RECHTBANK OVERIJSSEL Team Strafrecht Meervoudige kamer Zittingsplaats Zwolle Parketnummers: 71.295663.23 en 71.085224.24 (P) Datum vonnis: 1 oktober 2024 Vonnis op tegenspraak in de zaak van de officier van justitie tegen: [verdachte] , geboren op [geboortedatum] 1978 in [geboorteplaats] (Volksrepubliek China), nu verblijvende in de P.I. [locatie]. 1Het onderzoek op de terechtzitting Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 10 september 2024. Het onderzoek is op 1 oktober 2024 gesloten. De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie en van wat door verdachte en zijn raadsman mr. G.R. Stolk, advocaat in Schiedam, naar voren is gebracht. Voor de leesbaarheid van dit vonnis nummert de rechtbank de feiten als volgt: het feit van de zaak met parketnummer 71-295663-23 als feit 1; het feit van de zaak met parketnummer 71-085224-24 als feit 2; 2De tenlastelegging De verdenking komt er, na wijziging van de tenlastelegging als bedoeld in artikel 314a van het Wetboek van Strafvordering (Sv) van 3 april 2024, kort en zakelijk weergegeven, op neer dat verdachte, samen met anderen of alleen, feit 1: verschillende soorten verdovende middelen heeft verkocht, afgeleverd, verstrekt, vervoerd en/of aanwezig heeft gehad. feit 2: ketamine in voorraad heeft gehad, zonder te beschikken over een registratie of handelsvergunning. Voluit luidt de tenlastelegging aan verdachte, dat: 1. hij in of omstreeks de periode van 16 maart 2023 tot en met 8 november 2023, te Amsterdam en/of te Den Haag en/of te Maarssen, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, meermalen, althans eenmaal, (telkens) opzettelijk - heeft verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, en/of aanwezig heeft gehad (1,03 gram cocaïne, en/of 9,14 gram metamfetamine, en/of 16,76 gram MDMA (XTC) en/of 2197 gram MDMA (XTC)), in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne en/of metamfetamine en/of MDMA (XTC), zijnde cocaïne en/of metamfetamine en/of MDMA (XTC) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet; 2. hij op of omstreeks 8 november 2023, te Den Haag, althans in Nederland, tezamen en in verenging met een of meer anderen, althans alleen, meermalen, althans eenmaal, al dan niet opzettelijk zonder registratie (een grote hoeveelheid/hoeveelheden van een) werkzame stoffen en/of een geneesmiddel waarvoor geen handelsvergunning geldt, te weten 1,79 gram ketamine, in voorraad heeft gehad. 3 3. De bewijsmotivering 3.1 Inleiding [verdachte] is één van de verdachten die betrokken zijn bij het opsporingsonderzoek van de landelijke recherche genaamd ‘26Alblas’. Dit onderzoek vangt aan nadat er op 2 en 3 juni 2023 vier postpakketten, alle bestemd voor hetzelfde adres in Maleisië, op Schiphol zijn gecontroleerd. De pakketten bleken in totaal 72 kilogram MDMA-pillen te bevatten. Na verder onderzoek is medeverdachte [medeverdachte] door een verbalisant op camerabeelden herkend als verzender van een van deze postpakketten. [medeverdachte] is na deze onderzoeksbevindingen vanaf 2 oktober 2023 enige tijd geobserveerd. Op 8 november 2023 bezocht [medeverdachte] een portiekwoning aan de [adres 1]. [medeverdachte] verliet het portiek met een gevulde Albert Heijn-tas. Toen hij deze tas bij een woning aan de [adres 2] wilde afleveren, werd hij staande gehouden door de politie. De verbalisanten zagen dat in de tas verpakkingen met gekleurde pillen zaten. [medeverdachte] is daarop op heterdaad aangehouden. Bij nader onderzoek bleek het om twee kilogram MDMA te gaan. De woning aan de [adres 1] werd na de aanhouding van [medeverdachte] doorzocht. [verdachte] was bij binnentreding van die woning als enige persoon in de woning aanwezig. In de woning zijn verschillende soorten verdovende middelen en geld aangetroffen, waarna [verdachte] is aangehouden. 3.2 Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat beide feiten wettig en overtuigend bewezen kunnen worden. 3.3 Het standpunt van de verdediging De raadsman stelt zich op het standpunt dat [verdachte] van beide feiten vrijgesproken moet worden. 3.4 Het oordeel van de rechtbank Feit 1 Het verwijt dat [verdachte] gemaakt wordt onder feit 1 kan in twee delen opgesplitst worden: de verdovende middelen die in de woning zijn aangetroffen en de verdovende middelen die bij medeverdachte [medeverdachte] in de Albert Heijn-tas zijn aangetroffen. Verdovende middelen in de woning De rechtbank spreekt [verdachte] vrij van het aanwezig hebben van de verdovende middelen in de woning aan de [adres 1]. [verdachte] was niet de enige persoon die in de woning verbleef. De verdovende middelen lagen verspreid door de woning, soms verstopt in blikjes of in een sigarettendoosje. Uit het dossier blijkt onvoldoende dat de drugs van [verdachte] waren en/of dat hij daarover kon beschikken. De enkele omstandigheid dat deze drugs in de woning zijn aangetroffen, terwijl hij ook in de woning was, is daartoe onvoldoende. Verdovende middelen in de Albert Heijn-tas De rechtbank acht dit deel van de tenlastelegging wel wettig en overtuigend bewezen. Medeverdachte [medeverdachte] is op 8 november 2023 op heterdaad aangehouden met ruim 2 kilogram MDMA in een Albert Heijn-tas. Deze tas met MDMA kreeg hij in de woning aan de [adres 4] overhandigd in het bijzijn van een man en een vrouw. Nadat [medeverdachte] met de tas MDMA aangehouden werd, bleek [verdachte] als enige in de woning aan de [adres 1] aanwezig te zijn. In de telefoon van [verdachte] zijn foto’s van etiketten en postpakketten aangetroffen die vanaf verschillende adressen in Den Haag naar het buitenland