RECHTBANK OVERIJSSEL Zittingsplaats Zwolle Bestuursrecht zaaknummer: ZWO 22/1928 en 23/2388 uitspraak van de meervoudige kamer van de rechtbank Overijssel in de zaken tussen [eiseres 1] B.V., [eiseres 2] B.V., beide uit [vestigingsplaats] eisers in 22/1928 (gemachtigde: mr. I.C. Dunhof-Lampe), Coöperatie Mobilisation for the Environment U.A., uit Nijmegen, eiseres in 23/2388 (gemachtigde: S.R. van Uffelen) en het college van Gedeputeerde Staten van Overijssel (gemachtigde: mr. S.J. van Winzum). Als derde-partijen nemen aan deze zaken deel: Coöperatie Mobilisation for the Environment U.A. uit Nijmegen, in 22/1928, [eiseres 1] B.V. en [eiseres 2] B.V.ou, beide uit [vestigingsplaats], in 23/
- Inleiding 1.
- In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank zowel het beroep van [eiseres 1] B.V. en [eiseres 2] B.V. (hierna tezamen: [eiseressen]) tegen het besluit van het college van Gedeputeerde Staten van Overijssel (hierna: het college) van 12 oktober 2022 als het beroep van Coöperatie Mobilisation for the Environment U.A. (hierna: MOB) tegen het besluit van het college van 8 september
- 1.
- De rechtbank heeft het beroep op 23 oktober 2024 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: - namens [eiseressen]: [naam 1] en [naam 2], bijgestaan door mr. I.C. Dunhof-Lampe, - namens MOB: mr. V. Wösten tezamen met S.R. van Uffelen, - namens het college [naam 3] en [naam 4], bijgestaan door mr. S.J. van Winzum en mr. R. Reinders. Beoordeling door de rechtbank
- De rechtbank beoordeelt de bestreden besluiten. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eisers.
- De rechtbank verklaart het beroep van MOB gegrond en het beroep van [eiseressen] niet-ontvankelijk. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. De feiten 4.
- [eiseressen] exploiteert een onderneming voor de productie van houtvezels op het perceel [adres]. Omdat het vochtpercentage in de boomstammen en daarmee de houtvezels te hoog is voor gebruik in stallen, moet dit vochtpercentage worden gereduceerd. Hiervoor maakt [eiseressen] gebruik van een biomassa-installatie (bmi) waarin schoon afvalhout (biomassa) wordt verbrand. 4.
- Voor de bmi heeft [eiseressen] op 3 februari 2016 een melding gedaan op grond van het Programma Aanpak Stikstof 2015-2021 (PAS). In deze melding is aangegeven dat de bmi een maximale stikstofdepositie van 0,22 mol/ha/jaar veroorzaakt op het stikstofgevoelige Natura 2000-gebied Engbertsdijksvenen. Op grond van het bepaalde in artikel 2.12 van het Besluit natuurbescherming en, tot eind 2016, artikel 19kh, zevende lid, van de Natuurbeschermingswet 1998, zoals deze bepalingen destijds luidden, gold voor de inrichting van [eiseressen] destijds een uitzondering op de vergunningsplicht. Projecten die onder de werkingssfeer van deze bepalingen vielen, waren destijds meldingsplichtig op grond van het PAS. Het was voor [eiseressen] als PAS-melder destijds niet mogelijk om voor het gebruik van de bmi een vergunning aan te vragen. Als gevolg van de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) van 29 mei 2019 zijn activiteiten die onder het PAS vielen, waaronder activiteiten waarvoor een melding had plaatsgevonden, zoals het gebruik van de bmi door [eiseressen], alsnog vergunningsplichtig geworden. 4.
- Op 8 november 2019 heeft MOB aan het college verzocht om handhavend op te treden tegen de bmi van [eiseressen]. 4.
- Naar aanleiding van de weigering van het college om handhavend op te treden, is eerder een procedure gevoerd bij deze rechtbank. Bij uitspraak van 25 januari 2022 heeft de rechtbank het op 3 september 2020 door het college genomen besluit op bezwaar vernietigd. Het college diende opnieuw op het bezwaar van MOB te beslissen. 4.
- Bij besluit op bezwaar van 12 oktober 2022 heeft het college vervolgens aan [eiseressen] een last onder dwangsom opgelegd wegens overtreding van artikel 2.7, tweede lid, van de Wet natuurbescherming (Wnb). Aan [eiseressen] is de last opgelegd om de overtreding binnen zes weken te beëindigen en beëindigd te houden. De maximaal te verbeuren dwangsom bedroeg € 10.000 per geconstateerde overtreding met een maximum van € 100.
