtbaar handelen is echter niet komen vast te staan. [partij A] heeft zich – in haar rol van werkgever – niet kenbaar ingespannen om verstoring van de relatie te voorkomen. De verzoeken van [partij A] worden daarom afgewezen. De verzoeken van [partij B] worden eveneens afgewezen. De kantonrechter legt verderop in deze beschikking uit hoe hij tot dit oordeel is gekomen. 2De procedure 2.1. De kantonrechter heeft kennisgenomen van: het verzoekschrift met bijlagen 1 tot en met 17 het verweerschrift met bijlagen 1 tot en met 51 2.2. Op 4 juni 2024 heeft de mondelinge behandeling plaatsgevonden. Namens [partij A] is de heer [naam 1] , bestuursvoorzitter, verschenen, bijgestaan door mr. S. Hornstra. Verder is [partij B] verschenen, bijgestaan door de heer [naam 2] . Beide partijen hebben hun standpunten tijdens de mondelinge behandeling toegelicht. [partij A] heeft voorts nog een schriftelijke verklaring in het geding gebracht. De griffier heeft aantekeningen gemaakt. 2.3. Ten slotte is een datum vastgesteld voor de beslissing. 3De feiten 3.1. [partij B] is in 2013 onder de naam ‘ [partij A] ’ begonnen met het al dan niet tezamen met anderen kosteloos aanbieden van fotoreportages aan ouders van ernstig ziek, terminale of overleden kinderen. 3.2. Op 19 augustus 2015 is [partij A] opgericht door mevrouw [naam 3] , mevrouw [naam 4] en de heer [naam 5] . De Stichting is opgericht om het mogelijk te maken dat aan gezinnen met ernstig zieke, terminale of overleden kinderen of ouders kosteloos een fotoreportage wordt aangeboden. Hoewel de Stichting formeel niet door [partij B] is opgericht, is zij wel de bedenker en initiatiefnemer van de Stichting. 3.3. Het bestuur van de stichting, waarvan sinds 17 juli 2020 de heer [naam 1] , voorzitter is, verricht de bestuurstaken onbezoldigd. 3.4. Met ingang van 1 oktober 2020 is [partij B] op basis van een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd werkzaam voor [partij A] in de functie van directeur. Het salaris bedroeg laatstelijk € 2.520,00 bruto per maand bij een dienstverband van 40 uur per week. 3.5. Vanaf 23 november 2022 is [partij B] afwezig geweest wegens ziekte. Vanaf mei 2023 heeft [partij B] weer verschillende werkzaamheden verricht. In juli 2023 heeft zij zich voor 50% beter gemeld, per 1 november 2023 is zij weer als 100% hersteld aangemerkt. 3.6. Op 12 februari 2024 heeft [partij B] per e-mailbericht aan [partij A] verzocht om uitbetaling van de overuren die zij stelt te hebben gemaakt. Het aantal overuren in de periode van 1 oktober 2020 tot en met 30 juni 2021 bedraagt volgens opgave van [partij B] 1715. 3.7. In de bestuursvergadering van 29 februari 2024 heeft het bestuur van [partij A] besloten om de arbeidsovereenkomst met [partij B] te beëindigen. [partij A] heeft in dat kader een concept-vaststellingsovereenkomst aangeboden aan [partij B] . 3.8. Op 1 maart 2024 heeft [partij B] laten weten zich te verzetten tegen beëindiging van de arbeidsrelatie. Op de aangeboden vaststellingsovereenkomst heeft [partij B] niet gereageerd. 3.9. Tussen partijen heeft een op initiatief van [partij B] een kort geding plaatsgevonden, waarbij [partij B] een vordering tot wedertewerkstelling en een vordering tot betaling van de gemaakte overuren heeft ingediend. Deze vorderingen zijn beide afgewezen bij vonnis van 22 mei 2024. 3.10. [partij B] heeft zich op 23 mei 2024 ziekgemeld. 4Het verzoek en het tegenverzoek 4.1. [partij A] heeft – samengevat – de kantonrechter verzocht om bij beschikking: de arbeidsovereenkomst tussen partijen te ontbinden zonder rekening te houden met de opzegtermijn en zonder toekenning van een transitievergoeding; de waarde van de bedrijfseigendommen in het bezit van [partij B] door middel van verrekening in mindering te brengen in het geval wel een transitievergoeding of andersoortige (billijke) vergoeding wordt toegekend; de verlofuren en vakantiedagen per 30 april 2024 vast te stellen conform de opgemaakte proforma eindafrekening; [partij B] te bevelen om met onmiddellijke ingang de social media accounts van [partij A] terug te geven dan wel toegang tot die accounts te verstrekken, op straffe van een dwangsom; [partij B] te veroordelen, uitvoerbaar bij voorraad, zich te onthouden van handelingen of gedragingen die nadelig zijn voor [partij A] , op straffe van een dwangsom; [partij B] te veroordelen in de kosten van de procedure. 