RECHTBANK OVERIJSSEL Bestuursrecht zaaknummer: ZWO 24/3855 uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen [verzoekster], uit [woonplaats], verzoekster, gemachtigde: mr. C. de Vries, en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen (UWV), gemachtigde: J. van Dalfsen. Inleiding 1.1 Bij besluit van 29 oktober 2024 heeft het UWV verzoekster meegedeeld dat zij met ingang van 1 augustus 2024 geen recht heeft op een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA). 1.2 Verzoekster heeft tegen dit besluit bezwaar ingesteld. Tevens heeft zij de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen. 1.3 Het UWV heeft op het verzoek gereageerd met een verweerschrift. 1.4 Omdat het verzoek kennelijk ongegrond is, doet de voorzieningenrechter uitspraak zonder zitting. Artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk. De voorzieningenrechter legt hierna uit waarom het verzoek kennelijk ongegrond is. Beoordeling door de voorzieningenrechter 2.1 De voorzieningenrechter treft op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Awb alleen een voorlopige voorziening als "onverwijlde spoed" dat vereist. Bij een financieel geschil, zoals in deze zaak, is dat niet snel het geval. In beginsel kan namelijk na afloop van de bodemzaak het bedrag waarover het geschil gaat, alsnog worden (na)betaald, zo nodig met vergoeding van de wettelijke rente. Als er geen onomkeerbare situatie dreigt, bijvoorbeeld faillissement, of acute financiële nood is, neemt de voorzieningenrechter aan dat spoedeisend belang ontbreekt, zodat hij alleen al daarom geen voorlopige voorziening treft. 2.2 Verzoekster voert ten aanzien van het spoedeisend belang aan dat zij als gevolg van de weigering een WIA-uitkering toe te kennen niet kan beschikken over voldoende middelen om boodschappen te doen en de vaste lasten te voldoen. Zij verkeert in een acute financiële noodsituatie. Gevraagd naar een onderbouwing van het spoedeisend belang heeft verzoekster de voorzieningenrechter afschriften van bankrekeningen van haarzelf en haar echtgenoot toegezonden. 2.3 Verzoekster is er naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet in geslaagd aannemelijk te maken dat sprake is van een financieel spoedeisend belang bij het treffen van een voorlopige voorziening. Uit de gedingstukken blijkt dat verzoekster aanvankelijk een voorschot op een WIA-uitkering heeft ontvangen. Na de afwijzing van de WIA-aanvraag is haar op aanvraag een WW-uitkering toegekend over de periode van 1 augustus 2024 tot en met 31 oktober
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.