- [eiseressen] heeft daartegen op 1 november 2022 beroep ingesteld. Bij nader besluit op bezwaar van 10 november 2022 heeft het college de begunstigingstermijn verlengd met drie weken. Bij nader besluit van 13 december 2022 heeft het college de begunstigingstermijn verlengd tot zes weken nadat uitspraak is gedaan op het beroep. 4.
- Bij besluit van 8 september 2023 is opnieuw beslist op het bezwaar. Het college heeft de eerder opgelegde last onder dwangsom ingetrokken en heeft alsnog geweigerd om handhavend op te treden. 4.
- Bij brief van 9 oktober 2023 heeft MOB de rechtbank bericht dat zij zich niet kan vinden in de herziene beslissing op bezwaar. Deze brief is als beroepschrift aangemerkt. 4.
- Op 14 juni 2024 heeft het college de aan het bestreden besluit ten grondslag gelegde motivering gewijzigd. Overgangsrecht Omgevingswet 5.
- Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet, de Invoeringswet Omgevingswet en de Aanvullingswet natuur Omgevingswet (hierna: Aanvullingswet) in werking getreden. Als een verzoek om handhaving van de Wnb is ingediend vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet blijft op grond van artikel 2.9, eerste lid, aanhef en onder a, van de Aanvullingswet het oude recht van toepassing tot het besluit op die aanvraag onherroepelijk wordt. 5.
- Het verzoek om handhaving van de Wnb is gedaan op 8 november
- Dat betekent dat in dit geval de Wnb, zoals die gold vóór 1 januari 2024, van toepassing blijft. Beoordeling beroepen (algemeen) 6.
- De rechtbank stelt voorop dat de oordelen die gegeven zijn in de hiervoor vermelde uitspraak van de rechtbank naar aanleiding van het handhavingsverzoek van 8 november 2016 in deze zaak vaststaan omdat tegen deze uitspraak geen hoger beroep is ingesteld en deze dus onherroepelijk is. Beide beroepen die nu voorliggen zijn een vervolg op die eerdere procedure. De rechtbank zal dan ook van die uitspraak uitgaan bij de beoordeling van deze beide beroepen. 6.
- De rechtbank zal hierna eerst het beroep van MOB beoordelen en vervolgens het beroep van [eiseressen]. Beoordeling beroep MOB (23/2388) 7.
- De rechtbank ziet zich bij de beoordeling van dit beroep vooreerst gesteld voor de vraag welk besluit van het college nu voorligt. Omdat het (door het college als zodanig aangeduide) besluit van 14 juni 2024 geen wijziging aanbrengt in de rechtsgevolgen van het eerdere besluit van 8 september 2023, is naar het oordeel van de rechtbank geen sprake van een daadwerkelijk (nader) besluit, maar enkel van een wijziging van de aan het besluit van 8 september 2023 ten grondslag liggende motivering. Het besluit van 8 september 2023 geldt daarom nog steeds als het bestreden besluit. De rechtbank zal dat besluit dan ook toetsen. 7.
- Het college heeft geweigerd om handhavend op te treden omdat handhavend optreden tegen de overtreding van artikel 2.7, tweede lid, van de Wnb in dit geval onevenredig is. In dit verband heeft het college erop gewezen dat [eiseressen] PAS-melder is en dat hij destijds te goeder trouw heeft aangenomen dat het in werking hebben van de bmi in de inrichting te [vestigingsplaats] was toegestaan. Hierbij komt dat sprake is van een tijdelijk privaatrechtelijk bemestingsverbod voor provinciale pachtgronden, welk verbod leidt tot een lagere stikstofdepositie op verschillende Natura 2000-gebieden in Overijssel, waaronder het Natura 2000-gebied Engbertsdijksvenen. Het provinciale privaatrechtelijke bemestingsverbod wordt gehandhaafd. De toename van de feitelijke stikstofdepositie door [eiseressen], verminderd met de al in de referentiesituatie toegestane depositie, wordt door deze tijdelijke maatregel per hexagoon beschermde natuur (ruimschoots) gecompenseerd waardoor per saldo geen sprake is van een depositietoename. 7.