4.2. [partij B] voert verweer. Zij concludeert tot afwijzing van de verzoeken van [partij A] . 4.3. De tegenverzoeken van [partij B] strekken ertoe dat de kantonrechter bij beschikking: de voorzitter van [partij A] zal sommeren een oproep van [partij B] en haar dochter te verwijderen van LinkedIn; [partij A] zal sommeren rectificaties te publiceren op de website van [partij A] en een rectificatie te zenden aan (zakelijke) contactpersonen van [partij B] ; uitvoerbaar bij voorraad zal bepalen dat bestuurders en (vrijwillig) werknemers zich moeten onthouden van handelingen of gedragingen die nadelig zijn voor de reputatie van [partij B] of [partij A] ; [partij A] zal veroordelen in de door [partij B] gemaakte kosten van rechtsbijstand; – voor het geval de ontbinding wordt toegewezen. 5. een transitievergoeding en een billijke vergoeding zal vaststellen. 4.4. Op de standpunten van partijen wordt hierna nader ingegaan, voor zover dat van belang is voor de beoordeling van het geschil. 5De beoordeling van het verzoek 5.1. Het gaat in deze zaak om het antwoord op de vraag of de tussen partijen bestaande arbeidsovereenkomst moet worden ontbonden. [partij A] heeft primair aangevoerd dat sprake is van verwijtbaar handelen van [partij B] . Indien het beroep op verwijtbaar handelen niet slaagt, heeft [partij A] aangevoerd dat sprake is van een verstoorde arbeidsverhouding. De kantonrechter zal beide gronden bespreken. In het geval dat de arbeidsovereenkomst wordt ontbonden, moet worden beoordeeld op welke vergoedingen [partij B] recht heeft. Omdat [partij B] ziek is, zal eerst worden bekeken of het opzegverbod wegens ziekte in de weg staat aan ontbinding van de arbeidsovereenkomst. Staat het opzegverbod wegens ziekte in de weg aan ontbinding? Nee 5.2. De kantonrechter stelt vast dat sprake is van een opzegverbod, omdat [partij B] als gevolg van ziekte niet in staat is tot het verrichten van arbeid. [partij B] heeft zich immers, zo is ter zitting onweersproken gesteld, op 23 mei 2024 ziekgemeld. Het opzegverbod staat gelet op artikel 7:671b lid 6 BW niet in de weg aan ontbinding, omdat het verzoek van [partij A] tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst geen verband houdt met de ziekte van [partij B] . Het staat vast dat [partij A] al in februari 2024 aan [partij B] heeft laten weten dat zij de arbeidsovereenkomst wilde beëindigen door middel van een vaststellingsovereenkomst. Het verzoek is gebaseerd op verwijtbaar handelen van [partij B] dan wel het verstoord raken van de arbeidsrelatie. Deze beide gronden staan los van de later opgetreden arbeidsongeschiktheid van [partij B] . Beoordelingskader 5.3. Aan de orde is de vraag of de arbeidsovereenkomst tussen partijen moet worden ontbonden. De kantonrechter stelt voorop dat uit artikel 7:669 lid 1 BW volgt dat de arbeidsovereenkomst alleen kan worden ontbonden indien daar een redelijke grond voor is en herplaatsing van de werknemer binnen een redelijke termijn niet mogelijk is of niet in de rede ligt. Heeft [partij B] verwijtbaar gehandeld? Nee 5.4. Als uitgangspunt geldt dat uit artikel 7:669 lid 3 onder e BW volgt dat de arbeidsovereenkomst kan worden ontbonden als sprake is van verwijtbaar handelen of nalaten van de werknemer, zodanig dat van de werkgever in redelijkheid niet kan worden gevergd de arbeidsovereenkomst te laten voortduren. [partij A] heeft in dat kader aangevoerd dat het verwijtbaar handelen van [partij B] is gelegen in de omstandigheid dat zij een disproportionele urendeclaratie heeft ingediend en dat zij daarnaast meerdere onjuiste declaraties en onttrekkingen heeft gedaan. [partij A] heeft een overzicht opgesteld van declaraties door [partij B] in de periode van november 2015 tot en met juni 2021. Dat overzicht sluit op een bedrag van € 31.182,54. Het gaat om onder meer de huur van een studio, verzendkosten, hostingkosten en verscheidene mandjes en naaibenodigdheden voor de onderneming [bedrijf] , de onderneming van [partij B] , evenals reiskosten. [partij B] heeft hier geen duidelijkheid over kunnen geven, aldus [partij A] . 