RECHTBANK Overijssel Civiel recht Zittingsplaats Zwolle Zaaknummer: C/08/323222 / KG ZA 24-224 Vonnis in kort geding van 20 december 2024 in de zaak van [eiser] , wonende te [eiser], eisende partij, hierna te noemen: [eiser], advocaat: mr. R.D. Woltinge tegen 1 [gedaagde 1], wonende te [woonplaats 1],2. [gedaagde 2], wonende te [woonplaats 2], gedaagde partijen, hierna te noemen: [gedaagde 1] en [gedaagde 2], advocaat: mr. J.W. Vreugdenhil. 1De zaak in het kort 1.1. Partijen zijn in 2021 een bedrijf begonnen in de vorm van een vennootschap onder firma. [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hebben in september 2024 in een brief aan [eiser] geschreven dat zij de vof hebben ontbonden, en zijn zonder [eiser] verder gegaan met het bedrijf. Volgens [eiser] heeft de ontbinding door [gedaagde 1] en [gedaagde 2] geen effect gehad, en bestaat de vof nog steeds. In deze procedure vraagt [eiser] onder meer om hem weer alle rechten als vennoot toe te kennen. 1.2. De voorzieningenrechter zal hierna tot het voorlopige oordeel komen dat de ontbinding door [gedaagde 1] en [gedaagde 2] geen effect heeft gehad, omdat zij die ontbinding op grond van de vennootschapsovereenkomst door de rechter in een bodemprocedure hadden moeten laten beoordelen. Dat betekent dat de vof nog bestaat en dat [eiser] nog steeds volwaardig vennoot is, met de rechten die daarbij horen. De vordering van [eiser] die daar op ziet zal worden toegewezen. 2De procedure 2.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: - de dagvaarding, uitgebracht op 27 november 2024,- de nadere producties van [eiser],- de producties van [gedaagde 1] en [gedaagde 2],- de mondelinge behandeling van 6 december 2024, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt,- de pleitnota van [eiser]. 2.2. Omdat partijen onderling niet tot een minnelijke oplossing zijn gekomen, hebben zij de voorzieningenrechter gevraagd vonnis te wijzen. Het vonnis is bepaald op vandaag. 3De feiten 3.1. Partijen zijn een bedrijf gestart voor de verkoop van badkamerartikelen, in de vorm van een vennootschap onder firma (hierna: de vof), met de naam “[naam vof]”. Op 7 juli 2021 hebben partijen een vennootschapsovereenkomst ondertekend. In deze overeenkomst staat dat partijen geschillen zullen oplossen door middel van arbitrage. Verder staan onder meer de volgende bepalingen in de overeenkomst: “Artikel 3 - De vennootschap is voor onbepaalde tijd aangegaan. - Ieder der vennoten heeft het recht de vennootschap door opzegging te beëindigen, mits dit geschiedt bij aangetekende brief aan de andere vennoot, met inachtneming van een opzegtermijn van ten minste drie maanden en niet anders dan tegen het einde van een boekjaar. Artikel 12 De vennootschap eindigt: (…) D Ieder van de vennoten heeft bovendien het recht de onmiddellijke ontbinding van de vennootschap te vorderen, indien de andere vennoot een van de bepalingen van deze overeenkomst overtreedt, niet nakomt of niet behoorlijk nakomt.” 3.2. In de vennootschapsovereenkomst zijn partijen een winstverdeling overeengekomen. In artikel 10 onder 4 hebben partijen afgesproken dat het winstaandeel van [gedaagde 2] 40% is, dat van [gedaagde 1] 35% en dat van [eiser] 25%. Deze verdeling heeft te maken met het feit dat [eiser] de studie Commerciële Economie aan Hogeschool [hogeschool] volgt, en daardoor verminderd beschikbaar is om voor de vof te werken. [gedaagde 1] en [gedaagde 2] volgen geen studie (meer), maar [gedaagde 1] heeft naast de vof nog een eigen eenmanszaak, zodat ook hij bij start van de vof een iets minder groot winstaandeel heeft afgesproken. 3.3. Het winstaandeel en de hoeveelheid werkuren van [eiser] is tussentijds aangepast in verband met zijn studie. 3.4. In juni, juli en augustus 2024 hebben partijen ten laste van de vof € 500,00 aan alle vennoten laten uitkeren. Vanaf september 2024 heeft [eiser] geen vergoeding meer ontvangen vanuit de vof. 3.5. Begin september 2024 hebben partijen met elkaar gesproken. Hierbij hebben [gedaagde 1] en [gedaagde 2] aangegeven dat zij afscheid willen nemen van [eiser] als vennoot van de vof. Vervolgens zijn partijen in overleg gegaan over een uittreding van [eiser] als vennoot van de vof. Door [gedaagde 1] en [gedaagde 2] is een concept-uittredingsovereenkomst opgesteld, die zij aan [eiser] hebben voorgelegd. [eiser] heeft deze concept-uittredingsovereenkomst niet ondertekend. 