RECHTBANK OVERIJSSEL Zittingsplaats Zwolle Bestuursrecht zaaknummer: ZWO 23/1271 Uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [eiser] , uit [woonplaats] , eiser (gemachtigde: R. Meijerink), en de minister van Justitie en Veiligheid, verweerder (gemachtigde: M. Vennegoor). Inleiding
- In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van betrokkene tegen het besluit van verweerder op zijn inzageverzoek op grond van de Algemene Verordening gegevensbescherming (AVG), de Wet op de inlichtingen - en veiligheidsdiensten 2017 (Wiv), de Wet politiegegevens (Wpg), de Wet openbaarheid van bestuur (Wob) en de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens (Wjsg). 1.
- Betrokkene heeft het inzageverzoek op 20 januari 2022 ingediend bij de Nationaal Coördinator Terrorismebestrijding en Veiligheid (NCTV). 1.
- Verweerder heeft met een besluit van 8 juni 2022 (het primaire besluit) op het inzageverzoek beslist. Daarbij heeft verweerder een overzicht verstrekt van de door de NCTV verwerkte, de betrokkene betreffende, persoonsgegevens. 1.
- Betrokkene heeft een bezwaarschrift ingediend. 1.
- Met een besluit van 27 maart 2023 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar op één onderdeel (onderdeel ad 1) gegrond, en voor het overige ongegrond verklaard (het bestreden besluit). Verweerder heeft het primaire besluit ten aanzien van onderdeel ad 1 herroepen en een aanvullend overzicht van persoonsgegevens betreffende betrokkene verstrekt. Verweerder heeft verder aangegeven voornemens te zijn om op het verzoek tot het verstrekken van gegevens met betrekking tot het onderwerp ‘de Grauwe Eeuw’ een afzonderlijk (Woo-)besluit te nemen. 1.
- Betrokkene heeft op 4 juni 2023 beroep ingesteld. 1.
- De rechtbank heeft partijen voorafgaand aan de zitting laten weten dat ter zitting allereerst de ontvankelijkheid van het beroep zal worden besproken. De gemachtigde van betrokkene heeft daarop de rechtbank op 24 september 2024 een brief gestuurd waarin hij ingaat op de ontvankelijkheid van het beroep. 1.
- Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. 1.
- De rechtbank heeft het beroep op 8 oktober 2024 op zitting behandeld. Aan de behandeling hebben deelgenomen: de gemachtigde van betrokkene en de gemachtigde van verweerder. Beoordeling door de rechtbank Samenvatting
- De rechtbank beoordeelt allereerst of het beroep van betrokkene ontvankelijk is. Alleen als het beroep ontvankelijk is komt de rechtbank toe aan een inhoudelijk oordeel over de beroepsgronden. De rechtbank oordeelt aan de hand van de beroepsgronden, de brief van de gemachtigde van betrokkene van 24 september 2024, het verweerschrift en het verhandelde ter zitting. 2.
- De rechtbank is van oordeel dat het beroep van betrokkene niet ontvankelijk is omdat de termijn voor het instellen van het beroep is overschreden en de termijnoverschrijding niet verschoonbaar is. 2.
- Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt. Is het beroep van eiser ontvankelijk? Bekendmaking van het bestreden besluit
- Verweerder heeft op het bezwaar van betrokkene beslist op 27 maart
- Het bestreden besluit is via PostNL aangetekend verzonden naar het adres van de gemachtigde. Uit het dossier blijkt dat het poststuk op 30 maart 2023 bij het dichtstbijzijnde PostNL afhaalpunt is afgeleverd en niet werd afgehaald. Het poststuk is 14 dagen later aan verweerder geretourneerd. 3.
