RECHTBANK OVERIJSSEL Team Strafrecht Meervoudige kamer Zittingsplaats Almelo Parketnummer: 08-952125-19 (P) Datum vonnis: 28 november 2024 Vonnis op tegenspraak in de zaak van de officier van justitie tegen: [verdachte] , geboren op [geboortedatum 1] 1992 in [geboorteplaats 1] (Syrië), wonende aan de [woonplaats] . 1Het onderzoek op de terechtzitting Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzittingen van 7 oktober 2024, 8 oktober 2024 en 14 november 2024. De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie en van wat door verdachte en zijn raadsvrouw mr. J. Klomp, advocaat in Enschede, naar voren is gebracht. 2De tenlastelegging De verdenking komt er, kort en zakelijk weergegeven, op neer dat verdachte samen met een ander of anderen: feit 1: hennep heeft geteeld op acht verschillende adressen; feit 2: elektriciteit heeft gestolen op zeven verschillende adressen; feit 3: voorbereidingshandelingen heeft verricht gericht op de teelt van hennep door diverse stoffen en/of voorwerpen en/of voertuigen voorhanden te hebben; feit 4: heeft deelgenomen aan een crimineel samenwerkingsverband dat tot oogmerk had het plegen van hennepgerelateerde misdrijven. Voluit luidt de tenlastelegging aan verdachte, dat: 1.hij op één meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 5 februari 2019 tot en met 26 juni 2019 te [plaats 1] en/of [plaats 2] en/of [plaats 3] en/of [plaats 4] en/of [plaats 5] en/of(elders) in Nederland,tezamen en in vereniging met (een) ander(
- en)en/of alleen, (telkens) in de uitoefening van een beroep of bedrijf,1 - in een pand gelegen aan de [adres 1] te [plaats 1] een hoeveelheid van (in totaal) 334 hennepplanten en/of delen daarvan en/of2 - in een pand gelegen aan de [adres 2] te [plaats 2] een hoeveelheid van 293 hennepplanten en/of delen daarvan en/of3 - in een pand gelegen aan de [adres 3] te [plaats 1] een hoeveelheid van 463 hennepplanten en/of delen daarvan en/of4 - in een pand gelegen aan de [adres 4] te [plaats 3] een hoeveelheid van 214 hennepplanten en/of delen daarvan en/of5 - in een pand gelegen aan [adres 5] te [plaats 4] een hoeveelheid van 278 hennepplanten en/of delen daarvan en/of6 - een pand gelegen aan de [adres 6] te [plaats 1] , een hoeveelheid van 68 hennepplanten en/of delen daarvan en/of7 - in een pand gelegen aan de [adres 7] te [plaats 3] een hoeveelheid van 158 hennepplanten en/of delen daarvan en/of8 - in een pand gelegen aan de [adres 8] te [plaats 5] een hoeveelheid van 185 hennepplanten en/of delen daarvan, althans (telkens) opzettelijk een (groot) aantal hennepplanten en/of delen daarvan heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt en/of verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd en/of opzettelijk aanwezig heeft gehad, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een materiaal bevattende hennep, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, terwijl dit gepleegde feit (telkens) (mede) betrekking heeft op een grote hoeveelheid van een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel (een) middel(len) aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet; 2.hij op één meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 5 februari 2019 tot en met 26 juni 2019 te [plaats 1] en/of [plaats 2] en/of [plaats 3] en/of [plaats 4] en/of (elders) in Nederland,(telkens) tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen, (telkens) met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening (telkens) heeft weggenomen een hoeveelheid elektriciteit, te weten:1 - (ongeveer) 10.832 kWh (locatie [adres 1] te [plaats 1] ), geheel of ten dele toebehorende aan Enexis Netbeheer en/of2 - (ongeveer) 5.656 kWh (locatie [adres 2] te [plaats 2] ), geheel of ten dele toebehorende aan Coteq Netbeheer en/of3 - (ongeveer) 4.255 kWh (locatie [adres 3] te [plaats 1] ), geheel of ten dele toebehorende aan Enexis Netbeheer en/of4 - (ongeveer) 8.409 kWh (locatie [adres 4] te [plaats 3] ), geheel of ten dele toebehorende aan Enexis Netbeheer en/of5 - (ongeveer) 21.017 kWh (locatie [adres 5] te [plaats 4] ), geheel of ten dele toebehorende aan Liander NV en/of6 - (ongeveer) 14.273 kWh (locatie [adres 6] te [plaats 1] ), geheel of ten dele toebehorende aan Enexis Netbeheer en/of7 - (ongeveer) 12.871 kWh (locatie [adres 7] te [plaats 3] ), geheel of ten dele toebehorende aan Enexis Netbeheer, in elk geval (telkens) een hoeveelheid elektriciteit, althans enig goed, (telkens) geheel of ten dele toebehorende aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), waarbij verdachte en/of zijn mededader(
- s)zich (telkens) de toegang tot de plaats des misdrijf heeft/hebben verschaft en/of de weg te nemen elektriciteit, althans het weg te nemen goed, onder zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van braak en/of verbreking; 3.hij in of omstreeks de periode van 23 juli 2018 tot en met 25 juni 2019 te [plaats 1] en/of te [plaats 12] , gemeente [plaats 3] en/of (elders) in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen stoffen en/of voorwerpen heeft bereid, bewerkt, verwerkt, te koop aangeboden, verkocht, afgeleverd, verstrekt, vervoerd, vervaardigd of voorhanden gehad, te weten: in een garagebox gelegen aan [adres 9] te [plaats 1]- een aantal armaturen en/of- een (groot) aantal assimilatielampen (600 watt) en/of- een aantal schakelborden en/of- een (groot) aantal transformatoren-koper (600 watt) en/of- een aantal koolstoffilters en/of- een aantal slakkenhuizen (426 watt en/of 523 watt en/of 1200 watt)- een aantal temperatuurventilatieregelaars en/of- een aantal dompelpompen (550 watt en 900 watt) en/of- een aantal jerrycans groeimiddeldan wel vervoermiddelen, ruimten, gelden, andere betaalmiddelen en/of gegevens voorhanden heeft gehad, te weten een bedrijfsbus (merk Volkswagen, type Transporter en/of voorzien van het kenteken [kenteken 1] ), waarvan hij en/of zijn mededader(
- s)wist(
- en)of ernstige reden had(den) te vermoeden dat zij bestemd waren tot het plegen van een van de in artikel 11, derde en vijfde lid van de Opiumwet strafbaar gestelde feiten; 4.hij in of omstreeks de periode van 23 juli 2018 tot en met 25 juni 2019 te [plaats 1] en/of [plaats 3] en/of [plaats 6] , gemeente [plaats 7] en/of [plaats 8] en/of [plaats 2] en/of [plaats 4] en/of [plaats 5] en/of [plaats 9] en/of [plaats 10] , gemeente [plaats 11] en/of (elders) in Nederland, heeft deelgenomen aan een organisatie, bestaande uit een samenwerkingsverband van natuurlijke personen, te weten van verdachte en/of[medeverdachte 1] en/of[medeverdachte 2] en/of[medeverdachte 3] en/of[medeverdachte 4] en/of[medeverdachte 5] ,welke organisatie tot oogmerk had het plegen van een of meer misdrijven, te weten:- misdrijven als bedoeld in artikel 11, derde en vijfde lid van de Opiumwet, het in de uitoefening van een beroep of bedrijf opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder B en/of onder C van de Opiumwet gegevenverbod, te weten het telen, bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken of vervoeren en/of aanwezig hebben van (een) middelden) als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, terwijl dit(telkens) betrekking had op een grote hoeveelheid van dat middel, dan wel (een) middel(len) aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet en/of- misdrijven als bedoeld in artikel 11a van de Opiumwet, te weten het voorbereiden of bevorderen van een feit als bedoeld in het derde en vijfde lid van artikel 11. 3De voorvragen De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van deze zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging. 4Inhoudsopgave 5. De inleiding 5 6. De bewijsmotivering 5 6.1 Het standpunt van de officier van justitie 5 6.2 Het standpunt van de verdediging 5 6.3 Het oordeel van de rechtbank 6 6.3.1 De feiten die niet ter discussie staan 6 6.3.2 Feiten 1 en 2 7 6.3.3 Feit 3 26 6.3.4 Feit 4 29 6.4 De bewezenverklaring 30 7. De strafbaarheid van het bewezenverklaarde 32 8. De strafbaarheid van verdachte 33 9. De op te leggen straf of maatregel 33 9.1 De vordering van de officier van justitie 33 9.2 Het standpunt van de verdediging 33 9.3 De gronden voor een straf of maatregel 34 10. De schade van benadeelden 35 10.1 De vorderingen van de benadeelde partijen 35 10.2 Het standpunt van de officier van justitie 36 10.3 Het standpunt van de verdediging 36 10.4 Het oordeel van de rechtbank 36 10.5 Hoofdelijkheid 37 10.6 De schadevergoedingsmaatregel 37 12. De beslissing 37 13. Bijlage bewijsmiddelen 40 5De inleiding Op 23 juli 2018 is door de districtsrecherche Twente een strafrechtelijk onderzoek opgestart onder de naam Arcadia. Het onderzoek richtte zich op het in een crimineel samenwerkingsverband bedrijfsmatig inrichten, onderhouden en exploiteren van hennepkwekerijen, het verhandelen van hennep en de mogelijke betrokkenheid van [medeverdachte 1] (hierna: [medeverdachte 1] ) en eventuele anderen daarbij. Door interceptie van telecommunicatiemiddelen, door middel van observaties en door het oprollen van meerdere hennepkwekerijen kwamen, naast [medeverdachte 1] , verschillende personen in beeld als potentiële verdachten. Die personen betreffen [verdachte] (hierna: [verdachte] ), [medeverdachte 5] (hierna: [medeverdachte 5] ), [medeverdachte 4] (hierna: [medeverdachte 4] ), en de tweelingbroers [medeverdachte 2] (hierna: [medeverdachte 2] ) en [medeverdachte 3] (hierna: [medeverdachte 3] ). Voor de leesbaarheid en begrijpelijkheid van het vonnis zal de rechtbank bij de bespreking van de feiten zowel verdachte als de medeverdachten telkens met hun naam aanduiden zoals hiervoor is weergegeven. De rechtbank wijst vandaag vonnis in de zaken van [verdachte] , [medeverdachte 1] , [medeverdachte 3] , [medeverdachte 4] en [medeverdachte 5] . De kernvraag die de rechtbank dient te beantwoorden is of en zo ja, op welke manier [verdachte] , [medeverdachte 1] , [medeverdachte 3] , [medeverdachte 4] en [medeverdachte 5] bij de aan hen ten laste gelegde feiten betrokken zijn geweest. Bij de beantwoording van deze vraag zal de rechtbank de door het Openbaar Ministerie gepresenteerde dossiers (een algemeen dossier, de zaaksdossiers en de persoonsdossiers van de verdachten) in hun totaliteit en in samenhang beoordelen. 6De bewijsmotivering 6.1 Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft zich – op gronden zoals verwoord in haar schriftelijk requisitoir – op het standpunt gesteld dat de feiten 1 tot en met 4 wettig en overtuigend bewezen kunnen worden verklaard. 6.2 Het standpunt van de verdediging De raadsvrouw heeft – op gronden zoals verwoord in de pleitnota – ten aanzien van de feiten 1 en 2 bepleit dat het dossier onvoldoende wettig en overtuigend bewijs bevat om vast te kunnen stellen dat [verdachte] betrokken is geweest bij de hennepkwekerijen en diefstal van elektriciteit in de woningen gelegen aan de [adres 3] te [plaats 1] en aan de [adres 6] te [plaats 1] . [verdachte] dient derhalve (partieel) vrijgesproken te worden ten aanzien van deze twee adressen. De raadsvrouw heeft zich ten aanzien van de feiten 1 en 2 voor het overige gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. Ten aanzien van feit 3 heeft de raadsvrouw primair bepleit dat [verdachte] dient te worden vrijgesproken. De garagebox, alsmede de zich daarin bevindende voorwerpen, waren van [medeverdachte 1] . Het enkele feit dat [verdachte] mogelijk weleens spullen ophaalde uit de loods, is niet voldoende voor een bewezenverklaring van het onder feit 3 tenlastegelegde. Subsidiair heeft de raadsvrouw zich op het standpunt gesteld dat [verdachte] partieel vrijgesproken dient te worden van de ten laste gelegde periode, omdat niet kan worden vastgesteld dat de loods sinds 23 juli 2018 in gebruik was, althans dat de ten laste gelegde spullen er vanaf die datum in lagen. Tot slot heeft de raadsvrouw ten aanzien van feit 4 bepleit dat [verdachte] dient te worden vrijgesproken, omdat geen sprake is geweest van een organisatie. Het Openbaar Ministerie heeft de hiervoor vereiste organisatiegraad onvoldoende aangetoond. Er is geen sprake geweest van een duurzaam gestructureerd samenwerkingsverband tussen de verdachten. 6.3 Het oordeel van de rechtbank 6.3.1 De feiten die niet ter discussie staan De rechtbank stelt allereerst een aantal algemene feiten en omstandigheden vast die bij de behandeling van de zaak niet ter discussie hebben gestaan. Telefoongebruik Voor de bewijsvoering komt het in belangrijke mate aan op de inhoud van tussen de verdachten gevoerde afgeluisterde en opgenomen telefoongesprekken. [medeverdachte 1] was, al jarenlang, de gebruiker van het telefoonnummer [telefoonnummer 1] . [verdachte] maakte al meer dan drie jaren gebruik van het telefoonnummer [telefoonnummer 2] . Daarnaast had [verdachte] het telefoonnummer van zijn (toenmalige) echtgenote, te weten [telefoonnummer 3] , in gebruik. [medeverdachte 3] was de enige gebruiker van het telefoonnummer [telefoonnummer 4] . [medeverdachte 5] had het telefoonnummer [telefoonnummer 5] in gebruik. [medeverdachte 4] gebruikte het telefoonnummer [telefoonnummer 6] . De rechtbank stelt tot slot vast dat [medeverdachte 2] de gebruiker van het telefoonnummer [telefoonnummer 7] was ten tijde van de ten laste gelegde feiten. [medeverdachte 2] was de tenaamgestelde van dit telefoonnummer en in de afgeluisterde telefoongesprekken werd de gebruiker van dit telefoonnummer [medeverdachte 2] , [medeverdachte 2] of [medeverdachte 2] genoemd. Volkswagen Passat [medeverdachte 1] was op 8 april 2019 de kentekenhouder van een Volkswagen Passat voorzien van het kenteken [kenteken 2] (hierna: de Volkswagen Passat). [medeverdachte 1] maakte gebruik van deze auto. Ook [verdachte] gebruikte deze Volkswagen Passat. Zo werd hij op 16 april 2019 door het observatieteam waargenomen als de bestuurder van de Volkswagen Passat. Volkswagen Transporter [medeverdachte 1] was op 8 april 2019 de kentekenhouder van een Volkswagen Transporter voorzien van het kenteken [kenteken 1] (hierna: de Volkswagen Transporter). De zijkant van deze bus was voorzien van het opschrift “ [bedrijf 1] , loodgieter, [telefoonnummer 1] ”. [medeverdachte 1] maakte zelf gebruik van deze bus. [verdachte] maakte ook veel gebruik van de Volkswagen Transporter. Daarnaast reden [medeverdachte 3] en [medeverdachte 2] in deze bus. [medeverdachte 4] maakte als bijrijder ook gebruik van deze bus. [bedrijf 1] Op 1 juli 2017 is [medeverdachte 1] de eenmanszaak Loodgietersbedrijf [bedrijf 1] gestart. [medeverdachte 1] was daarnaast per 14 maart 2018 bij de Kamer van Koophandel ingeschreven als bestuurder en enig aandeelhouder van [bedrijf 2] BV. Actiedag Het onderzoek Arcadia leidde uiteindelijk tot een actiedag op 25 juni 2019, waarbij [medeverdachte 1] , [verdachte] , [medeverdachte 3] , [medeverdachte 2] , [medeverdachte 4] en [medeverdachte 5] werden aangehouden. Gedurende het onderzoek was reeds een aantal hennepkwekerijen opgerold. Op de actiedag en de dag erna werden op nog drie adressen hennepkwekerijen aangetroffen en opgerold. Ook hebben op diverse locaties doorzoekingen plaatsgevonden, waaronder in een garagebox gelegen aan [adres 9] te [plaats 1] . In deze garagebox troffen de verbalisanten een hoeveelheid hennepgerelateerde goederen aan. 6.3.2 Feiten 1 en 2 De rechtbank stelt hierna allereerst per adres de relevante feiten en omstandigheden ten aanzien van zowel de aangetroffen hennepkwekerij (feit 1) als de diefstal van de elektriciteit (feit 2) op dat adres vast. De rechtbank overweegt ten slotte waarom zij op basis van de vastgestelde feiten en omstandigheden tot conclusies komt en gaat vervolgens over tot de beantwoording van de bewijsvraag. 