RECHTBANK OVERIJSSEL Team Strafrecht Meervoudige kamer Zittingsplaats Zwolle Parketnummer: 08/236781-23 (P) Datum vonnis: 31 oktober 2024 Vonnis op tegenspraak in de zaak van de officier van justitie tegen: [verdachte] , geboren op [geboortedatum] 1984 in [geboorteplaats], wonende aan de [woonplaats], nu verblijvende in de P.I. [locatie]. 1Het onderzoek op de terechtzitting Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzittingen van 25 april 2024, 18 juli 2024, 10 oktober 2024 en 17 oktober
(1)locatie weergegeven in Rotterdam, dit is om 14.44 uur. Op 16 september 2023 zijn na dit tijdstip geen locatiegegevens meer te zien. Op 17 september 2023 te 02.05 uur wordt weer een locatie weergegeven, de telefoon bevindt zich dan in de omgeving Leeuwarden. Bewijsoverwegingen Is verdachte de schutter geweest? De rechtbank is van oordeel dat uit de bewijsmiddelen volgt dat verdachte de persoon is geweest die 16 september 2023 op [slachtoffer] heeft geschoten. Dit licht zij hieronder toe. Het motief voor de schietpartij De rechtbank stelt vast dat [slachtoffer] en [getuige 1] hebben verklaard dat zij op 16 september 2023 hebben gezien dat verdachte de schutter was. Daarnaast volgt uit de verklaring van [slachtoffer] dat verdachte een motief had om toen op hem te schieten. [slachtoffer] heeft op 26 september 2023 verklaard dat hij op 6 en 7 september 2023 samen met twee anderen bij de woning van verdachte in [plaats] is geweest met als doel een geldbedrag van verdachte te incasseren. [slachtoffer] had verdachte op 7 september 2023 voor het raam gezien en is toen weggelopen. Verdachte kwam de woning uit en is achter hen aangegaan, waarbij één van de anderen riep dat verdachte een vuurwapen vast had. Anders dan de verdediging acht de rechtbank de verklaring van [slachtoffer] betrouwbaar, omdat zijn verhaal over de incassoklus wordt bevestigd door de camerabeelden van 6 en 7 september 2023 van de woning van verdachte, die de politie bekeken heeft. Verder vindt zijn verklaring steun in de verklaring van zijn vriendin, [naam 1] (hierna: [naam 1]). Zij heeft op 19 september 2023 en dus vóórdat [slachtoffer] dit verhaal aan de politie vertelde, verklaard dat het schietincident volgens haar te maken had met de incassoklus en dat [slachtoffer] op 6 september 2023 aan haar berichtte dat hij in [plaats] was. Ook zijn broer, Joerie [slachtoffer], heeft verklaard dat [slachtoffer] op 10 september 2023 aan hem vertelde dat hij een incassoklus had gedaan. Dat [slachtoffer] bij de politie in eerste instantie een ander verhaal over een mogelijk motief van de schutter heeft verteld en dat hij niet meteen verklaarde dat hij wist dat verdachte de schutter was, maakt zijn verklaring nog niet onbetrouwbaar. De rechtbank acht de reden die [slachtoffer] hiervoor heeft gegeven, namelijk dat hij niet meteen over criminele activiteiten wilde vertellen omdat hij in een proeftijd liep, aannemelijk. Ook [naam 1] heeft verklaard dat [slachtoffer] in eerste instantie niet eerlijk is geweest, omdat hij nog in een proeftijd liep. De rechtbank acht verder redengevend dat de politie op de camerabeelden van 7 september 2023 heeft gezien dat toen [slachtoffer] wegliep, verdachte uit zijn woning kwam en met een vuurwapen in zijn rechterhand achter [slachtoffer] aanrende. Ook getuige [getuige 3] heeft op deze beelden gezien dat verdachte een wapen had. De moer of krik die verdachte volgens zijn eigen verklaring toen in zijn hand had, is na aanwijzingen van verdachte over de vindplaats in zijn woning niet aangetroffen door de politie. De rechtbank stelt vast dat verdachte dus beschikte over een wapen. Verklaringen van getuigen De politie heeft in een proces-verbaal opgenomen dat [getuige 1] op 16 september 2023 vlak na het schietincident in de coffeeshop heeft gezegd dat zij gezien had dat [verdachte] de schutter was. Getuige [getuige 2] (hierna: [getuige 2]), die toen ook in de coffeeshop was, heeft bevestigd dat [getuige 1] dit heeft gezegd. Volgens [getuige 2] zei ze eerst de naam [verdachte], heeft de politie haar foto’s laten zien en herkende ze hem op de foto’s, ze had hem recht in de ogen aangekeken. Ook getuige [slachtoffer] heeft verklaard dat [getuige 1] op de avond van het schietincident tegen hem heeft gezegd dat zij de schutter kende en dat het [verdachte] was. De rechtbank gaat dan ook uit van de juistheid van voornoemd proces-verbaal en de verklaring van [getuige 2], ook al heeft [getuige 1] op de terechtzitting