RECHTBANK OVERIJSSEL Team Strafrecht Meervoudige kamer Zittingsplaats Zwolle Parketnummer: 08-963572-20 (P) Datum vonnis: 8 oktober 2024 Vonnis op tegenspraak in de zaak van de officier van justitie tegen: [verdachte] , geboren op [geboortedatum] 1979 in [geboorteplaats] , wonende aan de [woonplaats] . 1Het onderzoek op de terechtzitting Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzittingen van 17 oktober 2023, 24 oktober 2023, 21 november 2023, 17 september 2024 en 8 oktober 2024. De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officieren van justitie (hierna ook in enkelvoud aangeduid als officier van justitie) en van hetgeen door verdachte en zijn raadsman mr. M. Jonk, advocaat te Amsterdam, naar voren is gebracht. 2De tenlastelegging De verdenking komt er, kort en zakelijk weergegeven, op neer dat verdachte zich in de periode van 1 januari 2017 tot en met 13 juni 2019, samen met anderen, schuldig heeft gemaakt aan het (gewoonte)witwassen van een of meer (contante) geldbedragen/overboekingen. De volledige tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht. 3De bewijsoverwegingen 3.1 Inleiding In de onderzoeken 26Largo en 26Arcardia, waarin strafrechtelijk onderzoek werd gedaan naar de motorclub [motorclub] , als zijnde een criminele organisatie en het witwassen van crimineel verkregen vermogen door leden van [motorclub] , werd een aantal verdachten aangemerkt als facilitators van dit witwassen. Hierop werd in 2018 onderhavig onderzoek met de naam 26Ederena opgestart. In dit onderzoek gaat het om de verdenking dat er geld is witgewassen bij onder meer de koop van de woning aan de [adres 1] . Verdachte wordt er in dit onderzoek van verdacht dat hij samen met anderen door middel van verschillende constructies, waarbij hij gebruik maakte van verscheidene ondernemingen, en van verschillende bank- en bedrijfsrekeningen, heeft geprobeerd de herkomst van de (vermoedelijk) criminele gelden te verhullen. 3.2 Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft het standpunt ingenomen dat het ten laste gelegde wettig en overtuigend kan worden bewezen, met dien verstande dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van het gewoontewitwassen van de ten laste gelegde geldbedragen. 3.3 Het standpunt van de verdediging De raadsman heeft integrale vrijspraak bepleit, nu het enige direct belastende bewijs wordt gevormd door de verklaringen van medeverdachte [medeverdachte 1] (hierna: [medeverdachte 1] ). Gelet op artikel 342 lid 2 van het Wetboek van Strafvordering (Sv) kan dit niet tot een bewezenverklaring leiden. Verder heeft hij aangevoerd dat mevrouw [naam 1] (hierna: [naam 1] ), de ex-partner van verdachte, heeft kunnen beschikken over de en/of-bankrekeningen die in de tenlastelegging zijn opgenomen, alsmede over de bankrekening van [bedrijf 1] N.V. (hierna: [bedrijf 1] ). De getuigenverklaringen van [naam 1] en medeverdachte [medeverdachte 2] (hierna: [medeverdachte 2] ) kunnen volgens de raadsman niet tot het bewijs worden gebezigd, omdat de verdediging deze belastende verklaringen niet heeft kunnen toetsen en het gebruik van die verklaringen daarom in strijd is met artikel 6 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM). Tevens zijn deze verklaringen niet op betrouwbaarheid getoetst. Tot slot heeft de verdediging zich op het standpunt gesteld dat het Openbaar Ministerie te weinig onderzoek heeft gedaan naar een ander scenario, zoals door de verdediging geschetst. Door de raadsman is verzocht om [verdachte] , [naam 2] en de curator van [bedrijf 1] als getuigen te horen. Daarnaast heeft hij verzocht om vorderingen bij de ING in te dienen voor het verstrekken van IP-adressen vanaf waar verschillende transacties zijn verricht en voor het verstrekken van gegevens over de opening van en toegang tot de rekeningen van verdachte en [naam 1] , [bedrijf 1] , [bedrijf 2] B.V. (hierna: [bedrijf 2] ), [bedrijf 3] GMBH (hierna: [bedrijf 3] ) en [naam 4] . Ook wordt verzocht om vorderingen in