6.3.2.1 [adres 1] te [plaats 1] De redengevende feiten en omstandigheden De rechtbank stelt op grond van de behandeling ter terechtzitting en de bewijsmiddelen, die als bijlage aan dit vonnis zijn gehecht, het navolgende vast. Aantreffen hennepkwekerij Op 5 februari 2019 omstreeks 13:50 uur werd door de politie bij de woning gelegen aan de [adres 1] te [plaats 1] binnengetreden. De verbalisanten troffen een in werking zijnde hennepkwekerij aan in de woning. Er waren twee kweekruimtes. In kweekruimte 1 stonden 168 hennepplanten en in kweekruimte 2 stonden 166 hennepplanten. De stroomvoorziening ten behoeve van de hennepkwekerij werd buiten de meter om afgenomen. Hiertoe waren de door Enexis Netbeheer aangebrachte zegels verwijderd, vervangen of gemanipuleerd. [betrokkene 1] (hierna: [betrokkene 1] ) stond op voornoemd adres ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie (hierna: GBA). Verklaring [betrokkene 1] verklaarde bij de politie dat [medeverdachte 1] de hennepkwekerij in de woning aan de [adres 1] te [plaats 1] had geplaatst. [medeverdachte 1] maakte gebruik van het telefoonnummer [telefoonnummer 1] . [medeverdachte 1] gebruikte het huis. [betrokkene 1] ontving hiervoor ongeveer € 1000,-- per maand van [medeverdachte 1] . [medeverdachte 1] regelde alles omtrent de opbouw en het onderhoud van de hennepkwekerij. In totaal waren er vier à vijf personen die [medeverdachte 1] hielpen, waaronder een persoon genaamd [medeverdachte 2] . Ook een persoon genaamd [verdachte] , die gebruik maakte van het telefoonnummer [telefoonnummer 2] , was betrokken bij de opbouw, de inrichting en het onderhoud van de hennepkwekerij. [betrokkene 1] verklaarde dat [verdachte] reparaties verrichtte en opruimde in de kwekerij. Bij de inrichting van de hennepkwekerij had [betrokkene 1] ook [medeverdachte 4] , die in zijn telefoon opgeslagen stond met het telefoonnummer [telefoonnummer 6] , gezien. De rechtbank heeft hiervoor reeds vastgesteld dat de telefoonnummers [telefoonnummer 1] , [telefoonnummer 2] en [telefoonnummer 6] bij respectievelijk [medeverdachte 1] , [verdachte] en [medeverdachte 4] in gebruik waren. De rechtbank stelt derhalve vast dat waar [betrokkene 1] in zijn verklaring over [medeverdachte 1] , [verdachte] en [medeverdachte 4] sprak, hij daarmee respectievelijk [medeverdachte 1] , [verdachte] en [medeverdachte 4] bedoelde. Observaties en tapgesprekken Op 10 januari 2019 zag het observatieteam dat [medeverdachte 1] zijn Volkswagen Passat parkeerde aan de [adres 10] in [plaats 1] en dat hij met een grijze sporttas naar de [adres 1] in [plaats 1] liep. [medeverdachte 1] werd door een persoon de woning binnengelaten. Op 5 februari 2019 om 18:14 uur, enkele uren nadat de verbalisanten de woning aan de [adres 1] waren binnengetreden en de hennepkwekerij was ontdekt, hadden [medeverdachte 1] en [betrokkene 1] telefonisch contact. [medeverdachte 1] zei tegen [betrokkene 1] “Je moet direct naar huis komen. Ik weet niet wat er bij jou is gebeurd. Ze hebben het slot vervangen of ehh, ik weet het niet, want [medeverdachte 4] is naar boven en aar beneden gekomen en ze hebben een papier voor je aan de deur gehangen en hij heeft de deur geprobeerd te openen maar hij ging niet open (…) Ze hebben een papier voor je gelegd, maak daar maar een foto voor mij”. [betrokkene 1] vroeg of [medeverdachte 4] geen foto had kunnen maken van het papier. [medeverdachte 1] antwoordde “[medeverdachte 4] was weggegaan, hij werd bang, hij heeft niet langer kunnen blijven”. Om 19:22 uur, hadden [medeverdachte 1] en [betrokkene 1] opnieuw contact. [betrokkene 1] meldde “Het huis is ontdekt (…) Er hangt een papier aan de deur (…) Er staat opgeschreven dat het slot is vervangen in verband met Hennep ehhhh, melden bij de politie en (…) de woonplaats”. [medeverdachte 1] reageerde “O God. We hebben toch niets verkeerds gedaan, hoe is het dan ontdekt?”. Hierop antwoordde [betrokkene 1] “Dat weet ik want ik heb op het nieuws gekeken en er stond ook niets. Er is zelfs geen geur in het huis”. [medeverdachte 1] vroeg aan [betrokkene 1] hoe het huis in godsnaam was ontdekt. Hij vroeg zich af of [medeverdachte 4] iets misdaan had. [medeverdachte 1] zei tegen [betrokkene 1] “Kijk, ik ben in het theehuis/café, kom maar naar [plaats 12] zodat ik je even kan spreken. We moeten weten wat je allemaal gaat vertellen en neem het papier mee, kom maar. (…) Man, om tien uur 's ochtends was [medeverdachte 4] nog thuis. Wat is er nou gebeurd?”. Ook [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] voerden telefoongesprekken op 5 februari 2019. Om 19:26 uur vertelde [medeverdachte 1] aan [medeverdachte 2] “Ja, het huis is ontdekt (…) we hebben het niet in het nieuws zien staan en [medeverdachte 4] was om half elf ’s ochtends vertrokken. Wie komt er allemaal bij [medeverdachte 4] langs?”. Op 6 maart 2019 werd door het observatieteam waargenomen dat de Volkswagen Transporter om 15:11 uur geparkeerd stond ter hoogte van het portiek voor de toegang tot de [adres 1] in [plaats 1] . Om 15:17 uur op voornoemde datum zagen de verbalisanten dat [verdachte] met plastic tassen de portiek van de [adres 1] binnenging. Even later werd gezien dat [verdachte] in de [adres 1] op een trap bij het raam aan het klussen was. Dactyloscopisch spoor Tijdens het ontmantelen van de hennepkwekerij op 5 februari 2019 werd een stuk folie met ducttape aangetroffen op een ruit in kweekruimte 1. Nadat de ducttape van het folie was verwijderd werden op de kleefzijde meerdere dactyloscopische sporen aangetroffen. Deze dactyloscopische sporen werden vergeleken met behulp van [naam 22] wat heeft geleid tot individualisatie van het spoor op de persoon [medeverdachte 2] . Tussenconclusie Op grond van hetgeen de rechtbank hiervoor aan feiten en omstandigheden heeft uiteen gezet, is de rechtbank van oordeel dat [verdachte] betrokken is geweest bij de exploitatie van deze hennepkwekerij. [verdachte] was samen met [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] en [medeverdachte 4] betrokken bij de opbouw, inrichting en het onderhoud van de hennepkwekerij. [verdachte] verrichtte reparaties en ruimde op. Een maand na het oprollen van de hennepkwekerij in de woning gelegen aan de [adres 1] in [plaats 1] was [verdachte] in voornoemde woning aan het klussen. 6.3.2.2 [adres 2] te [plaats 2] De redengevende feiten en omstandigheden De rechtbank stelt op grond van de behandeling ter terechtzitting en de bewijsmiddelen, die als bijlage aan dit vonnis zijn gehecht, het navolgende vast. Aantreffen hennepkwekerij Op 18 april 2019 werd in de woning gelegen aan de [adres 2] te [plaats 2] een volledig (professioneel) ingerichte kweekruimte met 293 hennepplanten aangetroffen. De hennepplanten waren ongeveer vier weken oud. De stroomvoorziening ten behoeve van de hennepkwekerij werd illegaal afgenomen door middel van een illegaal aangebrachte aftakking. De deksel van de stijgleidingkast was opengebroken. [betrokkene 2] (hierna: [betrokkene 2] ) stond in de GBA ingeschreven als bewoner van voornoemd adres. Verklaring [betrokkene 2] verklaarde bij de politie dat een persoon genaamd [medeverdachte 1] de woning gelegen aan de [adres 2] in [plaats 2] voor hem had geregeld. [medeverdachte 1] was de eigenaar van de hennepkwekerij in de woning en verzorgde de planten. Hij beschikte ook over een sleutel van de woning. Op de vraag van de politie wat [betrokkene 2] over een telefoongesprek tussen zijn eigen telefoonnummer en het telefoonnummer [telefoonnummer 1] kon vertellen, verklaarde hij dat dit een gesprek met [medeverdachte 1] betrof. De rechtbank heeft hiervoor reeds vastgesteld dat [medeverdachte 1] de gebruiker was van het telefoonnummer [telefoonnummer 1] . De rechtbank stelt, gelet op het voorgaande, vast dat waar [betrokkene 2] verklaarde over [medeverdachte 1] , hij daarmee [medeverdachte 1] bedoelde. [betrokkene 2] verklaarde tijdens zijn politieverhoor ook over een persoon genaamd [verdachte] . Volgens [betrokkene 2] deed [verdachte] wat hem door [medeverdachte 1] werd opgedragen. Bij de rechter-commissaris verklaarde [betrokkene 2] dat hij [verdachte] wel eens had gezien in de hennepkwekerij, dat [verdachte] ook dingen had gedaan in de kwekerij en dat [verdachte] een van de personen was die de kamers had klaargezet. Gelet op de door [betrokkene 2] gegeven beschrijving van [verdachte] , in samenhang bezien met de feiten en omstandigheden zoals onder de andere kwekerijen is/wordt uiteengezet, komt de rechtbank tot de conclusie dat waar [betrokkene 2] in zijn verklaring sprak over [verdachte] , hij daarmee [verdachte] bedoelde. Aangetroffen sleutel Op de actiedag werd in de Volkswagen Passat een sleutel aangetroffen die op de centrale toegangsdeur paste van het appartementencomplex waarin het appartement [adres 2] gevestigd is. Tapgesprekken, observaties en peilbakengegevens Op 26 februari 2019 belde [medeverdachte 1] naar [verdachte] met de mededeling dat zij vast bij “[betrokkene 2]” moesten beginnen. Op 18 maart 2019 belde [medeverdachte 1] met [betrokkene 2] . [medeverdachte 1] vertelde in dit gesprek “ik heb de post al gelezen, er zit niets engs in de post, ze willen het gebouw en de gangen in om het alarm te vervangen en ook zullen ze waarschijnlijk bij jou, in de kamer, waar de wasmachine staat (…) maar ze zullen niet in de buurt komen van onze kamer”. [betrokkene 2] antwoordde hierop “wat belangrijk is is dat er daar geen geur uitkomt op het moment dat iemand daar langs loopt”. Tijdens het politieverhoor erkende [betrokkene 2] dat dit telefoongesprek betrekking had op de hennepkwekerij en op de geur van de hennepplanten. Op 21 maart 2019 om 14:33 uur vond opnieuw telefonisch contact tussen [medeverdachte 1] en [betrokkene 2] plaats. [medeverdachte 1] zei in dit gesprek tegen [betrokkene 2] dat hij nu naar [betrokkene 2] toekwam. De Volkswagen Passat bevond zich ten tijde van dit gesprek aan de [adres 2] te [plaats 2] . Op 16 april 2019 om 16:39 uur belde [medeverdachte 1] met [verdachte] . [medeverdachte 1] gaf [verdachte] de opdracht om naar [plaats 2] te gaan “Ga naar [plaats 2] want ze moeten wel gebladerd worden en plaats de stokjes ook, geen probleem, laat ze maar later lang worden.” Op diezelfde dag om 17:24 uur nam het observatieteam waar dat [verdachte] met de Volkswagen Passat bij de [adres 2] te [plaats 2] arriveerde. [verdachte] pakte een zware vuilniszak en een Albert Heijn tas uit de Volkswagen Passat. Om 17:25 uur liep [verdachte] richting de [adres 2] alwaar de deur voor hem werd geopend en hij naar binnenliep. Om 17:50 uur liep [verdachte] de portiek uit. Hij sprak om 17:55 uur diverse mensen op straat aan om te vragen of hij mocht bellen met hun telefoon. Om 17:58 uur belde [medeverdachte 1] met [betrokkene 2] . Hij meldde het volgende “Ik heb mijn broer erheen gestuurd om iets te doen en ehhhh, ze zijn allemaal naar de vierde verdieping gekomen en ze staan voor de deur aan te bellen/aan te kloppen. Ze hebben ook twee keer bij je aangebeld/aangeklopt.(…), waarop [betrokkene 2] aan [medeverdachte 1] vroeg wie dat waren. [medeverdachte 1] antwoordde “De politie.(…) Mijn broer heeft de autosleutel en zijn telefoon in het huis vergeten. Je moet dus nu meteen naar huis gaan en kijk maar of er post is achtergelaten.” Om 18:05 uur nam het observatieteam waar dat [verdachte] bij de bushalte stond. Op 18 april 2019 om 11:16 uur, enkele uren na het binnentreden van de politie in de woning aan de [adres 2] , had [medeverdachte 1] telefonisch contact met [betrokkene 2] . [betrokkene 2] meldde dat ze waren gekomen en dat ze een bevel hadden om binnen te mogen treden. [betrokkene 2] vroeg aan [medeverdachte 1] “En door het uitvallen/uitschakelen van de elektriciteit op straat kunnen ze niet ontdekken dat er vanuit dat ene gebouw veel elektriciteit is afgetapt?”. [medeverdachte 1] reageerde “Nee, nee, nee, dit kunnen ze niet, nee, we werken al zolang bij jou, dit is niet de eerste keer (…) hebben ze al onze spullen ingenomen?” [betrokkene 2] antwoordde “Ze zeiden: "we gaan nu alles hier weghalen" (…) Ze zullen de planten weghalen of ... ze zijn tot nu toe aan het werk in het huis”. Hierop zei [medeverdachte 1] “Goed, je zou zeker naar hen toe moet gaan. Ze zullen een afspraak naar je sturen alleen om je te vragen en voordat je gaat moet je alles voorbereid hebben. Ze zullen je bijvoorbeeld vragen: "wie heeft dit voor je gedaan/gemaakt, hoe vaak heb je dit gedaan/gemaakt?" Ze zullen veel nadruk leggen op het woord "wie heeft het voor je gedaan/gemaakt", begrijp je? (…) je moet vertellen zoals ik je nu vertel, "ik wist niet exact wat dit was en zo maar ik had geld nodig dat ik naar mijn familie in Syrië wilde sturen" (…) En, en, en veel schulden stapelden zich bij mij op en ehhh, en ehhh ik precies, iemand is bij me geweest, houdt het maar bij een Marokkaan ehhh (…) als ze vragen "waar heb je hem leren kennen", bijvoorbeeld, noem maar natuurlijk een plaats die ver weg van onze gebieden ligt en ehhhh "ik heb hem in een theehuis/café leren kennen en hij vroeg mij een kamer aan hem te verhuren" en dit soort dingen en "ik heb met hem afgesproken dat het een kwestie zal zijn van iets van twee maanden en zo" (…) Ze zullen jou vragen: "wat is zijn naam?" Je geeft dan een naam die je zelf verzint en dezelfde naam wordt aangehouden, begrijp je hoe? (…) Je moet de naam niet steeds wijzigen”. Tussenconclusie De rechtbank stelt op grond van deze feiten en omstandigheden vast dat [verdachte] betrokken is geweest bij de exploitatie van de hennepkwekerij in de woning gelegen aan de [adres 2] te [plaats 2] . [verdachte] was betrokken bij de inrichting van de kweekruimte. [verdachte] ging in opdracht van [medeverdachte 1] meermalen aan het werk in voornoemde woning, waarvan in ieder geval eenmaal op het moment dat de hennepkwekerij al in werking was, namelijk op 16 april 2019. Hij ging die dag naar de woning om “te bladeren” en om de stokjes te plaatsen. Ongeveer een half uur nadat [verdachte] bij de woning was gearriveerd, vluchtte hij de woning uit, nadat de politie had aangeklopt. 