- MOB stelt zich op het standpunt dat het college ten onrechte weigert om handhavend op te treden tegen [eiseressen]. Ten onrechte is geen rekening gehouden met de gevolgen van de emissies vanuit de inrichting van [eiseressen] voor in Duitsland gelegen Natura 2000-gebieden. Ook wordt door de wijze waarop rekening wordt gehouden met de provinciale bemestingsverboden in strijd met het additionaliteitsvereiste extern gesaldeerd. Verder is de door het college gestelde afname van de stikstofdepositie als gevolg van de genomen tijdelijke maatregelen onvoldoende onderbouwd. 7.
- Zoals ook eerder uiteengezet in de uitspraak van deze rechtbank van 25 januari 2022 (ECLI:NL:RBOVE:2022:197) is tussen partijen niet in geschil dat de bmi van [eiseressen] stikstofdepositie veroorzaakt op het Natura 2000-gebied ‘Engbertsdijksvenen’ en dat niet kan worden uitgesloten dat dit significante gevolgen heeft voor het Natura 2000-gebied. Ook staat niet ter discussie dat [eiseressen] niet beschikt over een vergunning als bedoeld in artikel 2.7, tweede lid, van de Wnb. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het college dan ook terecht geconcludeerd dat [eiseressen] (nog steeds) in overtreding is van dit artikel van de Wnb. De stelling van MOB in beroep over in Duitsland gelegen Natura 2000-gebieden is hierom niet relevant. 7.
- De rechtbank overweegt dat gelet op het algemeen belang dat gediend is met handhaving, bij een overtreding van een wettelijk voorschrift het bestuursorgaan dat bevoegd is om met een last onder bestuursdwang of een last onder dwangsom op te treden, in de regel van deze bevoegdheid gebruik zal moeten maken. Alleen onder bijzondere omstandigheden mag van het bestuursorgaan worden gevraagd dit niet te doen. Dit kan zich voordoen als concreet zicht op legalisatie bestaat. Verder kan handhavend optreden onevenredig zijn in verhouding tot de daarmee te dienen doelen, zodat van optreden in die concrete situatie moet worden afgezien. 7.
- In dit geschil moet opnieuw de vraag worden beantwoord of het college heeft mogen afzien van handhavend optreden, omdat dit onevenredig zou zijn in verhouding tot de daarmee te dienen doelen. Hiertoe beziet de rechtbank in hoeverre verweerder het natuurbelang enerzijds en de belangen van [eiseressen] anderzijds inzichtelijk en kenbaar tegen elkaar heeft afgewogen. 7.
- Zoals de Afdeling heeft overwogen in haar uitspraak van 28 februari 2024 over verzoeken om handhavend optreden tegen zogenoemde PAS-melders vormen
(1)de individuele belangen van de PAS-melders,
(2)de rechtszekerheid die PAS-melders aan het PAS-regime mochten ontlenen,
(3)de verschillende uitlatingen van de overheid na de PAS-uitspraak dat PAS-melders zullen worden gelegaliseerd,
(4)het legalisatieprogramma dat ervan uitgaat dat medio 2025 alle PAS-melders een natuurvergunning kunnen aanvragen, en
(5)het feit dat het legalisatieprogramma in uitvoering is en de bedrijven daarin de mogelijke stappen hebben ondernomen, bijzondere omstandigheden die voor het college aanleiding kunnen zijn om handhavend optreden onevenredig te achten in verhouding tot het natuurbelang en tot medio 2025 af te zien van handhavend optreden. Of daadwerkelijk kan worden afgezien van handhavend optreden, kan het college echter pas beoordelen nadat het de vraag heeft beantwoord of er een redelijk evenwicht is tussen de belangen van de PAS-melders en het natuurbelang dat wordt gediend met handhavend optreden. Hiervoor is nodig dat de gevolgen van het niet handhavend optreden voor de natuur in beeld zijn en zijn afgewogen voor tenminste dezelfde periode, dus tot uiterlijk medio
- Aan het natuurbelang kan in die afweging tegemoet worden gekomen door het treffen van maatregelen. Als daarvoor wordt gekozen dan moeten die maatregelen ten minste gelden tot medio
- Wanneer die maatregelen inhouden dat bepaalde activiteiten die stikstofdepositie veroorzaken stoppen, moet vaststaan dat in die periode de activiteiten die zijn betrokken in de maatregelen, niet kunnen worden hervat. 7.