te dienen bij [bedrijf 4] (online gokkantoor) voor het verstrekken van gegevens van de accounthouder en het IP-adres waarmee op de website is ingelogd om de betrouwbaarheid van de verklaring van [naam 1] te kunnen toetsen. Ten slotte is verzocht om het proces-verbaal van de doorzoeking in de woning van verdachte in 2018 in de zaak met parketnummer 15/872149-17 aan het dossier toe te voegen, omdat daaruit zou blijken dat nimmer enig document met enige relatie tot een van de vennootschappen is aangetroffen bij verdachte. De rechtbank heeft de verzoeken tot het verrichten van nader onderzoek aangehouden en meegedeeld daarop bij tussenvonnis of eindvonnis te beslissen, afhankelijk van de uitkomst van het beraad op dit punt. 3.4 Het oordeel van de rechtbank 3.4.1 Juridisch kader witwassen De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld of er sprake is van witwassen. Om te komen tot een bewezenverklaring van witwassen moet vaststaan dat de geldbedragen of goederen middellijk of onmiddellijk afkomstig zijn uit enig misdrijf. In bestendige jurisprudentie van de Hoge Raad is bepaald dat niet hoeft te worden bewezen door wie, wanneer en waar dit misdrijf is gepleegd. Het gronddelict hoeft dus niet bewezen te worden. Voor het geval dit gronddelict niet uit het dossier blijkt, is in de jurisprudentie een toetsingskader ontwikkeld, om te beoordelen of een voorwerp ‘afkomstig is uit enig misdrijf’. Nu verdachte (en zijn medeverdachten) in onderhavig zaaksdossier wordt verweten geldbedragen en goederen te hebben witgewassen zonder dat duidelijk is uit welk misdrijf deze geldbedragen en goederen afkomstig zijn, zal de rechtbank dit toetsingskader hanteren. Allereerst dient er sprake te zijn van een vermoeden van witwassen. Het Openbaar Ministerie moet feiten en omstandigheden aandragen die van zodanige aard zijn, dat zonder meer sprake is van een witwasvermoeden. Als er sprake is van een witwasvermoeden, mag van de verdachte worden verlangd dat hij een concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring geeft dat het geld of de goederen niet van misdrijf afkomstig zijn. De omstandigheid dat zo een verklaring van de verdachte mag worden verlangd, houdt niet in dat het aan de verdachte is om aannemelijk te maken dat het voorwerp niet van misdrijf afkomstig is. Bij de beoordeling van de verklaring van de verdachte spelen de omstandigheden waaronder en het moment en de wijze waarop deze verklaring tot stand is gekomen een rol. Zo kan het van belang zijn of de verdachte van meet af aan tegenwicht tegen de verdenking heeft geboden of dat hij pas in een laat stadium van het onderzoek is gaan verklaren op een wijze die aan de hiervoor genoemde eisen voldoet. Wanneer naar het oordeel van de rechtbank geen sprake is van een concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring, dan is het bewijsvermoeden voldoende voor een bewezenverklaring van het onderdeel ‘afkomstig uit enig misdrijf’. Zodra het door de verdachte geboden tegenwicht daartoe aanleiding geeft, ligt het op de weg van het Openbaar Ministerie om nader onderzoek te doen naar de, uit de verklaringen van de verdachte blijkende, alternatieve herkomst van het geld of de goederen. Uit de resultaten van een dergelijk onderzoek zal moeten blijken dat met voldoende mate van zekerheid kan worden uitgesloten dat de geldbedragen of goederen waarop de verdenking betrekking heeft, een legale herkomst hebben en dat dus een criminele herkomst als enige aanvaardbare verklaring kan gelden. Als het op grond van de vastgestelde feiten en omstandigheden niet anders kan zijn dan dat het voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is, zal een bewezenverklaring volgen voor het bestanddeel ‘afkomstig uit enig misdrijf’. Tot slot dient de rechtbank vast te stellen dat verdachte opzet had op het witwassen, waarvoor voorwaardelijk opzet voldoende is. 3.4.2 De bewijsmiddelen De voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden blijken uit de in de voetnoten opgenomen bewijsmiddelen. 