6.3.2.3 [adres 3] te [plaats 1] De redengevende feiten en omstandigheden De rechtbank stelt op grond van de behandeling ter terechtzitting en de bewijsmiddelen, die als bijlage aan dit vonnis zijn gehecht, het navolgende vast. Aantreffen hennepkwekerij Op 7 mei 2019 troffen verbalisanten in de woning gelegen aan de [adres 3] te [plaats 1] een in werking zijnde hennepkwekerij aan. In de woning bevonden zich twee kweekruimtes. In de woonkamer die was ingericht als kweekruimte 1 stonden 281 hennepplanten. In de slaapkamer die was ingericht als kweekruimte 2 stonden 182 hennepplanten. Er werd geconstateerd dat de stroomvoorziening illegaal werd afgenomen door middel van een illegale aftakking in de hoofdaansluitkast. De door Enexis Netbeheer aangebrachte zegels waren hiertoe verwijderd, vervangen of gemanipuleerd. [betrokkene 3] was de huurder van voornoemde woning. Aangetroffen sleutel [medeverdachte 1] werd op 25 juni 2019 aangehouden in een woning aan de [adres 16] te [plaats 1] . Tijdens de doorzoeking van die woning werd een sleutelbos aangetroffen met sleutels van de voordeur van de woning aan de [adres 3] . Tapgesprekken, observatie, peilbakengegevens en historische verkeersgegevens Op 27 maart 2019 voerde [medeverdachte 1] een telefoongesprek met een onbekend gebleven persoon. In dit gesprek vroeg de onbekend gebleven persoon aan [medeverdachte 1] of hij een arbeidscontract voor [betrokkene 3] kon regelen. [medeverdachte 1] reageerde daarop dat hij het die avond zou klaarmaken. Op 8 april 2019 belde [verdachte] met [medeverdachte 1] en zei “Ik ben nu in het huis van het meisje. Wat wil je doen, de kamer en de woonkamer, alleen maar de woonkamer of alleen maar de kamer?” [medeverdachte 1] antwoordde “De kamer en de woonkamer”. Op 20 april 2019 werd door een onbekend gebleven persoon gebeld naar [medeverdachte 1] . [medeverdachte 1] vroeg de onbekend gebleven persoon in dit gesprek om 500 aan het meisje, [betrokkene 3] , te geven. Op 24 april 2019 om 16:35 uur belde [medeverdachte 1] naar [medeverdachte 3] en gaf hij [medeverdachte 3] de volgende instructies: “Ik wil dat jullie iets van 20 kommen pakken en daarmee naar boven gaan. Laat hem ze horizontaal en verticaal bij elkaar leggen zodat … de man zit mij te bellen, zodat ik kan zien hoeveel stuks ik moet halen. Laat hem mij maar vertellen hoeveel stuks horizontaal en hoeveel stuks verticaal, in beide kamers. (…) [medeverdachte 4] weet wel. [medeverdachte 3] gaf de telefoon vervolgens door aan [medeverdachte 4] “Hier, heb je hem, hier is [medeverdachte 4].” Op diezelfde dag om 16:57 uur peilde het telefoonnummer van [medeverdachte 3] uit op een telefoonmast die hemelsbreed binnen 200 meter van de [adres 3] in [plaats 1] lag. De Volkswagen Transporter bevond zich op die dag tussen 17:00 uur en 17:24 uur aan de [adres 3] in [plaats 1] . Om 20:39 uur belde [medeverdachte 1] naar [medeverdachte 4] met de vraag op hoeveel stuks [medeverdachte 4] daar uit kwam. [medeverdachte 4] vertelde “de spullen liggen allemaal op de grond en we konden niet ehhh, we hebben een lading naar boven gebracht”. [medeverdachte 1] stelde dat het niet veel moeite was en dat het slechts twee minuten zou kosten. [medeverdachte 1] vertelde dat de man zat te wachten en zei “Ga jij maar snel samen met [medeverdachte 2] ”. Op 25 april 2019 om 13:27 uur belde [medeverdachte 1] naar [medeverdachte 2] met de vraag hoeveel stuks er besteld moesten worden. [medeverdachte 2] reageerde daarop dat [medeverdachte 1] er 440 moest bestellen. [medeverdachte 1] antwoordde “Goed, 450, is goed.”. Even later, om 13:33 uur, hadden [medeverdachte 1] en [medeverdachte 5] telefonisch contact. [medeverdachte 1] meldde dat het er 450 moesten zijn, waarop [medeverdachte 5] antwoordde dat hij het had opgeschreven. Om 14:59 uur belde [verdachte] met [medeverdachte 1] . [medeverdachte 1] wees [verdachte] erop dat hij het bord niet overdag mocht aansluiten, want “hoogstwaarschijnlijk is de reden geweest bij [naam 1] , die opgepakt werd, dat we het overdag hadden aangesloten”. 46 minuten voor voornoemd gesprek voerde [verdachte] een telefoongesprek met zijn andere telefoonnummer waarbij de mast aan de [adres 3] in [plaats 1] werd aangestraald. Op 26 april 2019 om 14:00 uur stuurde [medeverdachte 5] een sms-bericht aan [medeverdachte 1] “4uur bij mij gr”. Diezelfde dag om 14:24 uur belde [medeverdachte 1] naar [medeverdachte 3] en deelde hij mee “ , onze afspraak met de man is om vier uur, ik ga nu (…) je zult mij daar ontmoeten, ik wacht op je”. [medeverdachte 3] vroeg vervolgens naar het adres en [medeverdachte 1] zei dat [medeverdachte 3] vast richting Arnhem kon vertrekken en dat hij het adres zou sturen. Het telefoonnummer van [medeverdachte 3] straalde tijdens voornoemd gesprek aan op een telefoonmast aan de [adres 3] in [plaats 1] . Het observatieteam nam waar dat [medeverdachte 1] de Volkswagen Passat om 15:47 uur parkeerde bij het perceel [adres 11] in [plaats 10] . Om 16:14 uur straalde het telefoonnummer van [medeverdachte 3] aan op een telefoonmast die hemelsbreed op ongeveer 1,5 kilometer afstand van de woning aan de [adres 12] in [plaats 10] , waar [medeverdachte 5] woonde, stond. Op datzelfde moment belde [medeverdachte 1] naar [medeverdachte 3] om te vragen waar hij bleef, waarop [medeverdachte 3] zei dat hij voor de deur stond. Het observatieteam nam waar dat [medeverdachte 1] om 16:30 uur van perceel [adres 11] naar perceel [adres 12] reed. De achterbank en de kofferbak van de Volkswagen Passat waren op dat moment leeg. Om 16:39 uur reed [medeverdachte 1] weer weg met meerdere bruine dozen op zijn achterbank en in zijn kofferbak. Om 19:13 uur hadden [medeverdachte 3] en [medeverdachte 1] telefonisch contact. [medeverdachte 3] deelde aan [medeverdachte 1] mee dat de spullen naar boven waren gebracht. [medeverdachte 1] vroeg of de dozen open waren gezet, waarop [medeverdachte 3] antwoorde “Ja natuurlijk.” [medeverdachte 1] zei dat hij zuigers in zijn auto had liggen die hij in het busje moest zetten. Hij vroeg [medeverdachte 3] of er spullen in het busje lagen, waarop [medeverdachte 3] antwoordde dat er “transformatoren en zoiets” in het busje lagen. Het telefoonnummer van [medeverdachte 3] straalde aan op de telefoonmast aan de [adres 3] in [plaats 1] tijdens dit gesprek. Op 27 april 2019 om 14:15 uur meldde [medeverdachte 3] bij [medeverdachte 1] dat de kommen naar boven waren gebracht en dat ze nog bezig waren met het leggen van het zeil. [medeverdachte 3] zei tegen [medeverdachte 1] “Voor het geval dat er iets gebeurd, dat we dan niet alle vier tegelijkertijd beneden zouden zijn/niet alle vier tegelijkertijd opgepakt worden.” [medeverdachte 1] vroeg aan [medeverdachte 3] of zij er 450 naar boven hadden gebracht. [medeverdachte 3] bevestigde dit en vertelde “en meer zelfs”. Het telefoonnummer van [medeverdachte 3] straalde ten tijde van dit gesprek aan op een mast die 200 meter van de [adres 3] in [plaats 1] verwijderd was. Om 14:23 uur straalde het telefoonnummer van [medeverdachte 3] aan op een telefoonmast aan de [adres 3] in [plaats 1] . De Volkswagen Transporter bevond zich op voornoemde dag tussen 13:52 uur en 14:05 uur aan de [adres 3] in [plaats 1] . Op 29 april 2019 om 13:06 uur belde [medeverdachte 1] met [medeverdachte 4] . [medeverdachte 1] vroeg aan [medeverdachte 4] : “ , hebben jullie een motor en waterslangen hierheen/naar boven gebracht of niet?” [medeverdachte 1] meldde dat hij aan het werk wilde gaan, maar dat hij een vat, een gele waterslang, een sproeier/gieter en een rode waterslang nodig had. [medeverdachte 4] zei “is goed, we zijn nu bij je aangekomen, over een minuut zijn we bij je aangekomen.(…) we komen naar je toe (…) blijf even aan de lijn zodat je de deur voor ons kan doen (…) [medeverdachte 1] , doe de deur voor ons open”. [medeverdachte 1] vroeg op enig moment “Hoezo, heb je hier de stroom losgekoppeld?” waarop [medeverdachte 4] antwoordde “nee, ik heb het niet losgekoppeld (…) je moet goed indrukken, [medeverdachte 1] , want soms blijft het hangen”. Zowel het telefoonnummer van [medeverdachte 1] als het telefoonnummer van [medeverdachte 4] straalde aan op een mast die was gevestigd op een flatgebouw gelegen aan de [adres 13] in [plaats 1] . Om 17:08 uur belde [medeverdachte 1] met [medeverdachte 2] . [medeverdachte 1] vertelde “Ik heb spullen gehaald en ik ben onderweg om te gaan werken, thuis, hier (…) ik heb 450 gehaald en zo klopt de berekening helemaal” en even later vroeg hij “Waar is [verdachte]”. [medeverdachte 2] antwoordde dat [verdachte] boven was om de zekering te plaatsen. [medeverdachte 1] zei “Is goed, ik ga naar hem toe, ik ga werken en zodra ik klaar ben kom ik naar jullie toe”. Tijdens dit gesprek straalde het telefoonnummer van [medeverdachte 1] ook aan op de mast gevestigd op een flatgebouw gelegen aan de [adres 13] in [plaats 1] . Tussenconclusie De rechtbank is op grond van de voorgaande feiten en omstandigheden van oordeel dat [verdachte] betrokken is geweest bij de hennepkwekerij in de woning gelegen aan de [adres 3] te [plaats 1] . [verdachte] belde met [medeverdachte 1] om hem te vragen welke kamers hij in de woning van “het meisje” moest “doen”, waarna [medeverdachte 1] [verdachte] instrueerde om de slaapkamer en de woonkamer “te doen”. Bij het ontmantelen van de hennepkwekerij in de woning gelegen aan de [adres 3] te [plaats 1] werden precies in die kamers de in werking zijnde kweekruimtes aangetroffen. [medeverdachte 1] wees [verdachte] erop dat hij het schakelbord in de woning aan de [adres 3] te [plaats 1] niet overdag mocht aansluiten. Op 29 april 2019 ging [medeverdachte 1] naar voornoemde woning toe om aan het werk te gaan. [verdachte] bevond zich op dat moment ook in de woning en was bezig met het plaatsen van een zekering. 6.3.2.4 [adres 4] te [plaats 12] De redengevende feiten en omstandigheden De rechtbank stelt op grond van de behandeling ter terechtzitting en de bewijsmiddelen, die als bijlage aan dit vonnis zijn gehecht, het navolgende vast. Aantreffen hennepkwekerij Op 24 mei 2019 werd in de woning gelegen aan de [adres 4] te [plaats 3] een in werking zijnde hennepkwekerij aangetroffen. Deze woning ligt op de vierde etage in een woon-zorgcomplex van Humanitas. De kweekruimte bevond zich in de slaapkamer. Er stonden 214 hennepplanten van ongeveer zeven weken oud. De planten stonden in kweekpotten. De stroomvoorziening werd illegaal afgenomen. Er waren op twee fases illegale aansluitingen gemaakt. Er was een kabel vanaf de onderzijde van de huisaansluiting naar de kweekruimte geleid. Deze kabel was aangesloten op een schakelbord. Om de illegale aftakking te kunnen realiseren, waren de originele zegels verwijderd, vervangen of gemanipuleerd. [betrokkene 4] (hierna: [betrokkene 4] ) stond op voornoemd adres ingeschreven in de GBA. Tapgesprekken, observatie, peilbakengegevens Op 23 februari 2019 uur hadden [verdachte] en [medeverdachte 1] telefonisch contact. [verdachte] vroeg om het adres van die ene man. [medeverdachte 1] gaf [verdachte] vervolgens instructies over hoe hij naar het flatgebouw aan de [adres 4] te [plaats 12] kon rijden. Op 25 maart 2019 om 12:33 uur spraken [medeverdachte 1] en [verdachte] elkaar opnieuw. [verdachte] vroeg aan [medeverdachte 1] “bij [betrokkene 4] , wat is de maat van de televisie van ehhh, van de zuiger? (…) Datgene dat de geur naar buiten zuigt”. [medeverdachte 1] adviseerde [verdachte] over welk type zuiger en filter hij het beste kon kiezen. [medeverdachte 1] vroeg vervolgens “Zijn jullie naar de man gegaan?”, waarop [verdachte] antwoordde dat hij nu bij hem was. De Volkswagen Passat bevond zich op 25 maart 2019 om 13:34 uur aan de [adres 4] te [plaats 12] . Ook de Volkswagen Transporter bevond zich aan de [adres 4] te [plaats 12] . Op 28 maart 2019 om 10:08 uur voerden [medeverdachte 1] en [verdachte] een telefoongesprek. [medeverdachte 1] gaf aan dat hij naar [betrokkene 4] toeging. [verdachte] antwoordde daarop “Kijk maar wat je gaat doen en maak maar via mobiel foto's voor mij en vertel me vervolgens wat ik waar moet zetten en waar ik de opening moet maken, en als de opening jou niet zal bevallen, zal ik dit dan veranderen (…) over een uur komt [medeverdachte 2] mij ophalen en ik zal het bij [naam 2] af gaan maken en ik zal vervolgens ons gereedschap daar weghalen en dit naar [betrokkene 4] toe brengen”. De Volkswagen Passat stond om 12:11 uur aan de [adres 4] te [plaats 12] . Om 12:13 uur belde [medeverdachte 1] met [betrokkene 4] . [medeverdachte 1] vroeg [betrokkene 4] op welke verdieping hij ook alweer zat. [betrokkene 4] antwoorde “De vierde, [adres 4] ”, waarop [medeverdachte 1] antwoordde “is goed, ik kom naar je toe”. Om 13:03 uur hadden [medeverdachte 1] en [verdachte] telefonisch contact. Het telefoonnummer van [medeverdachte 1] straalde tijdens dit gesprek een mast aan de [adres 4] te [plaats 12] aan. [medeverdachte 1] gaf aan dat hij bij [naam 3] was. [medeverdachte 1] vertelde “Als je komt, zal [naam 3] je de opening laten zien. Ik heb dit namelijk veranderd/verplaatst (…) Bij de deur van het balkon, in de hoek, beneden, niet op de vloer, we hebben het zoveel mogelijk naar boven gehaald”. [verdachte] vertelde “Ik mag eigenlijk niets op de vloer leggen/neerzetten want dit zal de lampen aanraken. De luchtslang is namelijk 25 centimeter”. [medeverdachte 1] antwoordde onder meer “dit kan ook maar wel op deze plek en waarom, want ik zei tegen hem dat het raam van de woonkamer of deze deur van de woonkamer, één van deze twee moet 24 uur lang open staan (…) Maak jij maar de opening. (…) Een ander ding is ehhh, de transformatoren ehhh, hij heeft een kast hier, op de vloer van de kamer waar jullie zullen gaan werken, deze moeten jullie naar de badkamer brengen en leg dan jullie transformatoren erop”. Op 1 april 2019 om 10:43 uur werd door het observatieteam waargenomen dat [medeverdachte 2] en [verdachte] met de Volkswagen Transporter vertrokken vanaf de [adres 4] te [plaats 12] . Zij parkeerden op de parkeerplaats van de Gamma te [plaats 12] naast de Volkswagen Passat. Daar troffen zij [medeverdachte 1] . [verdachte] en [medeverdachte 2] begroetten [medeverdachte 1] en ze liepen vervolgens met zijn drieën de Gamma binnen. Het drietal kocht twee grote platen, zes flessen kit, diverse balken en andere goederen. Om 13:38 uur stond de Volkswagen Transporter geparkeerd bij een zijingang van het woonzorgcentrum gevestigd aan de [adres 14] te [plaats 12] . [medeverdachte 2] en [verdachte] pakten houten platen, houten palen en vuilniszakken uit de Volkswagen Transporter en gingen met deze materialen en met een plateauwagen het woon-zorgcomplex naar binnen via de zijdeur. Om 14:26 uur liep [verdachte] kamer [adres 4] of [adres 4] binnen met twee houten palen en om 16:15 uur liep hij met een houten plaat kamer [adres 4] binnen. Om 18:34 uur belde [medeverdachte 3] naar [medeverdachte 1] en vertelde hij hem dat hij 60 zakken voor hem had gehaald. [medeverdachte 3] vroeg aan [medeverdachte 1] waar hij het busje moest achterlaten. [medeverdachte 1] antwoordde “parkeer het busje maar daar en laat de eigenaar/huurder van het huis, [betrokkene 4] jou vertellen waarje het busje voor hem moet parkeren en geef hem de sleutel zodat hij ze beetje bij beetje, 's avonds/'s nachts eruit kan halen/naar boven brengt”. [medeverdachte 1] en [medeverdachte 3] voerden op 4 april 2019 om 15:08 uur een telefoongesprek. In dit gesprek zei [medeverdachte 3] tegen [medeverdachte 1] dat hij twee stuks zeil voor de vloer had gehaald. [medeverdachte 3] vertelde aan [medeverdachte 1] “Ze zullen bij [betrokkene 4] terugkomen”, waarop [medeverdachte 1] reageerde “Is goed, jullie zijn dan klaar en weer teruggekomen”. Diezelfde dag, om 16:25 uur, meldde [medeverdachte 1] aan [betrokkene 4] dat de jongens wat spullen naar hem ( [betrokkene 4] ) wilden brengen. [medeverdachte 1] vertelde “[verdachte] en [medeverdachte 2] zijn degenen die gaan werken, maar er zijn ook nog andere jongens die twee dozen naar je toe zullen brengen waar kommen in zitten”. [medeverdachte 1] vroeg naar het huisnummer van [betrokkene 4] , waarop [betrokkene 4] antwoordde dat het nummer [adres 4] betrof. Hierna belde [medeverdachte 1] , om 16:26 uur, wederom naar [medeverdachte 3] en meldde hij “De man, [betrokkene 4] , is thuis gearriveerd en hij zit nu op jullie te wachten.