5.5. [partij B] heeft weersproken dat er sprake is van verwijtbaar handelen. De urendeclaratie was volgens haar niet disproportioneel. [partij B] heeft gedurende een lange periode 24 uur per dag bereikbaarheidsdiensten gedraaid voor [partij A] . [partij B] werd door het 24/7 doorschakelen van de diensttelefoon verantwoordelijk voor het coördineren en verwerken van gemiddeld 45 opdrachten per week. Dit stond nog los van de overige werkzaamheden, zoals het nabewerken van foto’s, verwerken van post en mail, beheren van social media, fondsenwerving, etc. Uiteindelijk heeft dit geleid tot een ziekmelding van [partij B] . Nadien heeft ze weer doorgewerkt, totdat er in februari 2022 borstkanker bij haar werd geconstateerd en [partij B] zich opnieuw ziek heeft moeten melden. Vanaf mei 2023 is [partij B] gestart met de re-integratie. [partij B] heeft toen ook de niet aflatende werkdruk van het jaar 2021 besproken. De terugkeer in haar eigen functie is, ondanks een volledige betermelding, niet van de grond gekomen. Uiteindelijk heeft [partij B] op 12 februari 2024 het overzicht gestuurd van haar overuren met het verzoek om afwikkeling daarvan, zodat partijen met een schone lei konden samenwerken in het nieuwe jaar. Verder heeft [partij B] aangevoerd dat van onjuiste declaraties of onttrekkingen geen sprake is geweest. De studio, de mandjes en de naaibenodigdheden waren allemaal bestemd voor [partij A] , aldus [partij B] . 5.6. De kantonrechter is van oordeel dat de naar voren gebrachte feiten en omstandigheden geen verwijtbaar handelen van [partij B] opleveren. Als uitgangspunt geldt daarbij dat [partij A] de stelplicht en, bij voldoende gemotiveerde betwisting, de bewijslast draagt van de aan [partij B] gemaakte verwijten. Dat [partij B] verwijtbaar heeft gehandeld, heeft [partij A] echter niet aangetoond. Het volgende is daarbij verder van belang. 5.7. Het stond [partij B] vrij om te verzoeken om uitbetaling van de overwerkuren. [partij A] had – ook indien het om een in haar visie disproportionele omvang ging – om een (nadere) toelichting en onderbouwing kunnen vragen en vervolgens zich, aan de hand van het verzoek en de nader verkregen gegevens en de overigens bij haar bekende gegevens een oordeel kunnen vormen over (de omvang van) het overwerk. Aan de hand daarvan had zij dan kunnen vaststellen of en tot welk bedrag de aanspraak van [partij B] terecht was. Het verzoek van [partij B] en de wijze waarop dat is gedaan levert geen verwijtbaar handelen op. 5.8. Ook de gestelde onjuiste declaraties en onttrekkingen kunnen niet de conclusie rechtvaardigen dat sprake is van verwijtbaar handelen. Uit het overzicht dat door [partij A] is ingediend, blijkt dat de declaraties, waarvan [partij A] stelt dat deze onterecht zijn, in overwegende mate betrekking hebben op de periode vóór de indiensttreding op 1 oktober 2020. Zonder nadere toelichting, die ontbreekt, valt niet in te zien dat [partij B] tijdens haar dienstverband verwijtbaar heeft gehandeld door declaraties en/of onttrekkingen van vóór het aangaan van het dienstverband. Daar komt bij dat [partij B] gemotiveerd en grotendeels onweersproken heeft toegelicht dat die declaraties ten behoeve van [partij A] zijn gedaan. Ten aanzien van de gestelde declaraties/onttrekkingen na de indiensttreding gaat het nog om een bedrag van € 4.554,29 in plaats van € 31.182,54, bestaande uit 8 maanden huur voor de studio (€ 3.040,00), een woodlaser (€ 975,26) en reiskosten (€ 539,03). Voor wat betreft de huur van de studio kan daarbij ook worden opgemerkt dat (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.