3.4.2.1 Vaststelling feiten en omstandigheden De rechtbank stelt op basis van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting de volgende feiten en omstandigheden vast. Op 30 januari 2017 heeft er via een makelaar een bezichtiging plaatsgevonden in de woning aan de [adres 1] . Deze bezichtiging is aangevraagd door ene “ [verdachte] ”. Deze bezichtiging heeft geleid tot de aankoop van de woning. Het koopcontract is op 10 februari 2017 door medeverdachte [medeverdachte 2] namens [bedrijf 5] BV (hierna: [bedrijf 5] ) getekend. [bedrijf 5] is een uitzendbureau dat zich bezighoudt met het detacheren van personeel en het bemiddelen bij het tot stand komen van arbeidsovereenkomsten. Bestuurder en enig aandeelhouder van [bedrijf 5] is [bedrijf 6] B.V., waarvan [medeverdachte 2] bestuurder en enig aandeelhouder is. Medeverdachte [medeverdachte 3] (hierna: [medeverdachte 3] ) heeft op 10 april 2017 via het e-mailadres [e-mailadres 1] een oude akte van levering van de woning aan de [adres 1] opgevraagd bij Kadasterdata. Uiteindelijk is de woning aan de [adres 1] op 13 april 2017 aan [bedrijf 5] geleverd. Bij deze transactie werd [bedrijf 5] vertegenwoordigd door [medeverdachte 2] . De levering vond plaats bij notariskantoor [bedrijf 8] in Aalsmeer. De kosten voor de woning zijn door medeverdachte [medeverdachte 4] (hierna: [medeverdachte 4] ) in negen overboekingen via rekening [rekeningnummer 1] van De [bedrijf 7] (hierna: [bedrijf 7] ) overgemaakt naar rekening [rekeningnummer 2] van (notaris) [bedrijf 8] (hierna: [bedrijf 8] ). Het totale aankoopbedrag van de woning bedroeg € 357.149,95. Eén van deze overboekingen betreft een bedrag van € 50.000,-- dat door [medeverdachte 4] op 23 maart 2017 werd overgemaakt van [bedrijf 7] naar [bedrijf 8] . Hieraan gingen onder meer de volgende transacties vooraf: op 20 maart 2017 werd € 3.600,-- contant gestort op rekening [rekeningnummer 3] van [verdachte] en/of [bedrijf 10] ; op 20 maart 2017 werd € 3.500,-- overgemaakt van [verdachte] en/of [bedrijf 10] naar rekening [rekeningnummer 6] van de [bedrijf 1] NV (hierna: [bedrijf 1] ) (omschrijving: ‘Tijd. verstrekking’); op 20 maart 2017 werd € 3.400,-- overgemaakt van [bedrijf 1] naar rekening [rekeningnummer 4] van [bedrijf 2] BV (hierna: [bedrijf 2] ) (omschrijving: ‘Factuur [nummer 1] ’); op 20 maart 2017 werd € 9.679,65 overgemaakt van rekening [rekeningnummer 5] van [bedrijf 11] naar [bedrijf 1] (omschrijving: ‘ [nummer 2] ’); op 21 maart 2017 werd € 700,--, € 200,-- en € 7.000,-- overgemaakt van rekening [rekeningnummer 7] van de Ierse [bedrijf 4] naar [verdachte] en/of [bedrijf 10] (omschrijvingen: ‘ [nummer 3] ’, ‘ [nummer 4] ’ en ‘ [nummer 5] ’); op 21 maart 2017 werd € 7.500,-- overgemaakt van [verdachte] en/of [bedrijf 10] naar [bedrijf 1] (omschrijving: ‘Tijd verstrekking’); op 21 maart 2017 werd € 9.500,-- en € 4.500,-- overgemaakt van [bedrijf 1] naar [bedrijf 2] (omschrijvingen: ‘Factuur [nummer 6] ’ en ‘Factuur [nummer 7] ’); op 22 maart 2017 werd € 1.950,-- contant gestort op rekening [verdachte] en/of [bedrijf 10] ; op 22 maart 2017 werd € 500,-- overgemaakt van [verdachte] en/of [bedrijf 10] naar rekening [rekeningnummer 8] van de Duitse rechtspersoon [bedrijf 3] GmbH (hierna: [bedrijf 3] ); op 22 maart 2017 werd € 500,-- overgemaakt van [bedrijf 3] naar [bedrijf 2] (omschrijving: ‘Teveel betaald’); op 21, 22 en 23 maart 2017 werd respectievelijk € 12.500,--, € 4.500,-- en € 500,-- overgemaakt van [bedrijf 2] naar rekening [rekeningnummer 9] van [bedrijf 12] BV (hierna: [bedrijf 12] ) (telkens omschrijving: ‘Overeenkomst [bedrijf 13] ’); op 23 maart 2017 werd € 14.000,-- contant gestort op [bedrijf 12] ; op 23 maart 2017 werd € 7.500,-- contant gestort op [bedrijf 14] BV (hierna: [bedrijf 14] ); op 23 maart 2017 werd € 7.500,-- overgemaakt van [bedrijf 14] naar [bedrijf 12] (omschrijving: ‘investering [bedrijf 5] ’); op 23 maart 2017 werd € 41.000,-- overgemaakt van [bedrijf 12] naar [bedrijf 7] (omschrijving: ‘Dossier [adres 1] ’). [bedrijf 1] houdt zich, volgens haar doelomschrijving bij de Kamer van Koophandel, bezig met het in opdracht adviseren en verlenen van consultancy op (hoog) bestuurlijk niveau, zoals (maar niet uitsluitend) internationaal vennootschapsrechtelijk, zowel voor overheid- als bedrijfsleven. Op papier is de enig aandeelhouder en bestuurder van deze vennootschap de in [vestigingsplaats] , China, gevestigde [bedrijf 15] Limited, waar [medeverdachte 1] bestuurder van is. Tot 25 september 2014 was [naam 3] , de vader van verdachte, bestuurder en enig aandeelhouder. Tot 1 februari 2016 was [naam 1] , de ex-partner van verdachte, gevolmachtigde. Van [bedrijf 1] zijn sinds de oprichting in 2013 geen jaarrekeningen gedeponeerd en [bedrijf 1] verkeert sinds 6 november 2018 in staat van faillissement. Van de bankrekening van [bedrijf 1] worden in 2017 (onder andere) geldbedragen ontvangen van en overgeboekt naar diverse privérekeningen van verdachte. [bedrijf 2] richt zich, volgens haar doelomschrijving bij de Kamer van Koophandel, op de dienstverlening, advisering en uitvoering van werkzaamheden op het gebied van veiligheidsmanagement, personenstromenanalyse en de preventie en beheersing van massapaniek. Tevens richt [bedrijf 2] zich op het controleren, beheersen en minimaliseren van risico’s voor en in opdracht. Op papier is [medeverdachte 1] sinds 20 juni 2016 directeur. Vanaf 24 april 2017 is [bedrijf 16] BVBA (hierna: [bedrijf 16] ) enig aandeelhouder, waarvan [medeverdachte 1] op papier ook directeur is. Voor 24 april 2017 was dit [naam 2] . [bedrijf 12] ( [bedrijf 17] ) is door getuige [getuige 1] namens [medeverdachte 2] opgericht en richt zich, volgens de inschrijving in de Kamer van Koophandel (hierna: KvK), op de groothandel in en verwerking van bloemen en planten en de bemiddeling in de handel van bloemen en planten op commissiebasis. De uiteindelijke bestuurder van [bedrijf 12] is [medeverdachte 2] . Sinds de oprichting van [bedrijf 12] is er geen jaarrekening ingediend bij de KvK. [bedrijf 12] heeft voor het jaar 2016 een totale omzet opgegeven van € 1.347, voor 2017 € 1.090 en van 2018 is geen omzet bekend. Verder werd namens de vennootschap geen aangifte gedaan van vennootschapsbelasting en werden er ambtshalve aanslagen en verzuimboetes opgelegd. Op de bankrekening van [bedrijf 12] vonden jaarlijks de volgende af- en bijschrijvingen en contante stortingen plaats. Jaar Afgeschreven Bijgeschreven Contante stortingen 2016 € 125.341,22 € 126.876,03 € 79.430,-- 2017 € 1.055.695,79 € 1.066.790,65 € 370.322,48 2018 € 58.942,-- € 46.312,33 € 477,77 Totaal € 1.239.979,01 € 1.239.979,01 € 450.240,25 De ING-bank heeft in haar onderzoeksrapport van 18 april 2018 geschreven dat zij vermoedt dat de bankrekening van [bedrijf 12] is gebruikt bij het witwassen van crimineel geld. ING heeft de rekening van [bedrijf 12] daarom opgezegd. [medeverdachte 2] stond al in het interne verwijzingsregister en werd geweerd als klant, omdat hij volgens de ING in 2016 betrokken zou zijn geweest bij factuurfraude. Medeverdachte [medeverdachte 5] is bestuurder van [bedrijf 14] . Dit bedrijf richt zich, volgens de doelomschrijving bij de KvK, op operational lease van personenauto’s en lichte bedrijfsauto’s, het in- en verkopen van auto’s, het verhuren en verleasen van auto’s, de im- en export van auto’s en de bijbehorende financiering. Een andere overboeking die door [medeverdachte 4] vanaf de bankrekening van [bedrijf 7] werd overgemaakt naar [bedrijf 8] betreft een bedrag van € 67.000,-- op 10 april 2017. Hier zijn de volgende transacties aan voorafgegaan: op 10 april 2017 werd € 9.910,-- contant gestort op de rekening van [verdachte] en/of [bedrijf 10] ; op 10 april 2017 werd € 10.000,-- overgemaakt van [verdachte] en/of [bedrijf 10] naar [bedrijf 3] (omschrijving: ‘Eigen bijdrage voertuigen’); op 10 april 2017 werd € 9.950,-- contant gestort op de rekening van [bedrijf 2] ; op 10 april 2017 