RECHTBANK Overijssel Civiel recht Zittingsplaats Almelo Zaaknummer: C/08/313075 / HA ZA 24-142 Vonnis van 6 november 2024 in de zaak van 1 [eiser] , te [woonplaats 1] ,2. [eiseres], te [woonplaats 1] , eisende partijen, hierna samen te noemen: [eiser] en [eiseres] , advocaat: mr. D.F. Briedé, tegen [gedaagde] , te [woonplaats 2] , gedaagde partij, hierna te noemen: [gedaagde] , advocaat: mr. G. Yousef. 1De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: - de dagvaarding- de conclusie van antwoord- de brief waarin een mondelinge behandeling is bepaald - het bericht van 24 september 2024 met productie 5 van [gedaagde] - het bericht van 30 september 2024 met productie 11 van [eiser] en [eiseres]- de mondelinge behandeling van 8 oktober 2024 - de spreekaantekeningen van [eiser] en [eiseres] 1.2. Ten slotte is vonnis bepaald. 2De zaak in het kort [eiser] , [eiseres] en [gedaagde] zijn appartementseigenaren in een gebouw aan de [adres 1] . [gedaagde] verhuurt als appartementseigenaar sinds 1 oktober 2022 [adres 1] aan [bedrijf] , een afhaal- en bezorgrestaurant. Volgens artikel 25 van de akte van splitsing is iedere eigenaar verplicht zijn gedeelte te gebruiken overeenkomstig de in de akte daaraan gegeven bestemming. Volgens datzelfde artikel heeft [adres 1] de bestemming kantoor/winkelruimte met parkeerplaatsen. Verder bepaalt dat artikel onder meer dat [adres 1] niet mag worden bestemd als horecagelegenheid, speelhal, sexshop en dergelijke. [eiser] en [eiseres] vorderen een bevel om het gebruik van [adres 1] als horecagelegenheid te staken en gestaakt te houden op straffe van een dwangsom. [gedaagde] betwist dat [bedrijf] een horecagelegenheid is. De rechtbank oordeelt dat de activiteiten van [bedrijf] strijdig zijn met hetgeen in artikel 25 van de akte van splitsing is bepaald met betrekking tot de bestemming van [adres 1] . De vordering wordt daarom toegewezen. Dit oordeel zal hierna worden toegelicht. 3De feiten 3.1. [eiser] , [eiseres] en [gedaagde] zijn ieder de gerechtigde tot een appartementsrecht in een gebouw aan de [adres 1] . In die hoedanigheid zijn zij lid van de Vereniging van Eigenaren [adres 1] / [adres 2] (hierna: de VVE). Het gebouw is gesplitst in vijf appartementsrechten. [eiser] en [eiseres] zijn gerechtigd tot de appartementsrechten die recht geven op het gebruik van de [adres 2] respectievelijk [adres 3] (in de splitsingsakte aangeduid met de indexnummers 3 respectievelijk 4). [gedaagde] is eigenaar van de appartementsrechten, die recht geven op het gebruik van de [adres 1] en [adres 4] (in de splitsingsakte aangeduid met de indexnummers 1 respectievelijk 5). Hiernaast is er nog een appartementsrecht, dat recht geeft op het uitsluitend gebruik van een hal/trapopgang (in de splitsingsakte aangeduid met indexnummer 2). 3.2. Artikel 25 lid 1 van de akte van splitsing luidt als volgt: “Iedere eigenaar en gebruiker is verplicht het privé gedeelte te gebruiken overeenkomstig de daaraan in deze akte geven bestemming. Het appartementsrecht met index 1 heeft een bestemming kantoor/winkelruimte met parkeerplaatsen. Het appartementsrecht met index 2 heeft een bestemming hal/trapopgang. Het appartementsrecht met index 3 en 4 hebben de bestemming wonen/ berging en parkeerplaats. Het appartementsrecht met index 5 heeft een bestemming woonruimte met parkeerplaats. De appartementsrechten met indexnummers 1 en 5 mogen niet worden bestemd als horecagelegenheid, speelhal, sexshop en dergelijke. Een gebruik dat afwijkt van de in deze akte nader gegeven bestemming is slechts geoorloofd met toestemming van de vergadering” 3.3. [gedaagde] verhuurt sinds 1 oktober 2022 de [adres 1] (dat gelegen is op de begane grond) aan [bedrijf] (hierna: [bedrijf] ), een afhaal- en bezorgrestaurant. [bedrijf] heeft een vergunning bij de gemeente Almelo aangevraagd om een onderneming te mogen exploiteren. Deze exploitatievergunning is op 5 januari 2023 aan [bedrijf] verleend. 3.4. In de vergadering van de VVE van 15 februari 2023 (waar enkel [eiser] en [eiseres] aanwezig waren) is besloten, kort gezegd, dat artikel 25 van de akte van splitsing niet aldus wordt gewijzigd dat horeca wordt toegestaan in de [adres 1] . 3.5. In de vergadering van de VVE van 30 juni 2023 heeft [gedaagde] in stemming gebracht de vraag of de VVE toestemming verleent horeca toe te staan in de [adres 1] . [eiseres] en [eiser] hebben toen tegen gestemd. [gedaagde] vóór, zodat (omdat volgens de akte van splitsing [gedaagde] meer stemmen toekomt dan [eiser] en [eiseres] tezamen) dat voorstel toen is aangenomen. 3.6. [eiser] en [eiseres] hebben de kantonrechter bij verzoekschrift van 14 juli 2023 verzocht primair om een verklaring voor recht dat het besluit van de VVE van 30 juni 2023 tot het verlenen van toestemming voor horeca op de begane grond nietig is, en, subsidiair, dit besluit te vernietigen. Bij mondelinge uitspraak van 6 november 2023 heeft de kantonrechter het primaire verzoek toegewezen. Die uitspraak is inmiddels onherroepelijk geworden. 