- Het college is in het bestreden besluit aan het natuurbelang tegemoet gekomen door als maatregel een provinciaal privaatrechtelijk bemestingsverbod in te stellen. Volgens het college leidt deze maatregel tot een vermindering van stikstofdepositie en dit betekent volgens het college meer specifiek dat op dezelfde hexagonen waar ook de bmi van [eiseressen] stikstofdepositie veroorzaakt, er feitelijk geen toename van stikstofdepositie is. Hiermee concludeert het college dat het natuurbelang voldoende is afgewogen tegen de belangen van [eiseressen]. 7.
- Zoals de Afdeling heeft overwogen in de hiervoor genoemde uitspraak van 28 februari 2024, is afweging van het natuurbelang door inzet van een generieke maatregel mogelijk mits de generieke maatregel wordt getroffen voor tenminste dezelfde periode als dat wordt afgezien van handhavend optreden (uiterlijk medio 2025), de activiteiten die in de maatregel zijn betrokken zijn beëindigd en niet hervat kunnen worden in de periode, en een registratie wordt bijgehouden welke depositieafname door de maatregel (per hexagoon) wordt ingezet voor welk bedrijf. Uit deze uitspraak volgt ook dat het additionaliteitsvereiste, zoals dit geldt bij een passende beoordeling ten behoeve van vergunningverlening, niet van toepassing is in situaties als waarvan hier sprake is, namelijk bij de beoordeling van de vraag of handhavend optreden in een concreet geval niet onevenredig is. Van externe saldering of van de inzet van een mitigerende maatregel om een toestemming te verlenen is hier dan ook geen sprake. Daarom is niet vereist dat het college onderzoekt of de maatregel ook als passende- of instandhoudingsmaatregel kan worden ingezet. 7.
- De rechtbank is van oordeel dat het beroep van MOB, voor zover gericht tegen het besluit van 8 september 2023, gegrond is, omdat de motivering van dat besluit niet voldoet aan de in de uitspraak van 28 februari 2024 geformuleerde voorwaarden om in dit geval af te mogen zien van handhaving. Niet deugdelijk gemotiveerd is dat in het besluit van 8 september 2023, zoals dit oorspronkelijk luidde, sprake is van een redelijk evenwicht tussen de belangen van [eiseressen] als PAS-melder enerzijds en het natuurbelang anderzijds. Door enkel voor het jaar 2023 een provinciaal privaatrechtelijk bemestingsverbod in te stellen heeft het college ten onrechte niet de gevolgen voor het natuurbelang voor dezelfde periode in beeld en afgewogen als die waarin wordt afgezien van handhavend optreden. Het bestreden besluit is hierom in strijd met artikel 3:2 van de Awb niet zorgvuldig vastgesteld en berust verder in strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Awb niet op een deugdelijke motivering. Kortom, uit het voorgaande volgt dat het beroep gegrond is en dat het bestreden besluit moet worden vernietigd, omdat het niet zorgvuldig is voorbereid en niet goed is gemotiveerd. 7.
- Het college heeft evenwel in de loop van de beroepsprocedure de motivering van het bestreden besluit gewijzigd. Hierna zal de rechtbank – met het oog op finale geschilbeslechting – beoordelen of deze nadere motivering van 14 juni 2024 aanleiding geeft om de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten. Beoordeling gewijzigde motivering van 14 juni 2024 8.
- De rechtbank stelt vast dat op 14 juni 2024 door het college de motivering van het bestreden besluit is gewijzigd. Het college heeft alsnog gemotiveerd dat de provinciale privaatrechtelijke bemestingsverboden op alle hexagonen de depositie van [eiseressen] ook voor wat betreft het jaar 2025 opvangen. Ook is door het college een registratie op hexagoonniveau van [eiseressen] voor het jaar 2025 overgelegd. Verder is een toelichting gegeven op de prioriteringscategorie voor het toedelen van de uit de getroffen provinciale maatregel voortvloeiende stikstofreductie aan verschillende PAS-melders, waaronder ook [eiseressen]. 8.
- MOB heeft zich op het standpunt gesteld dat de door het college overgelegde gegevens onvoldoende verifieerbaar zijn. Zo heeft MOB erop gewezen dat onduidelijk is hoe het college tot de overgelegde uitkomsten is gekomen en of de juiste AERIUS-versie is gebruikt. 8.