werd € 9.500,-- overgemaakt van [bedrijf 2] naar [bedrijf 18] BVBA (hierna: [bedrijf 18] ) (omschrijving: ‘Factuur [nummer 8] ’); op 10 april 2017 werd € 10.000,-- overgemaakt van [bedrijf 3] naar [bedrijf 18] ; op 10 april 2017 werd € 10.000,--, € 9.850,-- en € 1.100,-- contant gestort op de rekening van [bedrijf 18] ; op 10 april 2017 werd € 40.000,-- overgemaakt van [bedrijf 18] naar [bedrijf 7] (omschrijving: ‘Lening [bedrijf 5] ’); op 10 april 2017 werd € 9.900,-- contant gestort op de rekening van [bedrijf 19] BV (hierna: [bedrijf 19] ); op 10 april 2017 werd € 9.800,-- overgemaakt van [bedrijf 19] naar [bedrijf 3] (omschrijving: ‘Factuur [nummer 9] ’); op 10 april 2017 werd € 9.900,-- contant gestort op de rekening van [bedrijf 20] ; op 10 april 2017 maakte [bedrijf 20] € 9.750,-- over naar [bedrijf 3] ; op 10 april 2017 werd € 1.550,-- contant gestort op rekening van [naam 4] (zijnde de dochter van [verdachte] ); op 10 april 2017 werd € 1.550,-- overgemaakt van de rekening van [naam 4] naar [verdachte] en/of [bedrijf 10] ; op 10 april 2017 werd € 700,-- en € 18.500,-- overgemaakt van [bedrijf 3] naar [verdachte] en/of [bedrijf 10] (omschrijving: ‘Declaraties en vliegkosten dec-2016’); op 10 april 2017 werd € 20.270,-- overgemaakt van [verdachte] en/of [bedrijf 10] naar [bedrijf 1] (omschrijving: ‘Verrekening kosten incl. tijd verstrekking ultimo’); op 10 april 2017 werd € 9.950,-- contant gestort op de rekening van [bedrijf 1] ; op 10 april 2017 werd € 30.000,-- overgemaakt van [bedrijf 1] naar [bedrijf 7] (omschrijving: ‘Lening [bedrijf 5] ’). Ten tijde van de overboekingen hield [bedrijf 19] B.V. (hierna: [bedrijf 19] ) zich, volgens de doelomschrijving bij de KvK, bezig als internationaal opererend adviesbureau op het gebied van (maar niet uitsluitend) risicobeheersing, risicomanagement en risicoanalyse voor internationale rechtsvormen. Op papier was [medeverdachte 1] de directeur en enig aandeelhouder. Na 2015 zijn er geen jaarrekeningen gedeponeerd en sinds 28 oktober 2017 verkeert [bedrijf 19] in staat van faillissement. [bedrijf 16] houdt zich bezig met de verkoop, bemiddeling, investering en advisering in financiële (im)materiele activa en de koop, verkoop en handel in non-food. [medeverdachte 1] was zaakvoerder. [bedrijf 18] verkeert sinds 5 december 2017 in staat van faillissement en op 18 september 2018 opgeheven. 3.4.2.2 Overwegingen van de rechtbank over de vraag of verdachte al dan niet de feitelijk bestuurder is geweest van [bedrijf 1] , [bedrijf 2] , [bedrijf 19] en/of [bedrijf 16] Naar het oordeel van de rechtbank kan uit het dossier worden afgeleid dat niet [medeverdachte 1] , maar verdachte de feitelijk bestuurder is geweest van de eerdergenoemde ondernemingen [bedrijf 1] , [bedrijf 2] , [bedrijf 19] en [bedrijf 16] en dat verdachte namens die bedrijven ook als zodanig heeft opgetreden. [medeverdachte 1] heeft verklaard dat hij als katvanger voor verdachte diende. Verdachte richtte vennootschappen op voor klanten en had daarvoor tijdelijke bestuurders nodig. [medeverdachte 1] moest zich van verdachte bij de notaris melden waar de onderneming op zijn naam werd gezet. Daarnaast moest hij voor de onderneming een bankrekening openen. [medeverdachte 1] verklaart dat hij de formele bestuurder van [bedrijf 1] , [bedrijf 2] , [bedrijf 16] en [bedrijf 19] was, maar dat verdachte de feitelijk bestuurder was. Verdachte beschikte over de zakelijke bankrekeningen van [bedrijf 2] en [bedrijf 19] . [medeverdachte 1] heeft [bedrijf 19] in opdracht van verdachte van hem overgenomen. Hij heeft [naam 1] meerdere malen ontmoet als hij en verdachte met elkaar hadden afgesproken. [naam 1] nam geen deel aan de zakelijke gesprekken. [naam 1] heeft verklaard dat zij nooit de beschikking heeft gehad over de en/of-bankrekening met rekeningnummer [rekeningnummer 3] . Verdachte had alle bankpassen in beheer. Zij kan zich voorstellen dat ze wel eens contant geld heeft gestort op deze rekening, maar dit geld kwam dan