van 17 oktober 2024 verklaard dat zij de schutter niet heeft gezien. De verdediging heeft aangevoerd dat er geen connectie of verband bekend is op basis waarvan het mogelijk kan zijn dat getuige [getuige 1] op de zitting uit angst niet over verdachte zou willen verklaren. De rechtbank acht dit echter wel mogelijk, omdat uit het dossier volgt dat verdachte in de gevangenis een andere getuige in deze zaak heeft bedreigd. Gelijkenissen tussen het signalement van de schutter en verdachte De politie heeft het signalement van de schutter op de camerabeelden van 16 september 2023 vergeleken met hoe verdachte eruit zag en liep toen verdachte op 18 september 2023 naar het politiebureau toekwam. De rechtbank stelt vast dat de politie onder meer de volgende gelijkenissen constateerde: een overeenkomstige huidskleur, zwarte snor en baard, groeven in het gezicht naast de neus en mond, een platte neus, en dat hij met zijn voeten iets naar buiten loopt. Verder heeft de politie verdachte op de camerabeelden van 15 september 2023 van zijn woning herkend. Verdachte heeft bevestigd dat hij deze persoon is. Op deze beelden heeft de politie gezien dat verdachte toen gekleed was in: een zwarte broek met op het linker bovenbeen een wit logo dat qua vorm overeenkomt met het logo van het merk The North Face; een jas van het merk North Face, aan de bovenzijde grijs van kleur en onder zwart; een zwarte capuchon, een zwarte pet en donkere sportschoenen. Op de terechtzitting van 17 oktober 2024 heeft de rechtbank waargenomen dat op de beelden van 16 september 2023 van de coffeeshop [bedrijf] te zien is dat de schutter: een zwarte broek draagt met een wit embleem op het bovenbeen links; een jas draagt, die grijs van boven, zwart van onder is en met een wit embleem; en dat de schutter ook gezien de schoenen, baard, donkere huidskleur en het postuur gelijkenis vertoont met de beeltenis van verdachte op de camerabeelden van een dag ervoor op 15 september
- De verklaringen van verdachte en zijn telefoongegevens Ten slotte acht de rechtbank redengevend dat het mogelijk is geweest dat verdachte op 16 september 2023 rond 22:00 uur bij de [bedrijf] was. Zo is de auto waarin verdachte vanuit Rotterdam naar huis in [plaats] reed middels ANPR gehit om 20.39 uur bij Amersfoort en uit de telefoongegevens van zijn gezelschap die dag, [getuige 3], blijkt dat zij om 21.23 uur weer terug waren in hun woonplaats [plaats]. Volgens Google Maps is het mogelijk om met een auto bij een gemiddelde snelheid in 17 minuten bij [bedrijf] te zijn. Verder is het volgens 9292OV.nl mogelijk om met de trein van 21.30 uur in 9 minuten in Zwolle te zijn en vanaf het station in Zwolle is het volgens Google maps zo’n 7 minuten lopen naar [bedrijf]. Voorts blijkt uit onderzoek aan de telefoon van verdachte dat zijn telefoon alleen vóór 16 september 2023 om 14:44 uur en ná 17 september 2023 om 2:05 uur locaties registreerde, terwijl de telefoon zich wel heeft verplaatst. Op 16 september 2023 om 14:44 uur was de telefoon namelijk in Rotterdam en op 17 september 2023 om 2:05 uur in Leeuwarden. De rechtbank houdt het voor mogelijk dat verdachte heeft willen voorkomen dat op zijn telefoon was te zien waar hij in de tussenliggende periode is geweest. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte de persoon is geweest die op 16 september 2023 op [slachtoffer] heeft geschoten. Opzet Het is vervolgens de vraag of verdachte opzettelijk heeft geprobeerd [slachtoffer] te doden. De rechtbank overweegt daartoe het volgende. Uit de letselrapportage volgt dat [slachtoffer] meerdere schotverwondingen had bij zijn borstkas, buik en arm. Er is onder meer een kogel in zijn buik aangetroffen waardoor [slachtoffer] leverletsel heeft opgelopen. Het zou levensbedreigend zijn geweest als omliggende organen in de buik van [slachtoffer] zouden zijn geraakt. Verder blijkt uit de omschrijving van de camerabeelden van 16 september 2023 dat verdachte [slachtoffer] gericht en op korte afstand en terwijl hij [slachtoffer] achterna rent, meermalen heeft beschoten. Naar het oordeel van de rechtbank kan uit deze omstandigheden en gedragingen van verdachte worden afgeleid dat hij opzet heeft gehad op de dood van [slachtoffer]. Voorbedachte raad? Voor een bewezenverklaring van het bestanddeel ‘voorbedachte raad’ moet komen vast te staan dat de verdachte zich gedurende enige tijd heeft kunnen beraden op het te nemen besluit en dat hij niet heeft gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling, zodat hij de gelegenheid heeft gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven. De rechtbank is van oordeel dat sprake is geweest van voorbedachte raad. Daartoe neemt de rechtbank in aanmerking dat uit de bewijsmiddelen volgt dat [slachtoffer] op 7 september 2023 bij de woning van verdachte was, dat verdachte hem heeft gezien en met een vuurwapen achter [slachtoffer] aanrende. Verder volgt uit de omschrijvingen van de camerabeelden van 16 september 2023 dat verdachte richting [bedrijf] loopt, buiten nog contact heeft met een fietser, vervolgens [bedrijf] binnen gaat en zoekend heen en weer in de coffeeshop loopt, vervolgens naar buiten gaat, langzaam de steeg inloopt, een aantal seconden recht tegenover [slachtoffer] aan de andere kant van de steeg gaat staan en dan met zijn wapen gericht op [slachtoffer] afloopt en meerdere malen schiet. Hieruit valt op te maken dat verdachte voldoende tijd en gelegenheid heeft gehad om na te denken over zijn handelen en de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad om [slachtoffer] te doden. De rechtbank acht voorts geen contra-indicaties aannemelijk geworden die het aannemen van voorbedachte raad in de weg staan. Eindconclusie De rechtbank is dan ook van oordeel dat de ten laste gelegde poging tot moord wettig en overtuigend is bewezen. 3.4 De bewezenverklaring De rechtbank acht op grond van de opgenomen bewijsmiddelen waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt, wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan, met dien verstande dat: hij op 16 september 2023 te Zwolle, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [slachtoffer] opzettelijk en met voorbedachten rade van het leven te beroven, die [slachtoffer] met een vuurwapen in de borstkas en de buik, en de arm heeft geschoten, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid. De rechtbank acht niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd, zodat zij hem daarvan zal vrijspreken. 4De strafbaarheid van het bewezenverklaarde Het bewezenverklaarde is strafbaar gesteld in de artikelen 45 en 289 van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr). Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Het bewezenverklaarde levert op: het misdrijf: poging tot moord. 5De strafbaarheid van verdachte Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De rechtbank oordeelt daarom dat verdachte strafbaar is voor het bewezenverklaarde feit. 6De op te leggen straf of maatregel 6.1 De vordering van de officier van justitie De officier van justitie heeft gevorderd verdachte te veroordelen tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van elf jaren met aftrek van voorarrest. 6.2 Het standpunt van de verdediging De raadsvrouw heeft zich, gelet op haar verzoek om vrijspraak, niet uitgelaten over de op te leggen straf. 6.3 De gronden voor een straf of maatregel Bij de strafoplegging houdt de rechtbank rekening met de aard en de ernst van het gepleegde feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte zoals die uit het dossier en tijdens de behandeling ter terechtzitting naar voren zijn gekomen. De rechtbank acht daarbij in het bijzonder het volgende van belang. De aard en ernst van het feit Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een koelbloedige poging tot moord door met een vuurwapen, van dichtbij, meerdere keren gericht op [slachtoffer] te schieten. [slachtoffer] liep daarbij meerdere schotverwondingen op. Het is een wonder te noemen dat [slachtoffer] de schietpartij heeft overleefd, gelet op de verwondingen in zijn buik, borst en arm. Verdachte heeft met zijn gedrag geen enkel respect getoond voor de lichamelijke integriteit van [slachtoffer]. De rechtbank rekent het verdachte bovendien zwaar aan dat hij heeft geschoten op straat, waar meerdere andere personen aanwezig waren. Dat er geen omstanders zijn geraakt, is niet te danken aan de handelwijze van verdachte, maar een kwestie van geluk. Een geweldsdelict als dit leidt tot grote maatschappelijke onrust en tot een toename van gevoelens van angst en onveiligheid in de samenleving, in het bijzonder bij het slachtoffer en omstanders. De persoon van verdachte De rechtbank heeft in strafverzwarende zin gelet op het strafblad van verdachte van 16 september 2024, het Belgische strafblad van verdachte van 22 september 2023 en zijn strafblad van de Nederlandse Antillen van 25 september