(…) Zijn huisnummer is [adres 4]”. [medeverdachte 3] meldde dat zij onderweg waren. Op 10 april 2019 belde [medeverdachte 1] met [betrokkene 4] . Hij sprak [betrokkene 4] in dit gesprek aan met de (bij)naam [naam 3] . [medeverdachte 1] vroeg [betrokkene 4] hoe de zaken liepen. [medeverdachte 1] gaf [betrokkene 4] de volgende instructies “Ik wil dat je vandaag meer stekkers gaat gebruiken. Het zijn er nu drie die aan het werk zijn. Maak daar maar vier van (…) En naast die enen die je gisteren hebt getrakteerd, de ouden, pak even een stukje aarde met je hand en knijp deze even in en kijk of er nog water in zit (…) Als het erin zit dan is het niet nodig. Zodra je ziet dat de aarde niet meer in te knijpen is, betekent dit dat het wel nodig is”. Op 13 mei 2019 belde [medeverdachte 1] met [verdachte] . [medeverdachte 1] vertelde “Als je naar die ene gaat ehhhh, [betrokkene 4] ehhh, ik denk niet dat de transformatoren zijn die het geluid veroorzaken. Ik denk dat het de klok/meter is die aan het zoemen is en soms als je die een klap geeft zal het minder gaan zoemen, snap je?”. Tussenconclusie De rechtbank stelt op grond van deze feiten en omstandigheden vast dat [verdachte] bij de exploitatie van de hennepkwekerij betrokken is geweest. Uit de inhoud van de voormelde telefoongesprekken concludeert de rechtbank dat [verdachte] en [medeverdachte 1] meermalen telefonisch contact hadden over de inrichting van de hennepkwekerij in de woning gelegen aan de [adres 4] te [plaats 12] . [verdachte] vroeg aan [medeverdachte 1] hoe hij de hennepkwekerij in de voornoemde woning ingericht wilde zien en [medeverdachte 1] gaf hem daarop instructies. [verdachte] ging samen met [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] naar de Gamma om spullen te halen, die daarna door [verdachte] en [medeverdachte 2] naar de woning werden gebracht. [verdachte] ging op 4 april 2019 samen met [medeverdachte 2] in voornoemde woning aan het werk. De hennepkwekerij was op dat moment, gelet op de leeftijd van de aangetroffen hennepplanten, reeds in werking. 6.3.2.5 [adres 5] te [plaats 4] De redengevende feiten en omstandigheden De rechtbank stelt op grond van de behandeling ter terechtzitting en de bewijsmiddelen, die als bijlage aan dit vonnis zijn gehecht, het navolgende vast. Aantreffen hennepkwekerij Op 3 juni 2019, omstreeks 9:15 uur, werd binnengetreden in een woning gelegen aan [adres 5] te [plaats 4] . In de slaapkamer op de eerste verdieping werd een in werking zijnde hennepkwekerij met 278 hennepplanten aangetroffen. De hennepplanten waren ongeveer vijf weken oud. Er werden indicatoren aangetroffen die duidden op eerdere opbrengsten uit de exploitatie van de hennepkwekerij. De stroomvoorziening ten behoeve van de kwekerij werd illegaal afgenomen. De deksel van de aansluitkast was verwijderd. Er was een illegale aansluiting buiten de elektriciteitsmeter om gemaakt. Ook was de hoofdbeveiliging van de elektrische installatie verzwaard. [betrokkene 5] (hierna: [betrokkene 5] ) was de bewoonster van voornoemd adres. Verklaring [betrokkene 5] verklaarde bij de politie dat zij de woning aan [medeverdachte 1] ter beschikking had gesteld door hem de sleutel van de woning te geven. Tapgesprekken en peilbakengegevens Op 4 april 2019 vroeg [medeverdachte 2] aan [medeverdachte 1] “Waarom heb je de grote vat naar mij laten brengen, [naam 4] ?”. [medeverdachte 1] antwoordde “Deze gaat nooit lek. Telkens als ik er één haal gaat hij lek. Die van [betrokkene 5] is twee keer lek gegaan en ik moet hem nu vervangen”. [medeverdachte 2] vroeg hoe lang die van [betrokkene 5] er al stond. [medeverdachte 1] zei dat het vat er ongeveer acht maanden stond en dat het vat vanzelf lek was gegaan. Op 10 april 2019 voerde [medeverdachte 1] meerdere telefoongesprekken. Om 16:09 uur belde hij [medeverdachte 3] om te vertellen “het meisje zal om vijf uur in het huis zijn, jullie moeten dan om tien over vijf of kwart over vijf het huis binnengaan”. Om 18:07 uur belde [medeverdachte 1] naar [betrokkene 5] met de mededeling dat [medeverdachte 3] , de broer van [medeverdachte 2] , onderweg was en dat [betrokkene 5] naar het “speelveld” moest lopen om samen met [medeverdachte 3] terug te lopen. Twee minuten later belde [medeverdachte 1] opnieuw naar [betrokkene 5] en zei hij “over vijf minuten is hij er. Ga maar naar het voetbalveld toe, ok [betrokkene 5]”. [betrokkene 5] reageerde daarop dat zij nu ging. De Volkswagen Transporter bevond zich om 18:39 uur bij een voetbalveld gelegen aan de [adres 15] te [plaats 4] . De afstand tussen deze plek en de woning gelegen aan [adres 5] te [plaats 4] is heel klein en de woning is vanaf deze plek goed bereikbaar via een voetpad. Om 20:38 uur belde [medeverdachte 3] naar [medeverdachte 1] . [medeverdachte 1] vroeg in dit gesprek aan [medeverdachte 3] of de grond droog was geworden. Daarnaast zei [medeverdachte 1] “laat hem maar voor me kijken of de mussen het ook tot morgen kunnen volhouden”. [medeverdachte 3] gaf deze boodschap van [medeverdachte 1] door aan een onbekend gebleven persoon. De Volkswagen Transporter bevond zich ten tijde van dit gesprek nog aan de [adres 15] te [plaats 4] . Om 22:38 uur belde [medeverdachte 1] naar [medeverdachte 3] om te vragen of zij al klaar waren. [medeverdachte 3] antwoordde dat zij nog niet klaar waren, waarop [medeverdachte 1] antwoordde “het is nu donker geworden. Neem geen afval mee naar buiten, goed? (…) Laat me even weten hoe de toestand van de mussen is. (…) laat ze maar in de dozen staan, goed?”. Twee minuten later belde [medeverdachte 1] nogmaals naar [medeverdachte 3] om te zeggen dat hij niet moest vergeten om iets van tien lampen en de ventilatoren aan te laten. Ook zei [medeverdachte 1] tegen [medeverdachte 3] dat hij de mussen beneden neer moest zetten. De Volkswagen Transporter bevond zich ten tijde van voornoemd gesprek in de nabijheid van [adres 5] te [plaats 4] . Op 4 mei 2019 om 15:43 uur had [medeverdachte 1] telefonisch contact met [medeverdachte 2] . [medeverdachte 1] vertelde “er is iets aan het gebeuren in het huis van [betrokkene 5] waarover ik de mening heb gevraagd van de Nederlander die tegen mij zei: "want ehhhh..", die van [betrokkene 5] zijn aan het groeien maar heel traag, de bloem daarvan is nog klein en groeit niet., Hij zei tegen mij: "omdat ze ’s avond/'s nachts kou vatten". Daarom moet de temperatuur boven de 15 staan. Onder de 15 mag niet”. Even voorafgaand aan dit gesprek, om 14:11 uur, belde [medeverdachte 1] met [medeverdachte 5] om advies in te winnen. [medeverdachte 1] meldde “ik zie dat, eh, is langzaam werken , heel erg langzaam (…) en weetje wat ik bedoel is, die bloem moet allang”. [medeverdachte 5] antwoordde “oh, heb ik ook spul voor”. [medeverdachte 1] vroeg “Ja dat bedoel ik, wat moet ik geven nu eigenlijk?”. [medeverdachte 5] antwoordde “Heb ik ook. Dat snel de toppen komen.(…) Ik breng wel twee kilo mee (…) je bedoelt voor topjes”. [medeverdachte 1] vroeg aan [medeverdachte 5] “Maar wat is de reden eigenlijk waarom zo gebeuren hier?”, waarop [medeverdachte 5] antwoordde “misschien iets te koud. Kijk, ook een neerhangen, misschien als de lamp uit is, te koud, dan die topjes komen heel langzaam (…) Als ie te koud wordt, hij groeit niet. Hij stop”. [medeverdachte 1] vroeg vervolgens “en wat voor voeding moet ik geven als die bloemen klein”. [medeverdachte 5] meldde dat hij maandag iets zou meenemen en dat hij zou opschrijven wat [medeverdachte 1] moest doen. [medeverdachte 1] zei “maar goed ik heb jou gevraagd man, want ik weet niet wat moet ik doen”. [medeverdachte 5] gaf nog aan [medeverdachte 1] mee “Maar ik denk te koud. Te koud, dan doet het eigenlijk, hij groeit heel langzaam, gaat te langzaam (…) wanneer de lampen uit, kacheltje aan. Moet minimaal 16 graden, 15, 16 graden, minimaal”. Op 19 mei 2019 om 16:08 uur belde [medeverdachte 1] met [verdachte] . [medeverdachte 1] vertelde dat hij bij [betrokkene 5] was, dat hij veel moeite had met “het boord” en dat een schakel steeds uit ging. [verdachte] antwoordde dat [medeverdachte 1] er een foto van moest maken, zodat [verdachte] weer hetzelfde kon gaan kopen. [medeverdachte 1] zei dat de babyplantjes nu twee dagen geen licht hadden gehad. [verdachte] zei dat dit vermoedelijk de reden was dat de babyplantjes de vorige keer kapot waren gegaan. De Volkswagen Passat bevond zich op voornoemde datum tussen 15:51 uur en 18:04 uur in [plaats 4] , namelijk aan de [adres 15] dan wel aan [adres 5] . Op 20 mei 2019 belde [medeverdachte 1] opnieuw met [verdachte] over het bord bij [betrokkene 5] . [medeverdachte 1] zei dat [verdachte] het bord bij [betrokkene 5] moest vervangen, waarop [verdachte] antwoordde dat dat goed was. Op 3 juni 2019 om 11:16 uur, enkele uren nadat de verbalisanten de woning aan [adres 5] in [plaats 4] waren binnengetreden en de hennepkwekerij was ontdekt, belde [medeverdachte 2] met [medeverdachte 1] . [medeverdachte 1] vertelde “Het huis van [betrokkene 5] , [betrokkene 5] zal het me zeker vertellen nadat zij klaar zou zijn met het onderzoek/verhoor en alles. Maar ik weet zeker dat men het huis van [betrokkene 5] binnen is geweest en het (huis) heeft beroofd. En de sleutel ehh gewoon, ik liet hem (de sleutel) altijd in mijn auto achter. Ze zijn met een sleutel naar binnen geweest. (…) toen het nieuws over [naam 15] mij heeft bereikt, ben ik vanmorgen een cilinder gaan kopen om het slot van het huis te vervangen en toen werd ik daar verrast met de politie. De politie was, hoogstwaarschijnlijk en dit is wat ik denk, was afgekomen op de geur die naar buiten kwam nadat men het huis heeft beroofd, weet je wel.(…) zodra [betrokkene 5] klaar is met het onderzoek/verhoor zal het mij duidelijk worden of het huis beroofd is of niet want de politie hoort niet zomaar te komen. Ik bedoel, vandaag is de politie gekomen dat betekent dat het huis gisteren is beroofd en ze zijn met een sleutel erin gegaan en de sleutel ligt vaak in mijn auto”. Tussenconclusie De rechtbank is op grond van de voorgaande feiten en omstandigheden van oordeel dat [verdachte] bij de exploitatie van de hennepkwekerij betrokken is geweest. Gelet op de inhoud van vorenstaande telefoongesprekken en de peilbakengegevens concludeert de rechtbank dat [medeverdachte 1] aan [verdachte] meldde dat hij moeite had met het schakelbord in de hennepkwekerij in de woning gelegen aan [adres 5] te [plaats 4] . [medeverdachte 1] moest van [verdachte] een foto van het bord maken, zodat [verdachte] hetzelfde bord opnieuw kon kopen. Een dag later waren de problemen met het schakelbord klaarblijkelijk nog niet opgelost. [medeverdachte 1] instrueerde [verdachte] om het bord in de woning aan [adres 5] in [plaats 4] te vervangen, waarop [verdachte] antwoordde dat dat goed was. 6.3.2.6 [adres 6] te [plaats 1] De redengevende feiten en omstandigheden De rechtbank stelt op grond van de behandeling ter terechtzitting en de bewijsmiddelen, die als bijlage aan dit vonnis zijn gehecht, het navolgende vast. Aantreffen hennepkwekerij Op 25 juni 2019, de actiedag in het onderzoek Arcadia, werd in de woning gelegen aan de [adres 6] te [plaats 1] een in werking zijnde hennepkwekerij aangetroffen. In de professioneel ingerichte kweekruimte op de zolder van de woning stonden 259 hennepplanten. De stroomvoorziening ten behoeve van de kwekerij werd illegaal afgenomen. [medeverdachte 2] was woonachtig op voornoemd adres. [medeverdachte 4] bevond zich tijdens de actiedag ook in de woning en beschikte over een sleutel van de voordeur. Tapgesprekken en camerabeelden Op 23 februari 2019 belde [medeverdachte 2] met [medeverdachte 1] over zuigers en filters. [medeverdachte 1] vertelde in dit gesprek dat [medeverdachte 2] er een van 5000 of 2500 kon nemen. Uiteindelijk raadde [medeverdachte 1] aan om 2500 te nemen omwille van het geluid. Op 28 februari 2019 opende [medeverdachte 2] de deur van het portiek van de even nummers 20 tot en met 30 van de flat aan de [adres 6] in [plaats 1] . [verdachte] liep even later met houten latten die portiekdeur binnen. [medeverdachte 3] belde op 1 april 2019 met [medeverdachte 1] . [medeverdachte 3] zei “we hebben 40 zakken naar [medeverdachte 2] gebracht. We hebben ze gelost en beneden gelegd (…) Wil je dat ik het busje bij [medeverdachte 2] achterlaat of bij de locatie waar ze aan het werk zijn?”. Op 2 april 2019 was er telefonisch contact tussen [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] . [medeverdachte 2] liet in dit gesprek aan [medeverdachte 1] weten dat er 40 zakken en twee filters waren weggebracht. Toen [medeverdachte 1] vroeg naar wie dit was weggebracht, antwoordde [medeverdachte 2] “naar mij”. [medeverdachte 1] gaf te kennen dat [medeverdachte 2] inmiddels te veel had. Hierop deelde [medeverdachte 2] mee “Beter te veel dan te weinig” en “Het is 110 geworden”. [medeverdachte 1] reageerde dat dit meer dan genoeg was. Op 23 april 2019 om 20:36 uur vroeg [medeverdachte 2] aan [medeverdachte 1] hoeveel lampen hij moest plaatsen. Daarnaast meldde hij dat hij het bord in orde had gemaakt. [medeverdachte 1] zei tegen [medeverdachte 2] dat hij er zestien moest plaatsen. Om 20:53 uur hadden [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] opnieuw contact. [medeverdachte 2] meldde dat er iets mis was. [medeverdachte 2] vertelde dat [verdachte] er niet was en dat hij het stuk had vervangen. [medeverdachte 1] antwoordde hierop “ik heb het je echt uitgelegd en ik zei tegen je dat je geen dingen zomaar uit jezelf moet doen/geen dingen doen waar je geen verstand van hebt”. [medeverdachte 1] zei “ik moet dit morgen zelf komen bekijken”. [medeverdachte 2] antwoordde “kom morgenochtend naar mij toe en [verdachte] zou er ook zijn vanaf de ochtend”. Op 24 april 2019 om 14:35 uur spraken [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] elkaar opnieuw. [medeverdachte 2] vroeg aan [medeverdachte 1] “wanneer komt het bord?”