altijd van verdachte. Zij heeft verklaard dat zij nooit werkzaamheden heeft verricht voor [bedrijf 1] en dat zij de vader van verdachte heeft opgevolgd als bestuurder, omdat zij deed wat aan haar gevraagd werd. Onder druk van verdachte heeft zij meerdere documenten ondertekend, zonder dat zij mocht lezen waar dit over ging. Zij zat nooit bij de zakelijk besprekingen tussen [medeverdachte 1] en verdachte. [medeverdachte 4] was hun buurman en goede vriend, en verdachte had veel contact met hem. Daarnaast heeft [medeverdachte 2] verklaard dat hij contant geld in huis had liggen dat hij van leden van [motorclub] had gekregen. Hij had problemen om dit geld giraal te maken. Verdachte vertelde hem dat [bedrijf 1] om contant geld verlegen zat vanwege hun eigen handelsactiviteiten. [medeverdachte 2] heeft vervolgens € 37.000,-- aan contanten aan verdachte gegeven, waarna verdachte dat geld via de rekening van [bedrijf 1] heeft overgemaakt naar de rekening van [bedrijf 12] . Volgens [medeverdachte 2] is een breuk tussen hem en verdachte ontstaan, omdat er een overeenkomst tussen hen bestond en er vervolgens een ondeugdelijke betaling heeft plaatsgevonden vanuit [bedrijf 2] . Uit onder meer observaties en tapgesprekken is gebleken dat [medeverdachte 3] samen met zijn (ex-)partner en zoon, sinds ongeveer 15 oktober 2018 in de woning aan de [adres 1] woont. Bij de doorzoeking van die woning werd een iPad aangetroffen en in beslag genomen. [medeverdachte 3] heeft bij de politie verklaard dat dit zijn iPad is. Op deze iPad is in de mailbox van het e-mailadres [e-mailadres 1] een e-mail van 25 september 2017 aangetroffen, afkomstig van het mailadres [e-mailadres 2] , verzonden aan [e-mailadres 1] , met als onderwerp "FW: boekhouden". [medeverdachte 4] heeft bij de politie verklaard dat [e-mailadres 2] zijn e-mailadres is, dat hij daar af en toe gebruik van maakt en dat verder niemand anders gebruik maakt van dit adres. Als bijlage bij deze e-mail zat het Excelbestand " [bestandsnaam] ", dat op 23 september 2017 is aangemaakt. In dit Excelbestand staan onder het tabblad ‘Huis’ posten opgenomen die te herleiden zijn naar onder meer de koop van de woning. Op het tabblad ‘IN en Uit’ staat in de kolom ‘inkomende gelden’ de vermelding: ‘via buurman [medeverdachte 3]’ en de vermelding ‘bank’. De vermelde bedragen komen overeen met de bijschrijvingen op de bankrekening van [bedrijf 12] afkomstig van de rekeningen van [bedrijf 1] en [bedrijf 19] . Verdachte woonde aan de [adres 2] . [medeverdachte 4] woonde aan de [adres 3] . Zij waren buren. Dit komt overeen met de verklaring van [naam 1] . Onder het tabblad ‘shit [naam 5] ’ staat onder meer een bedrag van € 10.000,-- met daarbij de omschrijving ‘Boeking [medeverdachte 3] de buurman bevroren’. Door de ING-bank wordt op deze boeking beslag gelegd, omdat het geld dat op de rekening van [bedrijf 2] zou zijn gestort, afkomstig zou zijn van factuurfraude. Door de ING-wordt een mail verstuurd naar het e-mailadres [e-mailadres 3] waarin aan ‘de heer [verdachte]’ een verklaring wordt gevraagd voor deze boeking en het feit dat vervolgens een deel van dit bedrag (€ 10.000,00) is doorgeboekt naar de rekening van [bedrijf 1] en vervolgens naar de rekening van [bedrijf 12] . Op deze mail wordt door het e-mailadres [e-mailadres 3] gereageerd met als afzender ‘[medeverdachte 3] [verdachte]’, zijnde verdachte. Dit komt overeen met de verklaring van [medeverdachte 2] over de ondeugdelijke of mislukte betaling door verdachte namens [bedrijf 2] . Door de verdediging is aangevoerd dat de verklaringen van de getuigen [naam 1] en [medeverdachte 2] niet tot het bewijs kunnen worden gebezigd, omdat deze verklaringen onbetrouwbaar en ongeloofwaardig zijn en de verdediging geen mogelijkheid heeft gehad om deze getuigen nader te ondervragen en hun verklaringen aldus te toetsen. De rechtbank verwerpt dit verweer, nu zij vaststelt dat delen van de verklaringen van deze getuigen worden ondersteund door de andere