- Hieruit blijkt dat verdachte, zowel in Nederland als daarbuiten, eerder is veroordeeld voor onder meer geweldsdelicten. De rechtbank heeft ook kennisgenomen van het door Tactus Verslavingszorg over verdachte opgemaakte reclasseringsrapport van 21 november 2023 en het adviesrapport van het Nederlands Instituut voor Forensische Psychiatrie en Psychologie (hierna: NIFP) van 13 oktober
- In beide rapporten is te lezen dat verdachte geen medewerking wil verlenen aan nader onderzoek, omdat hij stelt onschuldig te zijn. De deskundige van het NIFP heeft beschreven dat er, gelet op de justitiële voorgeschiedenis van verdachte, aanwijzingen zijn van antisociale kenmerken in zijn persoonlijkheid. Er is echter geen sprake van psychiatrie in engere zin. De reclassering schat de risico’s op recidive, op letsel en op onttrekking aan de voorwaarden hoog in, maar ziet door een gebrek aan medewerking, de ontkennende houding van verdachte en het gebrek aan openheid over risicogedrag geen mogelijkheid om interventies aan te bieden. De op te leggen straf De rechtbank is van oordeel dat uitsluitend een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van aanzienlijke duur recht doet aan de aard en ernst van het door verdachte gepleegde misdrijf en de met strafoplegging na te streven doelen van enerzijds vergelding en anderzijds beveiliging van de maatschappij en de juiste normhandhaving. De rechtbank heeft bij het bepalen van de hoogte van de straf mede gelet op straffen die in vergelijkbare zaken zijn opgelegd. Alles afwegende, is de rechtbank van oordeel dat het passend en geboden is om aan verdachte een onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen voor de duur van elf jaren, met aftrek van de tijd die hij al in voorarrest heeft doorgebracht. Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat aan de verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend als bedoeld in artikel 6:2:10 van het Wetboek van Strafvordering. 7De schade van benadeelde 7.1 De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] heeft zich, bijgestaan door mr. J.J.J. Broekhuizen, advocaat in Putten, als benadeelde partij gevoegd in het strafproces. Hij heeft een bedrag van € 785,08 aan materiële schade gevorderd. Dit bedrag is opgebouwd uit de volgende posten: daggeldvergoeding € 350,00; kleding € 324,83; overige eigendommen € 110,
- Ook heeft [slachtoffer] een bedrag van € 15.000,00 aan immateriële schade gevorderd. In totaal heeft [slachtoffer] een schadevergoeding van € 15.785,08 gevorderd, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment waarop de schade is ontstaan. 7.2 Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij in zijn geheel kan worden toegewezen. 7.3 Het standpunt van de verdediging De raadsvrouw heeft verzocht de vordering van de benadeelde partij af te wijzen, dan wel de benadeelde partij in de vordering niet-ontvankelijk te verklaren. 7.4 Het oordeel van de rechtbank 7.4.1 De materiele schade Door de gebezigde bewijsmiddelen en de behandeling op de terechtzitting is komen vast te staan dat verdachte door het bewezen verklaarde feit rechtstreeks schade heeft toegebracht aan de benadeelde partij. De opgevoerde schadeposten ‘daggeldvergoeding’ en ‘kleding’ zijn niet betwist en voldoende onderbouwd en aannemelijk. De rechtbank zal het gevorderde daarom toewijzen tot een bedrag van € 674,83, te vermeerderen met de verschuldigde wettelijke rente vanaf de datum waarop de schade is ontstaan. De onder de post ‘overige eigendommen’ opgevoerde schade is onvoldoende komen vast te staan, omdat de gestelde schade niet voldoende is onderbouwd. Het in de gelegenheid stellen van de benadeelde partij om deze schadepost alsnog nader te onderbouwen levert een onevenredige belasting van het strafgeding op. De rechtbank zal de benadeelde partij die gelegenheid niet bieden. De rechtbank zal de benadeelde partij daarom in dit deel van de vordering niet-ontvankelijk verklaren en bepalen dat de benadeelde partij de vordering in zoverre slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen. 7.4.2 De immateriële schade Vaststaat dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezen verklaarde lichamelijk letsel heeft opgelopen, waardoor hij recht heeft op vergoeding van immateriële schade op grond van artikel 6:106 lid 1 sub b van het Burgerlijk Wetboek. Benadeelde had een schotverwonding in de thorax voor en achter, een inschot inde rechter bovenarm en uitschot in de rechteronderarm en een schotwond in de rechterflank. Hij is drie keer geopereerd, heeft drie dagen op de intensive care en totaal zeven dagen in het ziekenhuis gelegen. Bij thuiskomst had hij veel pijn aan zijn buik en heeft hij een maand bij zijn broer verbleven om te herstellen. In verband met de psychische gevolgen heeft benadeelde één EMDR sessie gehad. Met inachtneming van de aard van het letsel en de omschreven gevolgen daarvan en mede gelet op de bedragen die in vergelijkbare gevallen worden toegekend, stelt de rechtbank de schade naar billijkheid vast op een bedrag van € 10.000,