- Verweerder heeft de gemachtigde op 18 april 2023 per e-mail op de hoogte gesteld van het bestreden besluit van 27 maart 2023, dat het besluit aangetekend was verzonden en dat het poststuk was geretourneerd. Verweerder heeft de gemachtigde in de e-mail gevraagd of hij liever het besluit per post wil ontvangen, of per e-mail. De gemachtigde heeft verweerder per mail van dezelfde dag laten weten dat hij het besluit graag per e-mail wil ontvangen. Verweerder heeft de gemachtigde het bestreden besluit op 24 april 2023 per e-mail toegezonden. Het beroepschrift is ingediend op 4 juni
- De standpunten
- Verweerder stelt zich op het standpunt dat het beroep niet-ontvankelijk is, omdat het beroep te laat is ingesteld en van verschoonbare termijnoverschrijding geen sprake is. Verweerder voert daartoe aan dat hij het bestreden besluit met de aangetekende verzending op de voorgeschreven wijze op 27 maart 2023 heeft bekend gemaakt en dat het beroep daarom buiten de zes-weken termijn is ingediend. Verweerder verwijst naar processtuk 19 (een print van registratie van verzendgegevens van PostNL) en wijst erop dat hij gemachtigde op 18 april 2023 van het besluit in de AVG-zaak op de hoogte heeft gesteld en hem dat besluit op 24 april 2023 heeft toegezonden. Het beroep had daarom binnen de beroepstermijn van zes weken vanaf 27 maart 2023 kunnen worden ingediend. Bovendien beschikte betrokkene over een gemachtigde, wat te meer aanleiding is om de overschrijding niet-verschoonbaar te achten.
- Volgens de gemachtigde is het beroep ontvankelijk. Hij voert daartoe primair aan dat van termijnoverschrijding geen sprake is. De gemachtigde stelt zich op het standpunt dat de zes-weken termijn voor het instellen van beroep pas is aangevangen vanaf het moment dat hij het bestreden besluit heeft ontvangen, zodat het beroep tijdig - binnen zes weken na 24 april 2023 - is ingesteld. 5.
- Subsidiair voert de gemachtigde aan dat een eventuele termijnoverschrijding verschoonbaar is. Volgens de gemachtigde heeft PostNL op 30 maart 2023 op zijn adres geen afhaalbericht achtergelaten en komt dat met regelmaat voor. Uit processtuk 19 kan ook niet worden afgeleid dat die dag daadwerkelijk een postbezorger aan zijn deur is geweest en ook een afhaalbericht heeft achtergelaten. De gemachtigde is pas op 18 april 2023 op de hoogte gekomen van het bestreden besluit en hij heeft dat besluit vervolgens ontvangen op 24 april
- Pas toen heeft hij ook kennisgenomen van de inhoud van dat besluit. Het valt hem daarom niet toe te rekenen dat hij niet eerder dan op 4 juni 2023 beroep heeft ingesteld. Algemeen 6.
- Op grond van artikel 6:7 van de Awb bedraagt de termijn voor het indienen van een bezwaar – of beroepschrift zes weken. 6.
- Op grond van artikel 6:8, eerste lid, van de Awb vangt de beroepstermijn aan met ingang van de dag na die, waarop het besluit op de voorgeschreven wijze is bekendgemaakt. De bekendmaking van besluiten die tot een of meer belanghebbenden zijn gericht, geschiedt door toezending of uitreiking aan hen, onder wie begrepen de aanvrager. Dit is geregeld in artikel 3:41, eerste lid, van de Awb. 6.
- Op grond van artikel 6:11 van de Awb blijft ten aanzien van een na afloop van de termijn ingediend bezwaar- of beroepschrift een niet-ontvankelijkverklaring achterwege, indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest (verschoonbare termijnoverschrijding). 6.3.
- Bij toepassing van laatstgenoemde bepaling gaat het om een gebonden bevoegdheid. Als eenmaal is vastgesteld dat het bezwaar- of beroepschrift niet tijdig is ingediend en bovendien (vervolgens) wordt geoordeeld dat de termijnoverschrijding niet verschoonbaar is, moet het rechtsmiddel niet-ontvankelijk worden verklaard. Een belangenafweging is dan niet mogelijk. De belangen die met het materiële geschil zijn gemoeid, zijn bij die beoordeling niet relevant. 6.
- Tussen partijen is niet in geschil dat het bestreden besluit eind maart aangetekend naar het juiste adres van de gemachtigde is verzonden en dat een bezorger van PostNL op 30 maart 2023 het poststuk heeft afgeleverd bij een afhaalpunt. Daarmee is het bestreden besluit op de voorgeschreven wijze bekendgemaakt. Uit artikel 6:8, eerste lid, van de Awb volgt dan dat de termijn voor het indienen van beroep van zes weken is aangevangen met ingang van de dag na 27 maart 2023 en is verstreken op 9 mei
- Het beroep is op 4 juni 2023 dus ongeveer vier weken later ingediend. 6.