werden verzonden. Ook bevat de telefoon video’s en foto’s van vermoedelijk synthetische drugs en van verschillende op XTC gelijkende tabletten en de productie daarvan. Er is tot slot een video aangetroffen van een tabletteermachine en video’s van het openen van goederen waarin vermoedelijk verdovende middelen verborgen zaten. Uit de telefoongegevens van [verdachte] en [medeverdachte] volgt verder dat zij regelmatig telefonisch contact hadden. Ze stuurden berichten om met elkaar af te spreken, spraken over bestellingen, kosten van snoepjes en stenen die gebracht gaan worden en er is een foto gestuurd van vermoedelijk MDMA/XTC pillen. De rechtbank concludeert op basis van de bewijsmiddelen in onderling verband en in samenhang bezien, dat [verdachte] aanwezig was bij het overhandigen van de tas met MDMA aan [medeverdachte]. [verdachte] heeft aldus samen met een onbekend gebleven vrouw de verdovende middelen aanwezig gehad en verstrekt aan [medeverdachte], die de drugs vervolgens heeft vervoerd. [verdachte] kan daarom aangemerkt worden als medepleger van het bezit en het verstrekken van de drugs. Feit 2 De rechtbank acht niet bewezen wat aan verdachte onder 2 is ten laste gelegd, zodat zij hem daarvan zal vrijspreken. Op basis van het dossier kan de rechtbank niet vaststellen dat de aangetroffen stof ketamine betreft. Er is slechts een indicatieve test gedaan, de stof is niet nader onderzocht door het NFI. 3.5 De bewezenverklaring De rechtbank acht op grond van de in de bijlage opgenomen bewijsmiddelen, waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt, wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan, met dien verstande dat: 1. hij op 8 november 2023, te Den Haag, tezamen en in vereniging met een ander, opzettelijk - heeft verstrekt en - aanwezig heeft gehad 2197 gram MDMA, zijnde een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I. De rechtbank acht niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd, zodat zij hem daarvan zal vrijspreken. 4De strafbaarheid van het bewezen verklaarde Het bewezen verklaarde is strafbaar gesteld in de artikelen 2 en 10 van de Opiumwet. Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Het bewezen verklaarde levert op: feit 1 het misdrijf: medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder B van de Opiumwet gegeven verbod. 5De strafbaarheid van verdachte Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De rechtbank oordeelt daarom dat verdachte strafbaar is voor het bewezen verklaarde feit. 6De op te leggen straf of maatregel 6.1 De vordering van de officier van justitie De officier van justitie vordert aan [verdachte] een gevangenisstraf van veertien maanden en een geldboete van € 2.000,-- op te leggen. De tijd die verdachte in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, moet op de gevangenisstraf in mindering worden gebracht. 6.2 Het standpunt van de verdediging De raadsman verzoekt aan [verdachte] een straf op te leggen die gelijk is aan de duur van de reeds ondergane voorlopige hechtenis, gecombineerd met een voorwaardelijke strafdeel. 6.3 De gronden voor een straf of maatregel Bij de strafoplegging houdt de rechtbank rekening met de aard en de ernst van het gepleegde feit, de omstandigheden waaronder het feit is begaan en de persoon van verdachte zoals die uit het dossier en tijdens de behandeling ter terechtzitting naar voren zijn gekomen. Aard en ernst van het strafbare feit [verdachte] heeft zich samen met een ander schuldig gemaakt aan het verstrekken en aanwezig hebben van ruim twee kilogram MDMA. Harddrugs vormen een gevaar voor de volksgezondheid en het gebruik ervan is bezwarend voor de samenleving, onder andere vanwege de criminaliteit die ermee gepaard gaat en het ondermijnende karakter daarvan. Een aanmerkelijk deel van de criminaliteit vindt haar oorsprong direct of indirect in de productie, handel en het gebruik van drugs. Verdachte heeft daaraan een bijdrage geleverd en heeft hier door zijn zwijgende houding geen verantwoordelijkheid voor genomen. Persoon van de verdachte Uit het strafblad van verdachte van 6 september 2024 volgt dat hij in Nederland niet eerder is veroordeeld voor strafbare feiten. Strafoplegging De rechtbank is van oordeel dat de handel in verdovende middelen krachtig bestreden moet worden en zal daarom een onvoorwaardelijke gevangenisstraf aan [verdachte] opleggen. De Landelijke Oriëntatiepunten Vakinhoud Strafrecht (LOVS) vormen voor de rechtbank het uitgangspunt bij het bepalen van de strafmaat. Het oriëntatiepunt voor het handelen in verdovende middelen van deze omvang, is een gevangenisstraf van twaalf maanden. De handel in verdovende middelen heeft vaak een financieel motief, daarom zal de rechtbank ook een geldboete aan [verdachte] opleggen, zodat hij de straf ook “in zijn portemonnee” voelt. De rechtbank acht een gevangenisstraf voor de duur van twaalf maanden en een geldboete van € 2.000,-- passend en geboden. De tijd die [verdachte] in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, wordt op de straf in mindering gebracht. De tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de verdachte in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma als bedoeld in artikel 4 van de Penitentiaire beginselenwet. 6.4 De in beslag genomen voorwerpen De geldbedragen en verdovende middelen die in de woning van [verdachte] zijn aangetroffen zijn in beslag genomen. De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat de geldbedragen in bewaring ten behoeve van de rechthebbende(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.