hiervoor genoemde bewijsmiddelen, te weten de verklaringen van [medeverdachte 1] en het aangetroffen Excel-bestand en de daarbij behorende mailwisselingen. Daarnaast stelt de rechtbank vast dat [naam 1] op 20 februari 2024 door de politie als getuige is gehoord. De raadsman had op voorhand aangegeven niet bij dat verhoor aanwezig te zullen zijn en heeft vóór dat verhoor schriftelijk een aantal vragen ingediend die in dat verhoor zijn verwerkt. [medeverdachte 2] is op 4 maart 2024 door de politie als getuige gehoord. De raadsman was met toestemming van de rechtbank bij dit verhoor aanwezig en is in de gelegenheid gesteld om vragen te stellen aan de getuige. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat de verdediging wel de kans heeft gehad om de getuigen te ondervragen. Dat de raadsman er voor heeft gekozen om bij het verhoor van [naam 1] niet aanwezig te zijn, maakt dit niet anders. De rechtbank is gezien het bovenstaande van oordeel dat de verklaringen van de getuigen betrouwbaar zijn én dat de verdediging haar ondervragingsrecht heeft kunnen benutten, zodat de verklaringen voor het bewijs kunnen worden gebezigd. 3.4.2.3 Toepassen toetsingskader Op basis van de hierboven opgenomen bewijsmiddelen is de rechtbank van oordeel dat sprake is van een witwasvermoeden. Er is sprake geweest van meerdere branchevreemde overboekingen, zonder dat daar een redelijk economisch doel voor was. Er werd geld rondgepompt tussen rekeningen van (veelal) rechtspersonen die niets te maken lijken te hebben met de aankoop van en/of de handel in onroerend goed. Daarnaast werd een katvanger als bestuurder van de rechtspersonen ingezet, zodat verdachte buiten schot zou blijven. Ook zijn er voor deze overboekingen geen overeenkomsten of facturen aanwezig. Daarnaast gingen aan veel overboekingen grote contante stortingen vooraf. Deze hele gang van zaken is opmerkelijk en duidt op witwassen. Nu er naar het oordeel van de rechtbank sprake is van een vermoeden van witwassen, is het aan verdachte om te komen met een concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring over de herkomst van het geld. De rechtbank stelt vast dat verdachte zich in alle verhoren bij de politie heeft beroepen op zijn zwijgrecht en zaaksinhoudelijk dus niets heeft verklaard. Pas ter terechtzitting heeft verdachte verklaard dat hij nooit zaken heeft gedaan met [medeverdachte 1] en dat hij geen controle heeft gehad over de rekening van [bedrijf 1] , nu zijn ex-vrouw dat zou hebben beheerd. Daarnaast heeft hij ook toen pas verklaard dat de bedrijven [bedrijf 18] en [bedrijf 2] hem niets zeggen. Daarbij heeft verdachte niets verklaard over de overboekingen en/of de herkomst van het geld. De rechtbank is van oordeel dat deze verklaringen op basis van de opgenomen bewijsmiddelen als ongeloofwaardig terzijde moeten worden geschoven. Het verwijt dat het Openbaar Ministerie te weinig onderzoek heeft gedaan naar een ‘alternatief’ scenario treft dan ook geen doel. Nu verdachte er niet in is geslaagd om een verifieerbare verklaring te geven die het vermoeden van een criminele herkomst kan weerleggen, acht de rechtbank bewezen dat de geldbedragen afkomstig zijn uit enig misdrijf. Door deze (contante) geldbedragen vaak op dezelfde dag meerdere malen via bankrekeningen van [bedrijf 1] , [bedrijf 2] , [bedrijf 19] en/of [bedrijf 16] over te boeken (naar andere branche-vreemde rechtspersonen) werd de werkelijke herkomst van het geld verhuld en werd verhuld wie de rechthebbende was op die geldbedragen. Opzet De rechtbank is van oordeel dat verdachte opzet had op het witwassen van de geldbedragen. Verdachte heeft grote (contante) geldbedragen rondgepompt tussen zijn privérekening en de zakelijke rekeningen van de bedrijven waar hij de feitelijk bestuurder van was, zonder dat daarvoor een zakelijke grondslag aanwezig was. Deze geldbedragen zijn vervolgens overgemaakt (deels via de rekeningen van [bedrijf 12] ) naar [bedrijf 7] , eveneens zonder dat daar een zakelijke grondslag