- Gelet op artikel 6:11 van de Awb is dan de vraag aan de orde of niet-ontvankelijkverklaring van het beroep achterwege moet blijven wegens verschoonbare termijnoverschrijding, omdat redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest. In het kader daarvan zijn in deze zaak de volgende vragen van belang: is aannemelijk dat op het adres van de gemachtigde geen afhaalbericht is achtergelaten? en, zo ja, heeft de gemachtigde het beroep ingediend zo spoedig als dit redelijkerwijs kon worden verlangd?. Is aannemelijk dat op het adres van de gemachtigde geen afhaalbericht is achtergelaten?
- Volgens vaste rechtspraak moet, als een poststuk aangetekend is verzonden en de belanghebbende de ontvangst ervan ontkent, worden onderzocht of het stuk door de postaanbieder op regelmatige wijze aan het adres van de belanghebbende is aangeboden. Wanneer PostNL bij aanbieding van het stuk niemand thuis treft en (daarom) een afhaalbericht achterlaat, komt het niet ophalen van dat stuk bij het afhaalpunt van PostNL voor rekening en risico van de belanghebbende. Als de belanghebbende stelt dat hij of zij geen afhaalbericht heeft ontvangen, dan ligt het op zijn of haar weg om feiten aannemelijk te maken op grond waarvan redelijkerwijs kan worden betwijfeld dat een afhaalbericht is achtergelaten. Uit rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) en het College van Beroep voor het bedrijfsleven (CBB) volgt dat de gevolgen van het niet afhalen van een poststuk bij een afhaalpunt van het postvervoerbedrijf niet in alle gevallen voor risico van de betrokkene mogen worden gelaten en dat afhankelijk van de omstandigheden van het geval ook een later gemaakt bezwaar of ingesteld beroep als niet verwijtbaar te laat worden aangemerkt. 7.
- Uit de uitspraak van het CBB van 30 januari 2024 (van de zogenoemde grote kamer), in vervolg op een conclusie van advocaat-generaal mr. R.J.G.M. Widdershoven van 7 september 2023, volgt dat er redenen kunnen zijn om bij de handhaving van bezwaar - en beroepstermijnen in bepaalde gevallen minder strikt te zijn. In genoemde uitspraak wordt gewezen op het toenemende probleem van ondermaatse kwaliteit van postbezorging, waardoor er niet in alle gevallen zonder meer vanuit mag worden gegaan dat de postbezorger een afhaalbericht heeft achtergelaten. De bewijslast voor de betrokkene om aannemelijk dat maken dat niet een afhaalbericht is achtergelaten mag in verband daarmee niet al te zwaar zijn. 7.
- Advocaat-generaal P.J. Wattel heeft in een conclusie van 15 maart 2024 (met bijlage) in dit verband de vraag opgeworpen of de hoogste bestuursrechters de bewijsvermoedens en bewijslastverdeling zoals ontwikkeld in deze rechtspraak wel kunnen volhouden, gegeven de (gebleken) ondermaatse kwaliteit van de bezorging van aangetekende zendingen van bestuursorganen en gerechtelijke instanties. AG Wattel wijst onder meer op het volgende: ‘Het is in het algemeen al heel moeilijk om te bewijzen dat iets niet is gebeurd; het is nog moeilijker om te bewijzen dat iets niet is gebeurd als het geautomatiseerde systeem van de enige Nederlandse UPD-verlener ten onrechte vermeldt dat het wél gebeurd zou zijn.’ 7.
- De rechtbank is van oordeel dat de gemachtigde feiten en omstandigheden naar voren heeft gebracht op grond waarvan redelijkerwijs twijfel kan bestaan ten aanzien van de vraag of PostNL op 30 maart 2023 op zijn adres een afhaalbericht heeft achtergelaten. De rechtbank slaat hierbij acht op de inhoud van een schrijven van de gemachtigde van 24 september 2024 en zijn betoog ter zitting. 7.