- De rechtbank is van oordeel dat met de gewijzigde motivering van het bestreden besluit weliswaar tegemoet wordt gekomen aan wat de Afdeling in haar uitspraak van 28 februari 2024 heeft geoordeeld over de in aanmerking te nemen duur van het provinciale privaatrechtelijke bemestingsverbod, maar dat de motivering alsnog gebrekkig is doordat onvoldoende inzicht wordt verschaft in de aan het besluit ten grondslag gelegde registratie(gegevens). Het college heeft immers een registratie met daarin de uitkomsten van allerlei berekeningen overgelegd. Echter, niet duidelijk is – vanwege een gebrek aan inzicht in de gemaakte keuzes en de gebruikte gegevens en aannames – hoe deze berekeningen zijn uitgevoerd en dus hoe het college tot deze uitkomsten is gekomen. Met MOB is de rechtbank van oordeel dat de overgelegde uitkomsten per hexagoon niet controleerbaar zijn. Zo verschaffen de overgelegde stukken geen duidelijkheid over de verschillende variabelen die zijn ingevoerd in het gebruikte model. Zo is geen inzicht verschaft over de vraag welke gewassen verbouwd worden op de percelen waarop sprake is van depositieafname en wat de bestemming is van deze percelen. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, heeft het college al met al onvoldoende inzicht verschaft in het af te wegen natuurbelang en daarmee heeft het college onvoldoende gemotiveerd dat er een redelijk evenwicht is tussen het belang van [eiseressen] als PAS-melder enerzijds en het natuurbelang dat wordt gediend met handhavend optreden anderzijds. De rechtbank ziet zodoende geen aanleiding om de rechtsgevolgen van het gebrekkige besluit van 8 september 2023 in stand te laten. 8.
- Het beroep is gegrond. De rechtbank stelt vast dat, met het besluit van 8 september 2023, de besluiten van 12 oktober 2022, 10 november 2022 en 13 december 2022 zijn ingetrokken. Gebleken is dat er geen gronden zijn gericht tegen het besluit van 8 september 2023 voor zover daarbij de besluiten van 12 oktober 2022, 10 november 2022 en 13 december 2022 zijn ingetrokken. Gelet hierop en nu niet is gebleken dat MOB nog belang heeft bij een inhoudelijke beoordeling van de besluiten van 12 oktober 2022, 10 november 2022 en 13 december 2022, is het beroep tegen die besluiten niet-ontvankelijk. Het besluit van 8 september 2023 dient te worden vernietigd, behalve voor zover daarmee de besluiten van 12 oktober 2022, 10 november 2022 en 13 december 2022 zijn ingetrokken. 8.
- De rechtbank ziet aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb het college op te dragen om, met inachtneming van deze uitspraak een nieuw besluit op bezwaar te nemen. Beoordeling beroep [eiseressen] (22/1928) 9.
- De rechtbank ziet zich bij de beoordeling van dit beroep eerst gesteld voor het antwoord op de vraag of [eiseressen] procesbelang heeft bij de beoordeling van zijn beroep, nu het college bij het besluit van 8 september 2023 de eerder aan hem opgelegde last onder dwangsom heeft ingetrokken en besloten heeft om niet handhavend op te treden tegen [eiseressen]. 9.
- [eiseressen] stelt zich op het standpunt dat nog steeds sprake is van procesbelang. [eiseressen] wil een definitieve oplossing. Het besluit dat nu voorligt biedt slechts een tijdelijke oplossing. 9.
- De rechtbank is van oordeel dat het procesbelang van [eiseressen] als gevolg van het besluit van 8 september 2023 is komen te vervallen. De in dat besluit neergelegde weigering om handhavend op te treden tegen [eiseressen] is geen tijdelijk besluit. Dat door de weigering om handhavend op te treden geen definitieve oplossing is geboden aan [eiseressen] en dat vooralsnog niet kan worden uitgesloten dat medio 2025 een nieuwe beoordeling nodig is, doet hier niet aan af. Een definitieve oplossing voor [eiseressen] is slechts mogelijk door middel van vergunningverlening. De vraag of [eiseressen] in aanmerking kan komen voor een vergunning op grond van de Omgevingswet voor deze activiteit ligt in deze procedure niet voor. 9.
- Nu [eiseressen] geen procesbelang meer heeft bij de beoordeling van het beroep is dit beroep niet-ontvankelijk. Zoals hiervoor uiteengezet dient het besluit van 8 september 2023 als gevolg van het door MOB ingestelde beroep alsnog te worden vernietigd, behalve voor zover daarmee de besluiten van 12 oktober 2022, 10 november 2022 en 13 december 2022 zijn ingetrokken. Hierom is nog steeds geen sprake van procesbelang aan de zijde van [eiseressen]. 9.