. [medeverdachte 1] antwoordde hierop dat het bord er al was. Die avond, om 20:36 uur, vroeg [medeverdachte 2] aan [medeverdachte 1] “wanneer kom je om water te geven”. [medeverdachte 1] antwoordde dat hij morgen zou komen. Op 25 april 2019 belde [medeverdachte 1] naar [medeverdachte 2] met de boodschap dat hij beneden stond en dat [medeverdachte 2] de deur open moest doen. Op 27 april 2019 belde [medeverdachte 1] met [verdachte] . Er werd besproken dat er problemen waren met het bord bij [medeverdachte 2] . [verdachte] vertelde “Het bord zag er mooi uit en het deed het prima bij [naam 17] maar bij [naam 17] was het niet belast met zo’n aantal”. [medeverdachte 1] vroeg of [verdachte] drie schakeldraden/plusdraden had doorgetrokken. [verdachte] bevestigde dit. [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] hadden op 28 april 2019 telefonisch contact met elkaar. [medeverdachte 1] vroeg hoe de situatie bij [medeverdachte 2] was. [medeverdachte 2] vertelde dat hij net een lamp had vervangen samen met [medeverdachte 4] (de rechtbank begrijpt: [medeverdachte 4] ). [medeverdachte 1] vertelde dat hij een nieuw bord had besteld en “laten we het werk maar tot morgen uitstellen en om geen koppijn te krijgen wil ik sowieso het bord vervangen en ik heb een nieuw/ander bord bij hem besteld”. Op 29 april 2019 belde [medeverdachte 2] met [medeverdachte 1] en vertelde hij dat dezelfde plek opnieuw was doorgebrand. [medeverdachte 1] meldde “[verdachte] en ik zijn twee uur lang bezig geweest met je transformatoren.(…) Alle aansluitingen zijn verkeerd gedaan. Alles is verkeerd aangesloten.(…) [verdachte] gaat opnieuw checken bij je en er zijn er transformatoren ehh op de plek waar het doorgebrand is ehhh of door de aansluiting of dat de transformator zelf kapot is. We zijn twee uur lang bezig geweest. [medeverdachte 2] , je laat [verdachte] alles doen, dit gaat echt niet zo.(…) Zodra ik klaar ben laat ik [verdachte] bij je langskomen om een check te doen en de kapotte transformatoren te vervangen”. Op 2 mei 2019 belde [medeverdachte 2] met [medeverdachte 1] . [medeverdachte 1] vertelde dat hij onderweg was naar [medeverdachte 2] . [medeverdachte 2] meldde dat hij het licht had aangedaan en het vat had gevuld. [medeverdachte 1] antwoordde daarop “ik wou ze eerst zien dan zeg ik je of je moet vullen of niet”. [medeverdachte 1] gaf vervolgens de volgende instructies aan [medeverdachte 2] “als je wat grond pakt en knijpt, komt er dan water uit? (…) ze moeten dorst hebben, deze keer moeten ze dorst hebben om langer te worden. (…) laat me zelf maar komen kijken”. Op 25 mei 2019 belde [medeverdachte 3] met [medeverdachte 1] om hem te vertellen dat hij net bij [medeverdachte 2] langs was geweest en dat de slang van de airco uit het raam stak. [medeverdachte 1] instrueerde [medeverdachte 3] om [medeverdachte 2] op te bellen en dit meteen te zeggen. De slang moest volgens [medeverdachte 1] niet zichtbaar zijn. [medeverdachte 2] nam op 24 juni 2019 telefonisch contact op met [medeverdachte 1] . [medeverdachte 2] vertelde “Ik laat [naam 5] en [naam 6] morgenochtend bij me komen en [verdachte] natuurlijk. [medeverdachte 4] en [naam 7] zijn dan ook bij me. (…) Je hoeft alleen maar die enen en de weegschaal naar me te brengen.(…) En scharen. We hebben ook geen scharen”. [medeverdachte 1] antwoordde “Die heb ik bij me. Zodra [verdachte] is gekomen laat ik hem ze naar je brengen”. Tussenconclusie Uit het voorgaande volgt naar het oordeel van de rechtbank dat [verdachte] bij de exploitatie van de hennepkwekerij in de woning gelegen aan de [adres 6] te [plaats 1] betrokken is geweest. [verdachte] had meermalen telefonisch contact met [medeverdachte 1] over de elektriciteitsvoorziening in de voornoemde woning. Op 29 april 2019 was [verdachte] samen met [medeverdachte 1] in de woning gelegen aan de [adres 6] in [plaats 1] waar hij bezig was met de transformatoren. De transformatoren waren door [medeverdachte 2] verkeerd aangesloten. [medeverdachte 1] instrueerde [medeverdachte 2] dat hij [verdachte] voortaan alles moest laten doen. Op 24 juni 2019 ging [verdachte] , samen met [medeverdachte 3] en [medeverdachte 4] , naar voornoemde woning om te werken. [verdachte] moest van [medeverdachte 1] de weegschalen en scharen meenemen naar de woning. 6.3.2.7 [adres 7] te [plaats 12] De redengevende feiten en omstandigheden De rechtbank stelt op grond van de behandeling ter terechtzitting en de bewijsmiddelen, die als bijlage aan dit vonnis zijn gehecht, het navolgende vast. Aantreffen hennepkwekerij Op 25 juni 2019 werd ook in de woning gelegen aan de [adres 7] te [plaats 12] een professioneel ingerichte hennepkwekerij met 158 hennepplanten aangetroffen. Er was een illegale elektriciteitskabel aangelegd die buiten de elektriciteitsmeter om liep. De door Enexis Netbeheer aangebrachte zegels waren verwijderd, vervangen of gemanipuleerd. [betrokkene 6] (hierna: [betrokkene 6] ) stond in de GBA ingeschreven op voornoemd adres. Verklaringen [betrokkene 6] Bij de politie verklaarde [betrokkene 6] dat de aangetroffen hennepkwekerij van [medeverdachte 1] was. [medeverdachte 1] had een sleutel van de woning en verzorgde de kwekerij. De toegangsdeur tot de kamer waarin de kweekruimte zich bevond, was slotvast afgesloten. [betrokkene 6] kon alleen de kamer binnen als [medeverdachte 1] er was. Tijdens het verhoor door de sociale recherche verklaarde [betrokkene 6] dat het telefoonnummer van [medeverdachte 1] [telefoonnummer 1] was. Zoals de rechtbank hiervoor reeds heeft vastgesteld, was dit telefoonnummer in gebruik bij [medeverdachte 1] . De rechtbank concludeert derhalve dat waar [betrokkene 6] verklaarde over [medeverdachte 1] , hij daarmee [medeverdachte 1] bedoelde. De rechtbank zal deze persoon hierna als [medeverdachte 1] aanduiden. Nadat aan [betrokkene 6] tijdens het politieverhoor een telefoongesprek tussen hemzelf en het telefoonnummer [telefoonnummer 2] was voorgehouden, verklaarde hij dat hij [verdachte] wel eens in de woning had gezien. De rechtbank heeft hiervoor reeds vastgesteld dat [verdachte] de gebruiker van voornoemd telefoonnummer was. De rechtbank stelt derhalve vast dat waar [betrokkene 6] in zijn verklaring sprak over [verdachte] , hij daarmee [verdachte] bedoelde en zal hem hierna ook als zodanig aanduiden. [betrokkene 6] verklaarde verder dat [medeverdachte 1] , [verdachte] , [medeverdachte 3] en [medeverdachte 2] bij hem langskwamen voor de hennepkwekerij. [medeverdachte 4] was één of twee keer in de woning. [medeverdachte 4] werkte ook met hen. In samenhang bezien met de feiten en omstandigheden zoals hiervoor onder de andere kwekerijen reeds is uiteengezet, komt de rechtbank tot de conclusie dat waar [betrokkene 6] in zijn verklaring sprak over [medeverdachte 4] , hij daarmee [medeverdachte 4] bedoelde. [betrokkene 6] verklaarde ook dat er een keer eerder was geoogst in de hennepkwekerij. Bij het knippen van die eerste oogst waren [medeverdachte 3] , [medeverdachte 2] en [verdachte] aanwezig. Aangetroffen sleutel [medeverdachte 1] werd op de actiedag op 25 juni 2019 aangehouden in een woning aan de [adres 16] te [plaats 1] . Tijdens de doorzoeking van deze woning werd een sleutelbos aangetroffen met daaraan een sleutel waarmee de voordeur van de woning gelegen aan de [adres 7] te [plaats 12] kon worden geopend. Tapgesprekken, observatie en peilbakengegevens Op 21 januari 2019 om 19:34 uur nam het observatieteam waar dat [medeverdachte 1] met een grijze tas de woning gelegen aan de [adres 7] in [plaats 12] binnenliep. Op 12 maart 2019 om 13:51 uur hadden [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] telefonisch contact. [medeverdachte 1] vertelde dat hij wilde dat iemand ‘de vogels’ in Arnhem ging ophalen, waarop [medeverdachte 2] antwoordde “Ik ga ze voor je halen”. Die dag vinden er meerdere telefoongesprekken plaats tussen [medeverdachte 1] en [medeverdachte 5] en tussen [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] die gaan over het ophalen van 150 ‘vogels’ door [medeverdachte 2] . Om 20:17 uur belde [medeverdachte 2] naar [medeverdachte 1] en zei hij dat hij was aangekomen bij het adres. Om 21:10 uur belde [medeverdachte 1] naar [betrokkene 6] met de mededeling dat iemand iets zou komen afgeven. [betrokkene 6] moest de deur voor deze persoon open doen en iets van hem overnemen. Tien minuten later belde [betrokkene 6] met [medeverdachte 1] . [betrokkene 6] vertelde dat [medeverdachte 2] “ze” had gebracht. [medeverdachte 1] vertelde [betrokkene 6] dat hij de dozen open moest laten en ze op een warme plek moest neerzetten. Op 16 maart 2019 om 18:02 uur vroeg [medeverdachte 1] aan [betrokkene 6] of hij thuis was. [betrokkene 6] antwoordde bevestigend. [medeverdachte 1] vertelde dat de jongens naar [betrokkene 6] kwamen om te werken. Om 18:05 uur hadden [medeverdachte 1] en [medeverdachte 4] telefonisch contact. [medeverdachte 4] vertelde dat hij over twee minuten bij het theehuis/cafetaria was. [medeverdachte 1] reageerde “Is goed, zodat jij en [naam 5] kunnen gaan”. Even later, om 18:16 uur, belde [medeverdachte 1] naar [verdachte] . Hij vertelde [verdachte] dat hij vuilniszakken moest meenemen en dat de jongens waren vertrokken naar [naam 8] . De Volkswagen Transporter kwam omstreeks 19:00 uur aan op de [adres 7] in [plaats 12] . Om 22:09 uur vroeg [medeverdachte 3] aan [medeverdachte 1] “[naam 8] wil 50 euro hebben, zal ik het aan hem geven?”. [medeverdachte 1] antwoordde dat hij het zelf later aan hem ging geven. Om 22:19 uur komt de Volkswagen Passat aan op de [adres 7] in [plaats 12] . Op 17 maart 2019 belde [medeverdachte 1] met [betrokkene 6] . [medeverdachte 1] vertelde “Luister, er is en zak, [verdachte] zegt dat hij deze onder de trap bij [naam 8] achtergelaten heeft. Een zak met Rara, weetje wat rara is, deze is van onze werk? (…) [medeverdachte 2] zal langs komen om deze bij jou op te halen”. Op 26 maart 2019 meldde [betrokkene 6] een probleem bij [medeverdachte 1] . Het was hetzelfde probleem als de vorige keer. [medeverdachte 1] zei tegen [betrokkene 6] “je moet niet aan ons werk komen, haal je stekker eruit”. [medeverdachte 1] vertelde [betrokkene 6] dat hij nu naar hem toe kwam. Op 26 april 2019 wilde [medeverdachte 1] van [betrokkene 6] weten “Vertel mij, hoe oud zijn die enen die nu bij je zijn?” waarop [betrokkene 6] reageerde “de datum 18/3 is de eerste dag”. Op 27 mei 2019 om 16:47 uur belde [medeverdachte 1] met [betrokkene 6] . [medeverdachte 1] vertelde “[medeverdachte 2] zal bij jou komen en de sleutel van de kamer aan jou geven. Je doet de kamer open. Daar is een tas met Harara geef hem alleen de tas met Harara (…) Vervolgens doe je de kamer deur op slot en laat de sleutel bij jou”. Om 17:06 uur belde [medeverdachte 1] opnieuw met [betrokkene 6] . Hij meldde “Doe open, onze vriend is beneden.(…) Je laat hem binnen, neem de sleutel van de kamer van hem. Je doet de kamer open, je pakt de tas met Harara en je geeft het aan hem en je doet de kamer op slot”. [betrokkene 6] lichtte tijdens het politieverhoor desgevraagd toe dat in voornoemd telefoongesprek met de zak “harara” een zak hennep werd bedoeld. Om 17:42 uur zei [medeverdachte 1] tegen [betrokkene 6] dat hij de deur voor [verdachte] open moest doen. [verdachte] stond boven bij [betrokkene 6] . Diezelfde dag om 21:10 uur belde [medeverdachte 1] naar [betrokkene 6] en meldde hij “[medeverdachte 2] komt nog een keer bij je langs, doe de kamer voor hem open en laat hem maar één pakken, alleen maar één (…) één kilo”. Op vragen van de politie over de inhoud van dit telefoongesprek, bevestigde [betrokkene 6] dat dit gesprek over een kilo hennep ging. Op 29 mei 2019 hadden [medeverdachte 1] en [medeverdachte 4] contact. [medeverdachte 1] zei “Baas, ik wil datje in de komende twee dagen alles in het huis van [naam 2] en [naam 8] afronden. Tot de goederen verkocht worden, begrijp jij mij?” en “Ik wil deze twee zaken van jou en [medeverdachte 3] , het is heel belangrijk. Omdat de Nederlander is akkoord gegaan, hij zal mij vogels geven en de betaling zal later plaats vinden”. [medeverdachte 4] antwoordde hierop “Belangrijk is dat jij geld voor mij regelt, ik heb het ook erg moeilijk”, waarop [medeverdachte 1] reageerde “Zodra iets verkocht wordt zal ik met jullie als eerst afrekenen". Op 31 mei 2019 belde [medeverdachte 1] met [betrokkene 6] en vertelde hij “[medeverdachte 4] , die samen met de jongens heeft gewerkt, is nu bij me. Hij komt zo naar je toe om te werken, goed?”. Dactyloscopische sporen In de hennepkwekerij is een aantal sporendragers aangetroffen en veiliggesteld voor nader onderzoek, waaronder twee stukken hittewerende isolatiefolie die uit de zijwand van de kwekerij zijn gesneden. Door de forensische opsporing zijn op deze sporendragers dactyloscopische sporen aangetroffen, die aan een vergelijkend dactyloscopisch onderzoek zijn onderworpen. Dat onderzoek heeft geleid tot individualisatie van het spoor op een persoon, te weten [verdachte] . De rechtbank concludeert, met inachtneming van de rest van het dossier, dat [verdachte] de donor is van deze vingersporen. Tussenconclusie Uit het voorgaande volgt naar het oordeel van de rechtbank dat [verdachte] bij de exploitatie van de hennepkwekerij in de woning gelegen aan de [adres 7] te [plaats 12] betrokken is geweest. [verdachte] kwam in voornoemde woning langs voor de hennepkwekerij. Hij was samen met [medeverdachte 3] en [medeverdachte 2] in voornoemde woning om de hennepplanten te knippen. Er werden vingersporen van [verdachte] op twee stukken hittewerende isolatiefolie aangetroffen. [verdachte] heeft ter terechtzitting verklaard dat de vingersporen mogelijk op het isolatiefolie terecht waren gekomen, omdat hij spullen van het ene magazijn naar een ander magazijn had verplaatst voor iemand die hij niet persoonlijk kende. Indien en voor zover [verdachte] hiermee een alternatief scenario heeft willen aandragen, acht de rechtbank dit alternatieve scenario niet aannemelijk geworden. [verdachte] heeft zijn verklaring op geen enkele wijze overtuigend of objectief onderbouwd. 