- Zoals door de gemachtigde betoogd kan op grond van processtuk 19 (zendingsgegevens en verzendstatusinformatie van PostNL) niet met een voldoende mate van zekerheid worden vastgesteld dat Post NL zijn adres op 30 maart 2023 daadwerkelijk heeft bezocht en dat daar een afhaalbericht heeft achtergelaten. Uit de zendingsgegevens blijkt niet meer dan dat de zending op 30 maart 2023 in het depot te [plaats] van Post NL om 10.56 uur is ontvangen, dat de postbezorger die dag om 11.53 uur onderweg was naar de ‘PostNL-locatie’ en dezelfde dag om 12.55 uur de zending klaar lag voor afhaling op het PostNL-afhaalpunt. 7.
- De gemachtigde heeft voorts gesteld: “Helaas is dit een praktijk die ik veel zie. Geen idee of dat specifiek voor dit adres is, maar geen pakket komt aan. Waarschijnlijk een gevolg van de extreme uitbuiting van bezorgers. Met pakketjes lost dat zich op met dat ik dan een mailtje krijg, dat ik het op kan halen bij een service punt.” en “Bewijzen dat ik iets niet heb is uiteraard lastig. Ik weet dat ik die dag, zoals iedere dag, rond i6:oo uur thuiskwam van mijn werk. Het eerste wat ik dan iedere dag doe is de enige brievenbus legen. Daar lag geen afhaalbericht in. Ook loop ik vervolgens langs de enige andere plek waar soms Post ligt, achter de voordeur. Soms staat die open en soms wordt daar post achter gelaten. Ook daar lag geen afhaalbericht.”
- Het voorgaande leidt tot het oordeel dat de gemachtigde wordt gevolgd in zijn betoog in zoverre, dat een deel van de beroepstermijn van zes weken (2,5 week) is verstreken zonder dat hij ervan op de hoogte was dat in de AVG-procedure een besluit was genomen en hij daarvan ook niet op de hoogte kón zijn. Is het beroep ‘zo spoedig als dit redelijkerwijs kon worden verlangd’ ingediend?
- Het feit dat beoordeling van deze vraag plaatsvindt in het kader van artikel 6:11 Awb betekent, onder meer, dat de geadresseerde bij latere ontvangst van het besluit niet alsnog de volle termijn ter beschikking heeft, maar bezwaar moet maken of beroep moet instellen zo spoedig als redelijkerwijs mogelijk is. Als wordt geoordeeld dat dat niet is gebeurd, dan is de termijnoverschrijding niet verschoonbaar. De rechtbank overweegt hierover als volgt. 9.
- In gevallen waarin een belanghebbende (de geadresseerde van het besluit of een derde) pas kennis neemt van een op correcte wijze bekendgemaakt besluit als de bezwaar- of beroepstermijn al geheel of grotendeels is verstreken en de belanghebbende ook niet eerder kennis kón nemen van het besluit is lange tijd de lijn gevolgd dat die belanghebbende met het maken van bezwaar of het instellen van beroep in ieder geval niet verwijtbaar te laat is als hij dat doet binnen twee weken nadat hij te weten is gekomen dat een besluit is genomen dat zijn belangen kan raken. Op grond van recente rechtspraak kan echter, afhankelijk van de omstandigheden van het geval, ook een later gemaakt bezwaar of ingesteld beroep als ‘niet verwijtbaar te laat’ worden aangemerkt. Het CBB heeft in voornoemde uitspraak van 30 januari 2024 overwogen dat er aanleiding bestaat om in deze gevallen voortaan een termijn van zes weken te hanteren waarbinnen de belanghebbende met het maken van bezwaar of het instellen van beroep in ieder geval niet verwijtbaar te laat is. Deze termijn verstrijkt zes weken nadat de omstandigheid die het tijdig instellen van beroep verhinderde, zich niet langer voordoet. Volgens het CBB hoeft bij de vraag of een termijnoverschrijding verschoonbaar is, niet altijd eerst te worden nagegaan of deze aan de indiener kan worden toegerekend. Denkbaar is dat direct al duidelijk is dat het bezwaar- of beroepschrift hoe dan ook niet is ingediend zo spoedig als dit redelijkerwijs kon worden verlangd. In een dergelijke situatie behoeft de toerekenbaarheid geen afzonderlijke bespreking. Bij de beoordeling van de verschoonbaarheid in geval van een beroep op bijzondere omstandigheden die de indiener betreffen, geldt in beginsel een op het individuele geval gerichte, contextuele benadering. 9.