3.7. Bij e-mail van 14 november 2023 heeft de gemachtigde van [eiser] en [eiseres] [gedaagde] gesommeerd om de horeca-activiteiten op de begane grond uiterlijk 1 maart 2024 te (laten) staken. [gedaagde] weigert hieraan gevolg te geven. 4Het geschil 4.1. [eiser] en [eiseres] vorderen - samengevat – dat de rechtbank bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad: I. [gedaagde] beveelt om het gebruik van de [adres 1] als horecagelegenheid c.q. voor andersoortige horeca-activiteiten te staken en gestaakt te houden binnen 2 maanden na betekening van het ten deze te wijzen vonnis op straffe van een dwangsom van € 500,00 per dag of gedeelte van de dag dat hij zich hieraan niet houdt met een maximum van € 100.000,00. II. [gedaagde] veroordeelt in de proceskosten. 4.2 Aan hun vordering hebben [eiser] en [eiseres] ten grondslag gelegd dat conform artikel 25 van de splitsingsakte iedere appartementseigenaar verplicht is het gedeelte waarop hij appartementsgerechtigd is te gebruiken conform de bestemming. Dat gebruik is voor de [adres 1] “kantoor/winkelruimte”. Het feitelijke gebruik door of vanwege [gedaagde] als afhaal - en bezorgrestaurant, zijnde horeca, is daar dus niet mee in overeenstemming. Volgens artikel 25 mag [adres 1] ook niet bestemd worden als horecagelegenheid, speelhal, sexshop en dergelijke. [gedaagde] handelt in strijd met de splitsingsakte en derhalve onrechtmatig. Hij handelt aldus ook in strijd met het besluit van de VVE van 15 februari 2023. Nu voorts het besluit van de VVE van 30 juni 2023 nietig is verklaard, dient het gevorderde te worden toegewezen. 4.3. [gedaagde] heeft de vordering betwist. Volgens hem wordt in de [adres 1] geen horecagelegenheid geëxploiteerd. [bedrijf] is namelijk een afhaal- en bezorgcentrum. Er wordt namelijk geen eten/drinken ter plaatse geconsumeerd, waardoor er geen sprake is van horeca. Uit de huurovereenkomst en de aan [bedrijf] verleende exploitatievergunning blijkt dat het gaat om een afhaal-/bezorgcentrum. Consumptie ter plaatse is geen onderdeel van die vergunning en is dan ook niet toegestaan. Daarnaast is er ook geen mogelijkheid om bestelde etenswaren ter plaatse te consumeren. Vanwege het ontbreken van een horecaonderneming is er dan ook geen strijd met de akte van splitsing. 4.4. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan. 5De beoordeling 5.1. De rechtbank stelt voorop dat, anders dan door [eiser] en [eiseres] is gesteld, de kantonrechter in zijn mondelinge uitspraak van 6 november 2023 niet heeft geoordeeld dat de activiteiten van [bedrijf] op de begane grond strijdig zijn met de akte van splitsing. In die procedure is slechts aan de orde geweest de vraag of de VVE op 30 juni 2023 mocht besluiten tot afwijking van de in de akte van splitsing aan de [adres 1] gegeven bestemming van kantoor/winkelruimte met parkeerplaatsen. Die vraag heeft de kantonrechter negatief beantwoord, omdat, zo heeft de kantonrechter overwogen, de VVE weliswaar toestemming kan geven tot een gebruik dat afwijkt van de in akte van splitsing genoemde bestemming, maar dat die bevoegdheid niet zo ver gaat dat kan worden afgeweken van het opgenomen verbod op het gebruik van de [adres 1] als horecagelegenheid. Om die reden heeft de kantonrechter het verzoek om een verklaring voor recht dat het betreffende besluit nietig is toegewezen. In die beschikking heeft de kantonrechter niets overwogen over de vraag of de activiteiten van [bedrijf] strijdig zijn met het bepaalde in de akte van splitsing ten aanzien van de bestemming van de [adres 1] . Die vraag is in die procedure niet aan de orde geweest. Die vraag staat wel centraal in de onderhavige procedure. 5.2. Verder wordt overwogen dat evenmin juist is de stelling van [eiser] en [eiseres] dat de tussen partijen gevoerde discussie of [bedrijf] al dan niet een horecagelegenheid is niets afdoet aan het besluit van de VVE van 15 februari 2023 om de activiteiten van [gedaagde] niet (alsnog) toe te staan. Op 15 februari 2023 is die discussie immers niet beslecht. Er is toen besloten dat geen toestemming wordt gegeven tot wijziging van de akte van splitsing opdat in de [adres 1] een horecagelegenheid gevestigd kan worden. 5.3. In dit geschil draait het dus om de vraag of de activiteiten van [bedrijf] strijdig zijn met hetgeen in artikel 25 lid 1 van de akte van splitsing is bepaald ten aanzien van de bestemming van de [adres 1] . Bij de beoordeling van die vraag is het uitgangspunt dat blijkens vaste jurisprudentie het bij de uitleg van een artikel uit een akte van splitsing aankomt op de in de akte van splitsing tot uitdrukking gebrachte bedoeling van degene(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.