6.3.2.8 [adres 8] te [plaats 5] De redengevende feiten en omstandigheden De rechtbank stelt op grond van de behandeling ter terechtzitting en de bewijsmiddelen, die als bijlage aan dit vonnis zijn gehecht, het navolgende vast. Aantreffen hennepkwekerij Op 27 juni 2019 werd in de woning gelegen aan de [adres 8] te [plaats 5] op de zolderetage een in werking zijnde hennepkwekerij aangetroffen. Er stonden in totaal 185 hennepplanten van ongeveer zes weken oud. [betrokkene 7] (hierna: [betrokkene 7] ) was de bewoner van deze woning. Verklaring [betrokkene 7] verklaarde bij de politie dat hij door [medeverdachte 1] was benaderd in een café. [medeverdachte 1] beloofde een woning voor [betrokkene 7] te regelen, op voorwaarde dat hij ( [medeverdachte 1] ) een hennepplantage in de woning mocht exploiteren. [betrokkene 7] zou hier een bedrag van € 1.500,-- voor ontvangen. Tijdens het politieverhoor werd aan [betrokkene 7] een telefoongesprek tussen hemzelf en de gebruiker van het telefoonnummer [telefoonnummer 1] voorgehouden. [betrokkene 7] bevestigde dat dit een gesprek was met de persoon die hij kende als [medeverdachte 1] . Zoals de rechtbank hiervoor reeds heeft vastgesteld, was dit telefoonnummer in gebruik bij [medeverdachte 1] . Gelet hierop concludeert de rechtbank dat waar [betrokkene 7] in zijn verklaring sprak over [medeverdachte 1] , hij hiermee [medeverdachte 1] bedoelde. De rechtbank zal deze persoon hierna telkens aanduiden als [medeverdachte 1] . [betrokkene 7] verklaarde dat [medeverdachte 1] spullen voor de hennepkwekerij naar de woning bracht. Ook [medeverdachte 3] en [medeverdachte 2] , de tweelingbroers uit Irak, brachten spullen naar de woning. Gelet op de voornoemde door [betrokkene 7] gegeven beschrijving van [medeverdachte 3] en [medeverdachte 2] stelt de rechtbank vast dat zijn verklaring betrekking heeft op [medeverdachte 3] en [medeverdachte 2] . [betrokkene 7] verklaarde dat [verdachte] ook bij de hennepkwekerij kwam. In samenhang bezien met de feiten en omstandigheden zoals hiervoor onder de andere kwekerijen reeds is uiteengezet, komt de rechtbank tot de conclusie dat waar [betrokkene 7] in zijn verklaring sprak over [verdachte] , hij daarmee [verdachte] bedoelde. Voornoemde personen hadden allen een eigen aandeel in de plantage. [medeverdachte 1] verzorgde de plantage en controleerde alles. [betrokkene 7] moest het [medeverdachte 1] melden als er iets niet werkte. Vervolgens belde [medeverdachte 1] één van de jongens om het op te lossen. Aangetroffen sleutel In de Volkswagen Passat werd een sleutel met daaraan een sleutelhanger met de tekst “ [adres 8] ” aangetroffen. Tapgesprekken, historische verkeersgegevens en peilbakengegevens Op 8 mei 2019 sprak [medeverdachte 1] met [verdachte] . [verdachte] zei tegen [medeverdachte 1] dat hij [medeverdachte 3] en [medeverdachte 2] op moest bellen om te vragen waar zij bleven. [verdachte] vertelde “We moeten nog naar [plaats 5] gaan om het gereedschap te halen”. [medeverdachte 1] reageerde hierop “Het is nu 10 uur. Ik heb tegen je gezegd ehhhh, de geur bij de man zal naar buiten komen”. Op 13 mei 2019 om 10:34 uur belde [medeverdachte 1] met [medeverdachte 4] . [medeverdachte 1] vertelde [medeverdachte 4] “het werk is in [plaats 5] . Het duurt maar iets van twee uur, jij en [medeverdachte 3] , nieuwe aarde, jullie gaan vullen”. Om 11:26 uur belde [medeverdachte 1] met [medeverdachte 3] . [medeverdachte 1] gaf [medeverdachte 3] de opdracht om te komen. [medeverdachte 1] vertelde “Jullie moeten gaan werken in [plaats 5] , jullie moeten datgene vullen want de jongens zijn klaar en ik heb de mussen daarvoor van gehaald”. Om 16:07 uur belde [medeverdachte 1] nogmaals met [medeverdachte 3] en vroeg hij hoeveel stuks het op de grond waren geworden. [medeverdachte 3] antwoordde dat het er 169 waren geworden. [medeverdachte 1] vertelde dat ze de dozen moeten openen en op een warme plek moeten zetten zonder iets aan te zetten. De telefoon van [medeverdachte 3] straalde op 13 mei 2019 omstreeks 16:05 uur en omstreeks 17:07 uur aan op een telefoonmast in [plaats 5] . Om 19:41 uur meldde [verdachte] aan [medeverdachte 1] dat hij bij [betrokkene 7] ging vertrekken. [verdachte] had alles aangezet en in werking gesteld. [medeverdachte 1] wees [verdachte] erop dat hij niets boven de mussen moest aanzetten. Op 14 mei 2019 hadden [medeverdachte 1] en [medeverdachte 4] contact. [medeverdachte 1] vroeg “Ik wou je vragen [medeverdachte 4] . Hebben jullie een vat meegenomen naar [betrokkene 7] in [plaats 5] ?”, waarop [medeverdachte 4] reageerde dat hij dat niet had gedaan. Op 15 mei 2019 belde [medeverdachte 1] met [medeverdachte 3] . [medeverdachte 3] vertelde in dit gesprek dat [medeverdachte 4] en hij de kommen bij [betrokkene 7] hadden gevuld. [medeverdachte 1] reageerde dat hij de kommen opnieuw had gevuld, omdat deze slechts voor de helft gevuld waren. Hierop antwoordde [medeverdachte 3] dat [medeverdachte 4] de persoon was die de kommen had gevuld. [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] spraken elkaar op 15 mei 2019. [medeverdachte 2] vertelde dat [verdachte] naar [plaats 5] was gekomen en dat [verdachte] had gesnoeid en geprikt. [medeverdachte 1] vroeg of zij het in [plaats 5] hadden afgerond, waarop [medeverdachte 2] zei dat het niet was gelukt om de filter te verplaatsen. [medeverdachte 2] vertelde dat zij morgen verder gingen en dat de elektriciteit en het zeil bij de deur was geregeld. Op 18 mei 2019 om 14:39 uur belde [medeverdachte 1] met [betrokkene 7] . [medeverdachte 1] vertelde dat hij over tien minuten bij [betrokkene 7] zou zijn. Omstreeks 14:57 uur op voornoemde dag stond de Volkswagen Passat op circa 260 meter van de [adres 8] stil in [plaats 5] en omstreeks 15:19 uur reed de Volkswagen Passat weer. [betrokkene 7] en [medeverdachte 1] hadden op 22 mei 2019 opnieuw telefonisch contact. [betrokkene 7] vroeg of hij die dag iets moest doen. [medeverdachte 1] antwoordde “Vul er maar één vandaag, lauw water, zoals gebruikelijk en ik heb het medicijn naar je al gebracht (…) Van nummer 2 neem je 450 gram nadat je de weegschaal hebt aangezet en de kom erop hebt gedaan.(…) Je reset het en dan doe je er 450 en (…) daarna gooi je het in de vat en dan ga je in de bodem sproeien (…)”. Ook op 24 mei 2019 vanaf circa 10:07 uur tot omstreeks 10:39 uur stond de Volkswagen Passat in [plaats 5] . Kort daarvoor, om 9:48 uur, hadden [betrokkene 7] en [medeverdachte 1] telefonisch contact. [medeverdachte 1] vertelde dat hij iets moest doen en dat hij over ongeveer tien minuten bij [betrokkene 7] zou zijn. Op 29 mei 2019 belde [medeverdachte 1] met [medeverdachte 2] . [medeverdachte 1] zei tegen [medeverdachte 2] “je moet ook [verdachte] naar [betrokkene 7] brengen en laat hem twee transformatoren en twee lampen meenemen. Hij moet wat gaan repareren, hij heeft een mankement daar”. Op 18 juni 2019 spraken [betrokkene 7] en [medeverdachte 1] elkaar opnieuw telefonisch. [betrokkene 7] zei “Ik denk dat ze vandaag water moeten hebben” en [medeverdachte 1] reageerde “Ja, daarom wil ik een kijkje gaan nemen”. [betrokkene 7] vertelde dat hij gisteren de lampen had verminderd. Er waren er nu negen aangesloten. [medeverdachte 1] zei “Goed, als je ziet dat het buiten warm wordt moet je zelf gaan minderen. Als ik het vergeet te zeggen doe dit maar gewoon uit jezelf”. Tussenconclusie De rechtbank concludeert uit het voorgaande dat [verdachte] betrokken is geweest bij de hennepkwekerij in de woning gelegen aan de [adres 8] te [plaats 5] . Gelet op de inhoud van vorenstaande telefoongesprekken en de peilbakengegevens, in onderling verband en samenhang bezien, concludeert de rechtbank dat [verdachte] meermalen in voornoemde woning aan het werk is geweest. Op 13 mei 2019 heeft [verdachte] alles in werking gesteld en op 15 mei 2019 heeft [verdachte] “gesnoeid en geprikt” in de woning. Op 29 mei 2019 gaf [medeverdachte 1] [medeverdachte 2] de opdracht om [verdachte] naar de woning te brengen. [verdachte] moest twee transformatoren en twee lampen meenemen en iets repareren. Gelet op de leeftijd van de aangetroffen hennepplanten was de hennepkwekerij toen reeds in werking. 6.3.2.9 Overwegingen en conclusie van de rechtbank ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde feit De rechtbank acht op grond van de hiervoor uiteengezette feiten en omstandigheden, in onderling verband en samenhang bezien, wettig en overtuigend bewezen dat [verdachte] zich schuldig heeft gemaakt aan het telen van hennepplanten in acht hennepkwekerijen. Medeplegen Op grond van het voorgaande, in onderling verband en samenhang bezien, is de rechtbank van oordeel dat tussen [verdachte] , [medeverdachte 1] , [medeverdachte 3] , [medeverdachte 2] en [medeverdachte 4] –deels in wisselende samenstellingen – sprake was van een nauwe en bewuste samenwerking, gericht op de exploitatie van de hierboven besproken hennepkwekerijen. [verdachte] voerde op instructie van [medeverdachte 1] diverse werkzaamheden uit. Hij was betrokken bij de opbouw, de inrichting en het onderhoud van de hennepkwekerijen. [verdachte] heeft hiermee naar het oordeel van de rechtbank een wezenlijke bijdrage geleverd aan de teelt van hennep in deze hennepkwekerijen, zodat de rechtbank hem als medepleger van het telen van hennep aanmerkt. Uitoefening van een beroep of bedrijf Zoals de rechtbank hiervoor uiteen heeft gezet, was sprake van acht verschillende hennepkwekerijen waarin verschillende mensen werkzaam waren. De capaciteit van de hennepkwekerijen tezamen was aanzienlijk (in totaal werden er 2.184 hennepplanten aangetroffen en ook werden er kweekruimten aangetroffen waar al was geoogst). De teeltprocessen geschiedden in afzonderlijke, daarvoor ingerichte ruimtes onder gecontroleerde condities en deels geautomatiseerd met behulp van technische middelen, kennelijk ter optimalisering van het teeltproces en minimalisering van de daarvoor van de telers vereiste inspanningen. De kweekruimtes zijn ook op professionele wijze aangelegd, waaruit kan worden afgeleid dat de hennepkwekerijen waren opgezet met de bedoeling dat daarmee verschillende keren kon worden geoogst ten behoeve van de verkoop. Gelet op het voorgaande komt de rechtbank tot het oordeel dat sprake is van hennepteelt in de uitoefening van een beroep of bedrijf. Conclusie De rechtbank acht het onder feit 1 ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen. 6.3.2.10 Overwegingen en conclusie van de rechtbank ten aanzien van het onder feit 2 ten laste gelegde feit De rechtbank acht op grond van de hiervoor uiteengezette feiten en omstandigheden, in onderling verband en samenhang bezien, wettig en overtuigend bewezen dat [verdachte] zich schuldig heeft gemaakt aan de diefstal van elektriciteit in zeven panden. Door de fraude-inspecteurs is telkens vastgesteld dat de stroom in deze panden illegaal werd afgenomen ten behoeve van de zich daarin bevindende hennepkwekerijen. Voor het illegale verkrijgen van deze stroom waren elektrische aansluitingen aangelegd buiten de elektriciteitsmeter om. Ten aanzien van alle panden, met uitzondering van het pand aan de [adres 6] , blijkt uit het dossier verder dat de verzegeling van de aansluitkast was verbroken en/of het deksel hiervan was verwijderd. Blijkens de hiervoor uiteengezette feiten en omstandigheden was [verdachte] als medepleger betrokken bij zowel de inrichting van de kwekerijen als vervolgens de exploitatie daarvan. Uit de hiervoor aangehaalde tapgesprekken blijkt naar het oordeel van de rechtbank dat [verdachte] zich in de rol van ‘elektricien’ ook bezighield met het illegaal aansluiten en afnemen van de elektriciteit in de woningen. Gelet op het voorgaande kan het naar het oordeel van de rechtbank niet anders zijn dan dat [verdachte] wetenschap had van de diefstal van elektriciteit en dat zijn opzet mede daarop was gericht. Medeplegen Op grond van het voorgaande, in onderling verband en samenhang bezien, is de rechtbank van oordeel dat tussen [verdachte] , [medeverdachte 1] en [medeverdachte 4] , deels in wisselende samenstellingen, sprake was van een nauwe en bewuste samenwerking ten behoeve van de diefstal van elektriciteit in zeven panden. [verdachte] heeft een wezenlijke bijdrage geleverd aan de diefstal van de elektriciteit in deze panden, zodat de rechtbank hem als medepleger van de diefstal van de elektriciteit aanmerkt. Conclusie De rechtbank acht het onder feit 2 ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat zij verdachte ten aanzien van de [adres 6] in [plaats 1] vrijspreekt van de strafverzwarende omstandigheid dat de weg te nemen elektriciteit onder zijn/hun bereik is gebracht door middel van braak en/of verbreking. 6.3.3 Feit 3 De rechtbank stelt hierna de relevante feiten en omstandigheden vast. De rechtbank overweegt vervolgens waarom zij op basis van de vastgestelde feiten en omstandigheden tot conclusies komt en gaat ten slotte over tot de beantwoording van de bewijsvraag. 6.3.3.1 Redengevende feiten en omstandigheden De rechtbank stelt op grond van de behandeling ter terechtzitting en de bewijsmiddelen, die als bijlage aan dit vonnis zijn gehecht, het navolgende vast. Aantreffen goederen in garagebox Op 25 juni 2019 werd de garagebox gelegen aan [adres 9] te [plaats 1] (hierna: de garagebox) doorzocht. In de garagebox werden onder meer de volgende goederen aangetroffen en in beslag genomen: - een doorzichtige plastic zak met hennep (vermoedelijk ongeveer 1000 gram); - 45 armaturen; - 240 assimilatielampen van 600 watt; - drie schakelborden; - 79 transformatoren-koper van 600 watt; - twaalf koolstoffilters; - drie slakkenhuizen (436 watt, 523 watt en 1200 watt); - twee temperatuurventilatieregelaars; - twee dompelpompen (550 watt en 900 watt); - drie cans groeimiddelen. De garagebox was eigendom van [betrokkene 8] . Hij verhuurde de garagebox sinds 1 januari 2018 aan [medeverdachte 1] . Zowel bij [medeverdachte 1] als bij [verdachte] werd een sleutel van deze garagebox aangetroffen bij hun aanhouding. De tapgesprekken Op 5 februari 2019 om 15:35 uur belde [medeverdachte 1] met een persoon die zichzelf [naam 9] noemde. Deze persoon vroeg aan [medeverdachte 1] of hij een witte bus geparkeerd had staan aan [adres 9] . [medeverdachte 1] bevestigde dit. [naam 9] vroeg of [medeverdachte 1] de bus wilde verplaatsen, waarop [medeverdachte 1] antwoordde dat hij “de jongens” ging bellen. Een minuut later op diezelfde dag belde [medeverdachte 1] met [verdachte] . [medeverdachte 1] vroeg aan [verdachte] waar de bus stond, waarop [verdachte] reageerde dat de bus op zijn plaats, bij de loods, stond. [medeverdachte 1] vertelde dat er mensen hadden gebeld met de mededeling dat de bus verkeerd stond. [medeverdachte 1] gaf [verdachte] de opdracht om de bus naar hem te brengen. Op 23 februari 2019 hadden [medeverdachte 1] en [verdachte] telefonisch contact. [medeverdachte 1] vroeg “Hebben jullie nou de schuur/berging al opgeruimd/geordend, jij en [medeverdachte 2] ?”, waarop [verdachte] antwoordde dat dat nog niet was gebeurd. [medeverdachte 1] zei “laat [medeverdachte 2] komen en laat hem iemand meenemen. De schuur/berging moet opgeruimd/geordend worden net zoals [medeverdachte 2] dit de vorige keer heeft gedaan. Dit zodat ik het gereedschap goed weet te verdelen.