voor bestond en waarvoor evenmin bonnen dan wel facturen aanwezig zijn. Bij het ontvangen en overboeken van dergelijk hoge geldbedragen, zonder dat daar een zakelijke grondslag voor is, kan het niet anders zijn dan dat verdachte als feitelijk bestuurder en verantwoordelijke voor de vennootschappen wist van de dubieuze herkomst van het geld, althans ten minste bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat hier sprake was van het witwassen van crimineel geld. Medeplegen De rechtbank is van oordeel dat verdachte in deze witwasconstructie nauw en bewust heeft samengewerkt met de in paragraaf 3.4.2.1 genoemde betrokkenen. Iedereen had zijn eigen rol in het geheel en zo ook verdachte. Verdachte heeft ervoor gezorgd dat de (contante) geldbedragen vanaf zijn privérekening en bedrijfsrekeningen werden overgeboekt naar de bankrekeningen van [bedrijf 12] en [bedrijf 7] . De rechtbank is daarom van oordeel dat verdachte zich tezamen en in vereniging met anderen schuldig heeft gemaakt aan het witwassen van uit enig misdrijf afkomstige geldbedragen. Gewoonte Gelet op de duur en de frequentie van het witwassen, is de rechtbank van oordeel dat kan worden bewezen dat verdachte en zijn medeverdachten van het witwassen een gewoonte hebben gemaakt. 3.4.2.4 Conclusie De rechtbank is op basis van de hiervoor opgenomen bewijsmiddelen van oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van gewoontewitwassen van de ten laste gelegde geldbedragen, door de herkomst van dat geld te verbergen/verhullen, te verbergen/verhullen wie de rechthebbende van dat geld is en dat geld heeft verworven, voorhanden heeft gehad en heeft overgedragen, terwijl verdachte en zijn medeverdachten wisten dat het geld afkomstig was uit enig misdrijf, en zij tevens van het plegen van dit feit een gewoonte hebben gemaakt. 3.4.2.5 Nadere onderzoekswensen De raadsman heeft verzocht om [verdachte] , [naam 2] en de curator van [bedrijf 1] als getuigen te horen. De rechtbank is van oordeel dat door de raadsman onvoldoende is gemotiveerd dat het horen van deze getuigen van belang is voor enige in de strafzaak te nemen beslissing. De verzoeken worden daarom afgewezen. Ten aanzien van de verzoeken om vorderingen bij de ING in te dienen voor het verstrekken van IP-adressen vanaf waar verschillende transacties zijn verricht en voor het verstrekken van gegevens over de opening van en toegang tot de rekening van verdachte en [naam 1] en meerdere zakelijk bankrekeningen en het verzoek om vorderingen in te dienen bij [bedrijf 4] , overweegt de rechtbank als volgt. De verdediging heeft deze verzoeken in een relatief laat stadium van het strafgeding ingediend. Daar komt bij dat deze informatie in redelijkheid niet van belang is voor enige in de strafzaak te nemen beslissing. IP-adressen zeggen immers op zichzelf nog niet wie van dat adres gebruik heeft gemaakt. Er bestaat aldus geen strafvorderlijk belang bij het uitvoeren van het onderzoek. Deze verzoeken worden afgewezen. De raadsman heeft ten slotte verzocht om het proces-verbaal van doorzoeking in de woning van verdachte in 2018 in de zaak met parketnummer 15/872149-17 aan het dossier toe te voegen. De rechtbank wijst dit verzoek af, nu er ten aanzien van dit proces-verbaal geen enkele relatie bestaat tot dit strafdossier en voeging niet van belang kan worden geacht voor een in dit onderzoek te nemen beslissing. Dat er geen stukken van de meergenoemde vennootschappen zijn aangetroffen bij eerdere huiszoekingen, betekent immers nog niet dat de verdachte geen feitelijk bestuurder was van deze vennootschappen. 3.5 De bewezenverklaring De rechtbank acht op grond van de opgegeven bewijsmiddelen, waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt, wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan, met dien verstande dat: hij in de periode van 1 januari 2017 tot en met 13 juni 2019 in Nederland en/of België, tezamen en in vereniging met anderen, a.
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.