- De rechtbank zal de benadeelde partij voor het overige in zijn vordering niet-ontvankelijk verklaren. 7.5 De schadevergoedingsmaatregel De benadeelde partij heeft verzocht en de officier van justitie heeft gevorderd de schadevergoedingsmaatregel op te leggen. De rechtbank zal de maatregel als bedoeld in artikel 36f Sr opleggen, aangezien verdachte jegens de benadeelde partij naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het feit is toegebracht. Als door de verdachte niet volledig wordt betaald, kan deze verplichting worden aangevuld met 98 dagen gijzeling, waarbij toepassing van de gijzeling de betalingsverplichting niet opheft. 8De toegepaste wettelijke voorschriften De hierna te nemen beslissing berust op de hiervoor genoemde wetsartikelen. 9De beslissing De rechtbank: bewezenverklaring - verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, zoals hierboven omschreven; - verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij; strafbaarheid feit - verklaart het bewezen verklaarde strafbaar; - verklaart dat het bewezen verklaarde het volgende strafbare feit oplevert: het misdrijf: poging tot moord; strafbaarheid verdachte - verklaart verdachte strafbaar voor het bewezen verklaarde; straf - veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 11 (elf) jaren; - bepaalt dat de tijd die de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht; schadevergoeding - wijst de vordering van de benadeelde partij toe tot een bedrag van € 10.674,83 (bestaande uit € 674,83 aan materiële schade en uit € 10.000,00 aan immateriële schade); - veroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer] van een bedrag van € 10.674,83 (te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 16 september 2023); - veroordeelt de verdachte daarnaast in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, alsook in de kosten van betekening van dit vonnis, de in verband met de tenuitvoerlegging van dit vonnis nog te maken kosten en de kosten vallende op de invordering; - legt de maatregel op dat de verdachte verplicht is ter zake van het bewezen verklaarde feit tot betaling aan de Staat der Nederlanden van een bedrag van € 10.674,83 (zegge: tienduizend zeshonderdvierenzeventig euro en drieëntachtig cent), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 16 september 2023 ten behoeve van de benadeelde, en bepaalt, voor het geval volledig verhaal van het verschuldigde bedrag niet mogelijk blijkt, dat gijzeling voor de duur van 98 dagen kan worden toegepast. Tenuitvoerlegging van de gijzeling laat de betalingsverplichting onverlet; - bepaalt dat als de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van bedoeld bedrag daarmee de verplichting van de verdachte om aan de benadeelde partij het bedrag te betalen, komt te vervallen, en andersom, als de verdachte aan de benadeelde partij het verschuldigde bedrag heeft betaald, dat daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van dat bedrag komt te vervallen; - bepaalt dat de benadeelde partij [slachtoffer], voor een deel van € 5.110,25 (zegge: vijfduizend honderdtien euro en vijfentwintig cent) niet-ontvankelijk is in de vordering, en dat de benadeelde partij de vordering voor dat deel slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen. Dit vonnis is gewezen door mr. G.H. Meijer, voorzitter, mr. J. de Ruiter en mr. J.G.M. Fluttert, rechters, in tegenwoordigheid van mr. G.J. Leyendijk en mr. E.M.A. van den Hoek, griffiers, en is in het openbaar uitgesproken op 31 oktober
- Buiten staat Mr. E.M.A. van den Hoek is niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen. Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, zijn dit pagina’s uit het dossier van de politie eenheid Oost-Nederland met nummer 23-
- Tenzij hieronder anders wordt vermeld, wordt steeds verwezen naar bladzijden van een in de wettelijke vorm, door daartoe bevoegde personen, opgemaakt proces-verbaal.