(…) Ik wil dat je met mij meedraait/mij een handje helpt. Ik ben geestelijk moe en ik heb het zwaar. Je moet in beweging komen zodat ik het gereedschap over de huizen kan verdelen want we hebben geen huizen meer.(…) ik ga op reis (…) zodra ik vandaag door de man betaald krijg, ga ik maandag op reis. Ik zal je dan de sleutels van de huizen geven (…) en terwijl ik daar ben zul jij te maken krijgen met twee huizen die geknipt zullen moeten worden. Je zult de kwestie knippen ook voor je rekening moeten nemen, alles, goed?”. [verdachte] reageerde hierop “Is goed, klaar, ga jij maar en ik zal alles regelen”. [medeverdachte 1] benadrukte nogmaals “Regel de zaken van de schuur/berging zodat ik kan verdelen en zodat ik weet voor mezelf, terwijl ik daar ben, dat jullie aan het werk zijn”. De observaties Op 21 maart 2019 nam het observatieteam waar dat de Volkswagen Transporter geparkeerd stond aan [adres 9] te [plaats 1] . Twee personen waren kartonnen dozen uit de Volkswagen Transporter aan het laden. Deze dozen werden op de grond geplaatst bij garagebox 281. Vervolgens kwam [medeverdachte 1] met de Volkswagen Passat het terrein van [adres 9] oprijden. Hij parkeerde zijn auto bij de Volkswagen Transporter. [medeverdachte 1] maakte contact met de twee personen die de dozen uit de Volkswagen Transporter hadden geladen. Tien minuten later vertrokken beide voertuigen gezamenlijk. Op 16 april 2019 werd er door het observatieteam waargenomen dat [medeverdachte 1] als bestuurder en [verdachte] als bijrijder in de Volkswagen Passat zaten. De Volkswagen Passat stond om 16:09 uur stil bij de garagebox gelegen aan [adres 9] te [plaats 1] . Enkele momenten later stond [verdachte] in de garagebox met een doos. De Volkswagen Passat vertrok om 16:19 uur. 6.3.3.2. Overwegingen en conclusie van de rechtbank Juridisch kader Artikel 11a van de Opiumwet (Ow) beoogt de voorbereiding, ondersteuning en bevordering van de bedrijfs- en beroepsmatige teelt (artikel 11 lid 3 Ow) en grootschalige hennepteelt (artikel 11 lid 5 Ow) te bestrijden en stelt voorbereidingshandelingen daartoe strafbaar. Voor wat betreft voorbereidingshandelingen gaat het om het bereiden, bewerken, verwerken, te koop aanbieden, verkopen, afleveren, verstrekken, vervoeren, vervaardigen en voorhanden hebben van stoffen en voorwerpen waarvan de verdachte wist of ernstige reden had te vermoeden dat die bestemd waren voor de illegale hennepteelt. Het gaat dus enerzijds om de bestemming van die stoffen en voorwerpen voor de illegale hennepteelt en anderzijds om de vraag of de verdachte dit weet of ernstige reden heeft dit te vermoeden. Blijkens de wetsgeschiedenis van dit artikel is voor een bewezenverklaring vereist dat de gedragingen strekken tot voorbereiding of vergemakkelijking van hennepteelt, waarbij het uiteindelijke doel ten behoeve waarvan de handeling wordt verricht van belang is. Voorhanden hebben De rechtbank stelt voorop dat van [medeverdachte 1] , als huurder van de garagebox, mag worden verwacht dat hij op de hoogte was van hetgeen zich in de garagebox bevond. [medeverdachte 1] is door het observatieteam meerdere malen bij deze garagebox gezien, ook in contact met andere personen die goederen bij de garagebox kwamen afleveren. Ook werd hij daar samen met [verdachte] gezien, die met een doos in zijn handen in de garagebox stond. [verdachte] en [medeverdachte 1] beschikten bovendien beiden over een sleutel van de garagebox. Gelet op het vorenstaande acht de rechtbank bewezen dat [verdachte] en [medeverdachte 1] over bovengenoemde stoffen en voorwerpen in de garagebox konden beschikken, dat zij zich bewust waren van hun aanwezigheid in de garagebox, en dat zij deze stoffen en voorwerpen aldus voorhanden hebben gehad. Bestemming stoffen en voorwerpen De rechtbank is ten aanzien van de aangetroffen stoffen en voorwerpen in de garagebox van oordeel dat, gelet op de hoeveelheid en de professionele aard van de aangetroffen goederen, het niet anders kan dan dat deze goederen, in onderling verband en samenhang bezien, bestemd waren voor de grootschalige en/of bedrijfsmatige teelt van hennep. De rechtbank is van oordeel dat [verdachte] en [medeverdachte 1] ook wisten dat de aangetroffen stoffen en voorwerpen daarvoor bestemd waren, gelet op de aard en de hoeveelheid van de voorwerpen en stoffen, gelet op het tapgesprek van 23 februari 2019 en ook gelet op het feit dat de rechtbank hiervoor onder feit 1 heeft bewezenverklaard dat [verdachte] zich, samen met onder andere [medeverdachte 1] , schuldig heeft gemaakt aan het telen van hennep in verschillende hennepkwekerijen. Daar komt bij dat in de garagebox ook een zak met hennep is aangetroffen. Volkswagen Transporter De rechtbank acht ook wettig en overtuigend bewezen dat [verdachte] en [medeverdachte 1] de Volkswagen Transporter voorhanden hebben gehad en is van oordeel dat de Volkswagen Transporter bestemd was voor de beroeps- en/of bedrijfsmatige hennepteelt, van welke bestemming [verdachte] en [medeverdachte 1] ook op de hoogte waren. De rechtbank verwijst in dit kader naar hetgeen zij hiervoor, onder 6.2.1 en in het kader van de bespreking van de verschillende hennepkwekerijen, reeds heeft vastgesteld over (het gebruik van) de Volkswagen Transporter door onder meer [verdachte] en [medeverdachte 1] en naar het feit dat op 21 maart 2019 door het observatieteam de Volkswagen Transporter bij de garagebox is gezien, zoals hiervoor onder ‘De observaties’ reeds uiteen is gezet. Medeplegen Op grond van de hiervoor uiteengezette feiten en omstandigheden, in onderling verband en samenhang bezien, is de rechtbank van oordeel dat tussen [verdachte] en [medeverdachte 1] sprake was van een nauwe en bewuste samenwerking. Zij hebben allebei een wezenlijke bijdrage geleverd aan de ten laste gelegde voorbereidingshandelingen. Hun rollen waren inwisselbaar. Zij konden beiden gebruik maken van zowel de stoffen en voorwerpen in de garagebox als de Volkswagen Transporter en wat betreft de garagebox geldt dat uit het telefoongesprek van 23 februari 2019 volgt dat [medeverdachte 1] [verdachte] vraagt om “de zaken voor hem te regelen” oftewel voor hem waar te nemen tijdens zijn afwezigheid. De ten laste gelegde periode Zoals de rechtbank hiervoor reeds heeft vastgesteld, was [medeverdachte 1] sinds 1 januari 2018 de huurder van de garagebox. Dit is ruim voor de tenlastegelegde periode die start op 23 juli 2018. Op diverse momenten binnen de ten laste gelegde periode is er telefonisch contact geweest (tussen [medeverdachte 1] en [verdachte] dan wel tussen [medeverdachte 1] en [naam 9] ) met betrekking tot de garagebox. Daarnaast werd op twee verschillende momenten in de ten laste gelegde periode door het observatieteam waargenomen dat [medeverdachte 1] zich in of bij de garagebox bevond, waarvan eenmaal tezamen met [verdachte] . Op grond van die feiten en omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat [verdachte] en [medeverdachte 1] in ieder geval gedurende de ten laste gelegde periode voorbereidingshandelingen gericht op de teelt van hennep hebben verricht. De rechtbank verwerpt aldus het verweer van de verdediging met betrekking tot de ten laste gelegde periode. Conclusie De rechtbank acht het onder feit 3 ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen. 6.3.4 Feit 4 6.3.4.1 Het beoordelingskader De rechtbank stelt voorop dat voor een veroordeling voor deelneming aan een criminele organisatie moet worden vastgesteld dat: sprake is geweest van een organisatie; die organisatie tot oogmerk heeft gehad het plegen van misdrijven, in onderhavig geval het plegen van misdrijven zoals opgenomen in artikel 11 van de Opiumwet, en; verdachte opzettelijk aan die organisatie heeft deelgenomen. Een organisatie in de zin van artikel 140 van het Wetboek van Strafrecht (generalis) en artikel 11b van de Opiumwet (specialis) is een samenwerkingsverband tussen twee of meer personen met een zekere duurzaamheid en structuur. Niet is vereist dat daarbij komt vast te staan dat iemand, om als deelnemer aan die organisatie te kunnen worden aangemerkt, moet hebben samengewerkt met of bekend moet zijn geweest met alle anderen die deel hebben uitgemaakt van die organisatie of dat de samenstelling van dat samenwerkingsverband steeds dezelfde is geweest. Het oogmerk van de organisatie moet gericht zijn op het plegen van misdrijven. Voor de bewijsvoering van het bestanddeel ‘oogmerk’ kan onder meer betekenis toekomen aan misdrijven die in het kader van de organisatie zijn gepleegd, aan het meer duurzaam of gestructureerde karakter van de samenwerking, en aan de planmatigheid of stelselmatigheid van de met het oog op dit doel verrichte activiteiten van deelnemers binnen de organisatie. Voor deelneming aan de organisatie is voldoende dat de verdachte in zijn algemeenheid weet, in de zin van onvoorwaardelijk opzet (voorwaardelijk opzet is dus niet voldoende), dat de organisatie het plegen van misdrijven (in dit geval: hennepgerelateerde misdrijven) tot oogmerk heeft. Het opzet van de verdachte moet dus zijn gericht op het deelnemen aan de organisatie. Volgt uit de bewijsvoering dat verdachte een aan de verwezenlijking van het oogmerk van die organisatie bijdragende of ondersteunende handeling heeft verricht, dan ligt daarin zijn wetenschap met betrekking tot het oogmerk besloten. Indien daarentegen uit de bewijsvoering slechts volgt dat de verdachte voor deelnemers van een criminele organisatie hand- en spandiensten heeft verricht zonder dat daaruit kan worden afgeleid dat hij daarbij handelde in de wetenschap dat de organisatie het plegen van, in dit geval hennepgerelateerde, misdrijven tot oogmerk had, dan staat daarmee niet vast dat de verdachte in zijn algemeenheid wist dat die organisatie bedoeld oogmerk had en levert het handelen van de verdachte geen deelneming aan die criminele organisatie op. 6.3.4.2 De overwegingen van de rechtbank De rechtbank heeft hiervoor geoordeeld dat [verdachte] zich samen met [medeverdachte 1] , [medeverdachte 3] , [medeverdachte 2] en [medeverdachte 4] in de periode van 5 februari 2019 tot en met 26 juni 2019 schuldig heeft gemaakt aan grootschalige hennepteelt in verschillende hennepkwekerijen. Daarnaast hebben [verdachte] en [medeverdachte 1] in de periode van 23 juli 2018 tot en met 25 juni 2019 een grote hoeveelheid stoffen en voorwerpen voorhanden gehad, die veelal gebruikt worden bij de exploitatie van grootschalige hennepkwekerijen. De feitelijke gang van zaken heeft de rechtbank uiteengezet bij de bespreking van de feiten 1, 2 en 3. Hetgeen hierna besproken wordt, dient dan ook in onderlinge samenhang te worden gelezen met die uiteenzetting.. Naar het oordeel van de rechtbank was in dit geval sprake van een duurzaam en gestructureerd samenwerkingsverband, bestaande uit verschillende personen, dat tot oogmerk had het plegen van hennepgerelateerde misdrijven. [medeverdachte 1] stond aan het hoofd van de organisatie, die gericht was op beroeps- en bedrijfsmatige hennepteelt/-handel. Hij exploiteerde hennepkwekerijen op verschillende locaties en was verantwoordelijk voor het verwerven en inrichten van die locaties. Hij nam de besluiten en op zijn initiatief en onder zijn aansturing en verantwoordelijkheid werden de verschillende kweeklocaties ingericht en onderhouden door hemzelf, [verdachte] , [medeverdachte 3] , [medeverdachte 2] en/of [medeverdachte 4] . [medeverdachte 1] was ook degene aan wie door hen verantwoording werd afgelegd en die bij problemen werd gebeld. Als een spin in het web heeft [medeverdachte 1] verschillende personen om zich heen georganiseerd die in verschillende onderdelen van de hennepteelt voorzagen, waardoor het gehele proces van de kweek van hennepstekken tot de verkoop van de hennep tot zijn beschikking stond. Zo waren diverse personen bij deze organisatie betrokken met ieder hun eigen rol. De rechtbank ziet, naast voornoemde personen, ook [medeverdachte 5] als deelnemer van deze organisatie. Hij leverde op regelmatige basis grote hoeveelheden hennepstekken en kweekmateriaal ten behoeve van de kweeklocaties. Bovendien voorzag hij [medeverdachte 1] van advies over de verzorging van de stekken en planten en de inrichting van de kweeklocaties. [verdachte] vervulde naar het oordeel van de rechtbank een wezenlijke rol binnen de organisatie. [verdachte] was in de eerste plaats de elektricien; hij regelde in de hennepkwekerijen de stroomvoorziening en zorgde ervoor dat de elektriciteit ten behoeve van de kwekerijen buiten de meter om kon worden afgenomen. Hij verrichtte daarnaast ook allerhande andere werkzaamheden met betrekking tot de opbouw, de inrichting, het onderhoud en – na het ontdekken van de kwekerijen door de politie – het opruimen van de kweeklocaties. Hij voerde deze werkzaamheden alleen of samen met [medeverdachte 1] , [medeverdachte 4] , [medeverdachte 2] en/of [medeverdachte 3] uit. Hij had daartoe ook regelmatig contact met deze personen. [verdachte] was daarnaast de rechterhand van [medeverdachte 1] . Hij nam bij diens afwezigheid de zaken voor [medeverdachte 1] waar. Toen [medeverdachte 1] op reis ging, kreeg [verdachte] de sleutels van de woningen en instructies van [medeverdachte 1] . Conclusie Op grond van bovenstaande feiten en omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat sprake was van een organisatie als bedoeld in artikel 11b van de Opiumwet met als oogmerk het beroeps- en bedrijfsmatig telen van en handelen in hennep en het voorbereiden of bevorderen hiervan en dat [verdachte] aan deze organisatie heeft deelgenomen. De rechtbank acht het ten laste gelegde onder feit 4 dan ook wettig en overtuigend bewezen. 6.4 De bewezenverklaring De rechtbank acht op grond van de in de bijlage opgenomen bewijsmiddelen waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de ten laste gelegde feiten heeft begaan, met dien verstande dat: 1.hij in de periode van 5 februari 2019 tot en met 26 juni 2019 in Nederland, tezamen en in vereniging met (een) ander(en), in de uitoefening van een beroep of bedrijf,1 - in een pand gelegen aan de [adres 1] te [plaats 1] een hoeveelheid van 334 hennepplanten en2 - in een pand gelegen aan de [adres 2] te [plaats 2] een hoeveelheid van 293 hennepplanten en3 - in een pand gelegen aan de [adres 3] te [plaats 1] een hoeveelheid van 463 hennepplanten en4 - in een pand gelegen aan de [adres 4] te [plaats 3] een hoeveelheid van 214 hennepplanten en5 - in een pand gelegen aan [adres 5] te [plaats 4] een hoeveelheid van 278 hennepplanten en6 - in een pand gelegen aan de [adres 6] te [plaats 1] , een hoeveelheid van 68 hennepplanten en7 - in een pand gelegen aan de [adres 7] te [plaats 3] een hoeveelheid van 158 hennepplanten en8 - in een pand gelegen aan de [adres 8] te [plaats 5] een hoeveelheid van 185 hennepplanten, opzettelijk heeft geteeld, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, terwijl dit gepleegde feit (mede) betrekking heeft op een grote hoeveelheid van een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II; 2.hij in de periode van 5 februari 2019 tot en met 26 juni 2019 in Nederland,tezamen en in vereniging met (een) ander(en), met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een hoeveelheid elektriciteit:1 - (locatie [adres 1] te [plaats 1] ), toebehorende aan Enexis Netbeheer en2 - (locatie [adres 2] te [plaats 2] ), toebehorende aan Coteq Netbeheer en3 - (locatie [adres 3] te [plaats 1] ), toebehorende aan Enexis Netbeheer en4 - (locatie [adres 4] te [plaats 3] ), toebehorende aan Enexis Netbeheer en5 - (locatie [adres 5] te [plaats 4] ), toebehorende aan Liander NV en7 - (locatie [adres 7] te [plaats 3] ), toebehorende aan Enexis Netbeheer,waarbij verdachte en zijn mededader(