- [eiseressen] heeft betoogd dat de redelijke termijn, als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: het EVRM), is overschreden. Uit het eerste lid van dat artikel, voor zover van belang, volgt dat een ieder bij het bepalen van de gegrondheid van een tegen hem ingestelde vervolging recht heeft op een eerlijke en openbare behandeling van zijn zaak, binnen een redelijke termijn, door een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat bij de wet is ingesteld. 9.
- De rechtbank overweegt dat voor de bezwaar- en beroepsfase tezamen een termijn van twee jaar geldt als een redelijke termijn. Wordt deze overschreden, dan moet de overheid € 500 aan immateriële schadevergoeding betalen voor ieder half jaar overschrijding. Voor de bezwaarfase bij het bestuursorgaan wordt daarbij uitgegaan van een termijn van een half jaar, voor de procedure bij de rechtbank van anderhalf jaar. De rechtbank is van oordeel dat de redelijke termijn hier is gestart op 25 mei 2020, toen MOB bezwaar maakte tegen de afwijzing van het handhavingsverzoek. Deze termijn is daarmee op 25 mei 2022 verstreken. Dit is een overschrijding van de redelijke termijn met ruim 30 maanden. 9.
- De rechtbank is van oordeel dat deze overschrijding van de redelijke termijn aan het college moet worden toegerekend. In dit verband is van belang dat sprake is geweest van wisselende besluiten en een gewijzigde motivering hangende beroep. Het college dient hierom [eiseressen] schadevergoeding te betalen wegens overschrijding van de redelijke termijn. Deze schadevergoeding bedraagt in totaal € 2.
- Conclusie en gevolgen 10.
- Het beroep, voor zover ingesteld door [eiseressen], is niet-ontvankelijk. Het college moet wel het griffierecht aan [eiseressen] vergoeden. Het college heeft het aanvankelijk genomen besluit van 12 oktober 2022, waartegen [eiseressen] beroep heeft ingesteld, immers herroepen. [eiseressen] krijgt ook een vergoeding van haar proceskosten. Tevens wordt aan [eiseressen] een schadevergoeding van € 2.500 toegekend wegens overschrijding van de redelijke termijn. 10.
- Het beroep, voor zover ingesteld door MOB, is gegrond. Het besluit van 8 september 2023 dient te worden vernietigd, voor wat betreft de weigering om handhavend op te treden tegen [eiseressen]. Het college dient, met inachtneming van wat in deze uitspraak is overwogen, opnieuw op het bezwaar van MOB te beslissen. Het college moet het griffierecht aan MOB vergoeden. Ook krijgt MOB vergoeding van haar proceskosten. Beslissing De rechtbank: - verklaart het beroep van [eiseressen] tegen het besluit van 12 oktober 2022 niet-ontvankelijk; - verklaart het beroep van MOB tegen het besluit van 8 september 2023 gegrond; - vernietigt het besluit van 8 september 2023, behalve voor zover daarmee de besluiten van 12 oktober 2022, 10 november 2022, en 13 december 2022 zijn ingetrokken; - bepaalt dat het college met inachtneming van wat in deze uitspraak is overwogen binnen 16 weken na deze uitspraak opnieuw op het bezwaar van MOB dient te beslissen; - veroordeelt het college tot betaling van een schadevergoeding van € 2.500 aan [eiseressen] wegens overschrijding van de redelijke termijn; - veroordeelt het college in de proceskosten, die begroot worden op € 1.750,- te betalen aan Klein Krom Kromhof; - veroordeelt het college in de proceskosten, die begroot worden op € 1.750,- te betalen aan MOB; - draagt het college op om het betaalde griffierecht van € 365,- aan [eiseressen] te vergoeden; - draagt het college op om het betaalde griffierecht van € 365,- aan MOB te vergoeden. Deze uitspraak is gedaan door mr. J.W.M. Bunt, voorzitter, mr. A.W.C.M. van Emmerik en mr. B.A.J. Haagen, leden, in aanwezigheid van mr. A. van der Weij, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op . griffier voorzitter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. ECLI:NL:RVS:2019:1603 20/1926, ECLI:NL:RBOVE:2022:197 22/1928 23/2388 20/1926, ECLI:NL:RBOVE:2022:197 ECLI:NL:RVS:2024:838