- De rechtbank is van oordeel dat in dit geval het beroep niet ‘zo spoedig als dit redelijkerwijs kon worden verlangd’ is ingediend en overweegt daartoe het volgende. 9.2.
- Partijen zijn het erover eens dat – zoals hiervoor weergegeven – verweerder na de retourzending van het bestreden besluit de gemachtigde op 18 april 2023 per e-mail hiervan op de hoogte gesteld en dat verweerder hierna op 24 april 2023 het besluit per e-mail naar de gemachtigde heeft toegezonden. Beide data vielen ruimschoots binnen de zes-weken termijn, die op 28 maart 2023 was aangevangen en op 9 mei 2023 verstreek. De gemachtigde had dus binnen zes weken beroep kunnen instellen maar hij heeft dat niet gedaan. Het beroep is bijna 4 weken na het verstrijken van de beroepstermijn ingediend. 9.2.
- Verweerder heeft de gemachtigde op 18 april 2023 op de hoogte gesteld van het feit dat in de AVG-procedure een besluit op bezwaar was genomen. Bij verweerder liep op dat moment maar één procedure in een AVG-zaak waarin gemachtigde als bijstandsverlener optrad. De gemachtigde had verweerder in deze procedure eerder in gebreke gesteld. De gemachtigde kon gelet hierop weten in wélke procedure een besluit op bezwaar was genomen. Er is dus geen beroep ingesteld binnen zes weken nadat (de gemachtigde van) betrokkene te weten is gekomen dat verweerder het besluit had genomen. 9.2.
- Verder is van belang dat de gemachtigde niet een volkomen onwetende bijstandsverlener is. Zoals ter zitting besproken procedeert hij wel vaker in, in elk geval, AVG – en/of WOO-zaken. Als een belanghebbende in een beroepsprocedure wordt bijgestaan door een ander dan een professionele rechtshulpverlener komt, volgens vaste rechtspraak, het handelen van de bijstandsverlener in beginsel voor risico van de indiener. 9.
- Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de gemachtigde niet zo spoedig mogelijk als dit redelijkerwijs mocht worden verlangd het beroep heeft ingediend. De termijnoverschrijding is daarom niet verschoonbaar.
- Het beroep op verschoonbare termijnoverschrijding slaagt niet. Conclusie en gevolgen
- Het beroep is niet-ontvankelijk. De rechtbank oordeelt daarom niet over de (inhoudelijke) beroepsgronden. Betrokkene krijgt het griffierecht niet terug. Betrokkene krijgt ook geen vergoeding van de proceskosten. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk. Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op door mr. A.T. de Kwaasteniet, rechter, in aanwezigheid van mr. J.M. van Westerlaak, griffier. griffier rechter Een afschrift van dit proces-verbaal is verzonden aan partijen op: Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop dit proces-verbaal is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Zie bijvoorbeeld de uitspraak van het College van Beroep voor het bedrijfsleven (CBB) van 30 januari 2024, ECLI:NL:CBB:2024:31, r.o. 2.
- Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 21 februari 2018, ECLI:NL:RVS:2018:585, r.o. 6.1 en
- Uitspraak van het CBB van 30 januari 2024, ECLI:NL:CBB:2024:31, r.o. 1.
- en 2.
- Conclusie advocaat-generaal R.J.G.M. Widdershoven, 7 september 2023, ECLI:NL:CBB:2023:
- Conclusie van de AG P.J. Wattel van 15 maart 2024, ECLI:NL:PHR:2024:293 (r.o. 4.6.- 4.8.) met een bijlage (ECLI:NL:PHR:2024:355, r.o. 5.
- en 5.6.) Zie de uitspraak van het CBB van 30 januari 2024, ECLI:NL:CBB:2024:31, r.o. 3.
- en 3.
- Zie de uitspraak van het CBB van 30 januari 2024, ECLI:NL:CBB:2024:31, r.o. 4.
- Zie de uitspraak van het CBB van 30 januari 2024, ECLI:NL:CBB:2024:31, r.o. 2.
- en 3.1.