- s)de weg te nemen elektriciteit onder hun bereik hebben gebracht door middel van verbreking en hij in de periode van 5 februari 2019 tot en met 26 juni 2019 in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een hoeveelheid elektriciteit:6 - (locatie [adres 6] te [plaats 1] ), toebehorende aan Enexis Netbeheer; 3.hij in de periode van 23 juli 2018 tot en met 25 juni 2019 in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander, stoffen en voorwerpen voorhanden heeft gehad, te weten: in een garagebox gelegen aan [adres 9] te [plaats 1]- een aantal armaturen en- een groot aantal assimilatielampen (600 watt) en- een aantal schakelborden en- een groot aantal transformatoren-koper (600 watt) en- een aantal koolstoffilters en- een aantal slakkenhuizen (426 watt en 523 watt en 1200 watt) en- een aantal temperatuurventilatieregelaars en- een aantal dompelpompen (550 watt en 900 watt) en- een aantal jerrycans groeimiddelen een vervoermiddel voorhanden heeft gehad, te weten een bedrijfsbus (merk Volkswagen, type Transporter voorzien van het kenteken [kenteken 1] ), waarvan hij en zijn mededader wisten dat zij bestemd waren tot het plegen van een van de in artikel 11, derde en vijfde lid van de Opiumwet strafbaar gestelde feiten; 4.hij in de periode van 23 juli 2018 tot en met 25 juni 2019 in Nederland, heeft deelgenomen aan een organisatie, bestaande uit een samenwerkingsverband van natuurlijke personen, te weten van verdachte en[medeverdachte 1] en[medeverdachte 2] en[medeverdachte 3] en[medeverdachte 4] en[medeverdachte 5] ,welke organisatie tot oogmerk had het plegen van een of meer misdrijven, te weten:- misdrijven als bedoeld in artikel 11, derde en vijfde lid van de Opiumwet, het in de uitoefening van een beroep of bedrijf opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder B en/of onder C van de Opiumwet gegeven verbod, te weten het telen, bewerken, verkopen, afleveren, verstrekken of vervoeren en/of aanwezig hebben van een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, en- misdrijven als bedoeld in artikel 11a van de Opiumwet, te weten het voorbereiden of bevorderen van een feit als bedoeld in het derde en vijfde lid van artikel 11. De rechtbank acht niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd, zodat zij hem daarvan zal vrijspreken. De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten zijn verbeterd in de bewezenverklaring. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging. 7De strafbaarheid van het bewezenverklaarde Het bewezenverklaarde is strafbaar gesteld in de artikelen 47 en 311 van het Wetboek van Strafrecht (Sr) en in de artikelen 3, 11, 11a en 11b van de Opiumwet (Ow). Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Het bewezenverklaarde levert op: feit 1 het misdrijf: medeplegen van het in de uitoefening van een beroep of bedrijf opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder B van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd en medeplegen van het in de uitoefening van een beroep of bedrijf opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder B van de Opiumwet gegeven verbod, terwijl het feit betrekking heeft op een grote hoeveelheid van het middel, meermalen gepleegd; feit 2 het misdrijf: diefstal door twee of meer verenigde personen en diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van verbreking, meermalen gepleegd; feit 3 het misdrijf: medeplegen van stoffen en voorwerpen voorhanden hebben, waarvan hij weet dat zij bestemd zijn tot het plegen van een van de in artikel 11, derde lid en vijfde lid, van de Opiumwet strafbaar gestelde feiten en medeplegen van een vervoermiddel voorhanden hebben, waarvan hij weet of ernstige reden heeft om te vermoeden dat deze bestemd is tot het plegen van een van de in artikel 11, derde lid en vijfde lid, van de Opiumwet strafbaar gestelde feiten; feit 4 het misdrijf: deelnemen aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van een misdrijf als bedoeld in de artikelen 11, derde en vijfde lid, en 11a van de Opiumwet. 8De strafbaarheid van verdachte Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De rechtbank oordeelt daarom dat verdachte strafbaar is voor de bewezenverklaarde feiten. 9De op te leggen straf of maatregel 9.1 De vordering van de officier van justitie De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 180 dagen, waarvan 111 dagen voorwaardelijk met aftrek van het voorarrest en met een proeftijd van twee jaren. De officier van justitie heeft daarnaast gevorderd dat verdachte wordt veroordeeld tot een taakstraf van 240 uren. 9.2 Het standpunt van de verdediging De raadsvrouw heeft verzocht om aan verdachte een gevangenisstraf gelijk aan de duur van het voorarrest en een taakstraf van 200 uren op te leggen. De raadsvrouw heeft de rechtbank verzocht om daarnaast geen voorwaardelijke straf aan verdachte op te leggen. 9.3 De gronden voor een straf of maatregel Bij de strafoplegging houdt de rechtbank rekening met de aard en de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van verdachte zoals die uit het dossier en tijdens de behandeling ter terechtzitting naar voren zijn gekomen. De rechtbank acht daarbij in het bijzonder het volgende van belang. De ernst van de feiten Verdachte heeft deelgenomen aan een criminele organisatie gericht op het op beroeps- of bedrijfsmatige schaal telen van (grote hoeveelheden) hennep en het plegen van voorbereidingshandelingen in de zin van de Opiumwet. De organisatie was verantwoordelijk voor de exploitatie van minimaal negen hennepkwekerijen. Verdachte was betrokken bij de exploitatie van acht van die kwekerijen. Hij was de rechterhand van [medeverdachte 1] – de leider van de organisatie – en hield zich vooral bezig met de inrichting van de kweeklocaties en de illegale afname van elektriciteit in de panden waarin de kwekerijen zich bevonden. Verdachte trad bij afwezigheid van [medeverdachte 1] op als waarnemer van diens taken. De hennepkwekerijen werden veelal gevestigd in de (sociale) huurwoningen van Syrische personen tegen de belofte van een geldbedrag. Zelfs in een complex van Humanitas, waar veel hulpbehoevenden, bejaarden en dementerenden woonden, werd een hennepkwekerij geëxploiteerd. Het getuigt van een gebrek aan respect voor deze voorzieningen en de mensen die daarvan afhankelijk zijn. In de panden waarin de hennepkwekerijen waren gevestigd, werd de stroom buiten de meter om afgetapt. Door de illegale afname van de elektriciteit is er niet alleen schade voor de netbeheerders veroorzaakt, maar ook een potentieel brandgevaarlijke situatie in de woningen gecreëerd. Verdachte heeft enkel gehandeld uit financieel gewin en is voorbij gegaan aan het feit dat verdovende middelen zoals hennep schadelijk zijn voor de volksgezondheid en vaak leiden tot verschillende vormen van criminaliteit. Verdachte heeft bovendien gedurende het onderzoek op geen enkele wijze openheid van zaken gegeven of verantwoordelijkheid genomen voor zijn handelen. De rechtbank rekent dit alles verdachte aan. De persoon van verdachte De rechtbank heeft acht geslagen op een uittreksel uit de Justitiële Documentatie van verdachte van 14 augustus 2024. Hieruit blijkt dat verdachte op 19 april 2022 is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten. Verdachte is dus, na het plegen van de onderhavige strafbare feiten, opnieuw de fout in gegaan. De rechtbank weegt dit mee in het nadeel van verdachte. Gelet op voornoemde veroordeling is artikel 63 Sr van toepassing. De rechtbank heeft kennisgenomen van een brief van de reclassering van 17 september 2024. Hieruit blijkt dat de reclassering de opdracht tot het opstellen van een reclasseringsadvies retour heeft gezonden, omdat het de reclassering, ondanks meerdere pogingen, niet is gelukt om met verdachte af te spreken. De op te leggen straf De rechtbank stelt voorop dat in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) het recht van iedere verdachte is gewaarborgd om binnen een redelijke termijn te worden berecht. Die termijn vangt aan op het moment dat vanwege de Nederlandse Staat jegens de betrokkene een handeling is verricht waaraan deze in redelijkheid de verwachting kan ontlenen dat tegen hem ter zake van een bepaald strafbaar feit door het Openbaar Ministerie een strafvervolging zal worden ingesteld. Een eindvonnis dient vervolgens in de regel binnen twee jaren te volgen, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden zoals de ingewikkeldheid van een zaak. Verdachte is op 25 juni 2019 in verzekering gesteld. Op dat moment is de redelijke termijn aangevangen. Op 28 november 2024 wijst de rechtbank vonnis in de zaak van verdachte. Rekening houdende met de omvang van de zaak had naar het oordeel van de rechtbank een vonnis binnen drie jaren moeten volgen. Dit betekent dat dit vonnis ruim twee jaren na het verstrijken van de redelijke termijn wordt gewezen. De rechtbank is van oordeel dat deze aanzienlijke overschrijding matiging van de hierna te vermelden op te leggen straf tot gevolg moet hebben. Naar het oordeel van de rechtbank rechtvaardigen feiten als de onderhavige en het feit dat verdachte eerder voor dit soort feiten is veroordeeld, in beginsel zonder meer een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van (aanzienlijk) langere duur dan de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht. Echter, gelet op de geconstateerde forse overschrijding van de redelijke termijn zal de rechtbank geen onvoorwaardelijke gevangenisstraf opleggen van langere duur dan het aantal dagen dat verdachte reeds in voorarrest heeft doorgebracht. De rechtbank zal aan verdachte wel een forse voorwaardelijke gevangenisstraf opleggen als stok achter de deur om niet opnieuw strafbare feiten te plegen. Gelet op de aard en de ernst van de bewezenverklaarde feiten en het kennelijke gemak waarmee verdachte zich met dit soort criminele activiteiten heeft ingelaten vindt de rechtbank het daarnaast passend en geboden om aan verdachte een onvoorwaardelijke taakstraf op te leggen voor de maximale duur. De rechtbank is, alles overziend, van oordeel dat een taakstraf van 240 uren en een gevangenisstraf voor de duur van 450 dagen, waarvan 381 dagen voorwaardelijk met aftrek van het voorarrest en met een proeftijd van twee jaren, passend en geboden is. 10De schade van benadeelden 10.1 De vorderingen van de benadeelde partijen [adres 2] te [plaats 2] Coteq Netbeheer BV heeft zich als benadeelde partij gevoegd in dit strafproces. De benadeelde partij vordert verdachte te veroordelen om schadevergoeding te betalen tot een totaalbedrag van € 1.435,41, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment waarop de schade is ontstaan. Deze gevorderde schade bestaat uit de volgende posten: - verzegeling verbroken ad € 135,00; - veiligstellen aansluiting ad € 188,13; - energiediefstal (kWh) ad € 484,27; - onderzoek en behandelingskosten ad € 628,01. Deze schade is door de benadeelde partij gevorderd als immateriële schade. De rechtbank begrijpt de vordering zo dat de benadeelde partij heeft bedoeld om een vergoeding van materiële schade te vorderen. [adres 3] te [plaats 1] Enexis Netbeheer BV heeft zich als benadeelde partij gevoegd in dit strafproces. De benadeelde partij vordert verdachte te veroordelen om schadevergoeding te betalen tot een totaalbedrag van € 1.017,58, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment waarop de schade is ontstaan. De gevorderde materiële schade bestaat uit de volgende posten: - administratiekosten ad € 384,31; - netwerkkosten elektriciteit ad € 19,35; - verbruik elektriciteit ad € 268,92; - uurtarief (avond) ad € 345,--. [adres 4] te [plaats 12] Enexis Netbeheer BV heeft zich als benadeelde partij gevoegd in dit strafproces. De benadeelde partij vordert verdachte te veroordelen om schadevergoeding te betalen tot een totaalbedrag van € 1.472,34, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment waarop de schade is ontstaan. De gevorderde materiële schade bestaat uit de volgende posten: - administratiekosten ad € 384,31; - netwerkkosten elektriciteit ad € 248,58; - verbruik elektriciteit ad € 531,45; - uurtarief (dag) ad € 308,--. 10.2 Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vorderingen voor toewijzing vatbaar zijn. 10.3 Het standpunt van de verdediging De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van Enexis Netbeheer BV ten aanzien van de [adres 3] te [plaats 1] afgewezen dient te worden dan wel dat Enexis Netbeheer BV niet-ontvankelijk moet worden verklaard in de vordering, gelet op de bepleite vrijspraak voor betrokkenheid bij de hennepkwekerij in de woning gelegen aan voornoemd adres. De raadsvrouw heeft de hoogte van de vorderingen van Coteq Netbeheer BV en Enexis Netbeheer BV, ten aanzien van respectievelijk de [adres 2] te [plaats 2] en de [adres 4] te [plaats 12] , betwist. De hoogte van deze vorderingen is onvoldoende onderbouwd. Het is niet duidelijk wat er in de afgelopen jaren reeds is betaald door de eigenaren/huurders van deze woningen. 10.4 Het oordeel van de rechtbank Door de gebezigde bewijsmiddelen en de behandeling op de terechtzitting is komen vast te staan dat verdachte door het bewezen verklaarde onder feit 2 rechtstreeks schade heeft toegebracht aan de benadeelde partijen. De opgevoerde schadeposten zijn naar het oordeel van de rechtbank voldoende onderbouwd en aannemelijk. De verdediging kan ter betwisting van de vorderingen niet volstaan met de enkele stelling dat de vorderingen mogelijk (gedeeltelijk) zijn voldaan door de eigenaren/huurders, zonder dat aan die stelling concrete feiten en omstandigheden ten grondslag worden gelegd. De rechtbank gaat hier dan ook aan voorbij. De rechtbank zal de vordering van Coteq Netbeheer BV ter hoogte van € 1.435,41 en de vorderingen van Enexis Netbeheer BV ter hoogte van € 1.017,58 en € 1.472,34 derhalve in het geheel toewijzen, alle te vermeerderen met de verschuldigde wettelijke rente vanaf de datum waarop de schade