3.6. Bij brief van 27 september 2024 aan [eiser] heeft de advocaat van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] geschreven dat zij de vof op grond van artikel 12 onder D van de vennootschapsovereenkomst buitengerechtelijk ontbonden per 1 oktober 2024. In deze brief staat dat tekortkomingen van [eiser] als vennoot de reden zijn van de ontbinding. 3.7. De advocaat van [eiser] heeft bij brief van 1 oktober 2024 op de brief van 27 september 2024 gereageerd. In deze brief is de advocaat van [eiser] op de gestelde tekortkomingen van [eiser] ingegaan en heeft hij [gedaagde 1] en [gedaagde 2] gesommeerd [eiser] alle rechten als vennoot toe te kennen. 3.8. [gedaagde 1] heeft een wijzigingsverzoek ingediend bij de Kamer van Koophandel (KvK), die de uitschrijving van [eiser] als vennoot van vof inhoudt. 4Het geschil 4.1. [eiser] vordert – kort samengevat – veroordeling van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] om binnen 24 uur na betekening van dit vonnis [eiser] alle rechten als vennoot te verschaffen, op straffe van een dwangsom, als ook veroordeling van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] om [eiser] ten laste van de vennootschap de maandelijkse vergoeding van € 500,00 te betalen, vanaf september 2024, met een maximum van € 50.000,00 en met veroordeling van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] in de proceskosten. 4.2. [gedaagde 1] en [gedaagde 2] voeren verweer. 4.3. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan. 5De beoordeling Voorafgaande kwestie: de voorzieningenrechter is bevoegd 5.1. Partijen zijn in het vennootschapscontract overeengekomen dat zij geschillen door middel van arbitrage zullen oplossen, en niet door de rechter. Dat betekent dat de voorzieningenrechter eerst moet onderzoeken of zij ondanks deze arbitrageclausule bevoegd is om de vordering van [eiser] te behandelen. Op de zitting is door [gedaagde 1] en [gedaagde 2] verklaard dat zij er geen probleem mee hebben dat deze zaak door de voorzieningenrechter wordt behandeld. Gelet daarop is de voorzieningenrechter bevoegd en kan zij de vordering van [eiser] inhoudelijk beoordelen. Het toetsingskader in kort geding 5.2. Het gaat hier om een in kort geding gevorderde voorlopige voorziening. De rechter moet daarom eerst beoordelen of [eiser] ten tijde van dit vonnis bij die voorziening een spoedeisend belang heeft. Daarnaast geldt dat de rechter in dit kort geding moet beoordelen of de vorderingen in de bodemprocedure een zodanige kans van slagen hebben, dat vooruitlopend daarop toewijzing van de voorlopige voorziening gerechtvaardigd is. Als uitgangspunt geldt bovendien dat in deze procedure geen plaats is voor bewijslevering. Spoedeisend belang 5.3. [eiser] heeft aangevoerd dat hij wat betreft de vof buitenspel staat en dat [gedaagde 1] en [gedaagde 2] een voortdurende, onrechtmatige inbreuk maken op zijn rechten als vennoot. De voorzieningenrechter is van oordeel dat de spoedeisendheid daarmee uit de stellingen van [eiser] voortvloeit. De inhoudelijke beoordeling: bestaat de vof nog? 5.4. [eiser] vordert – kort gezegd – om verschaffing van zijn rechten als vennoot van de vof. Die vordering is alleen toewijsbaar als de vof nog bestaat. Daarom zal de voorzieningenrechter eerst voorlopig moeten beoordelen of de buitengerechtelijke ontbinding van de vof door [gedaagde 1] en [gedaagde 2] effect heeft gehad. 5.5. [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hebben de ontbinding van de vof gebaseerd op artikel 12 onder D van het vennootschapscontract. Om te kunnen beoordelen of dat artikel aan de vennoten de bevoegdheid geeft de vof buitengerechtelijk te ontbinden, moet deze bepaling worden uitgelegd. Dat gebeurt aan de hand van de zogeheten Haviltex-maatstaf. Deze maatstaf houdt in dat de vraag wat tussen partijen is overeengekomen niet moet worden beantwoord door alleen maar een taalkundige uitleg van datgene wat zij schriftelijk zijn overeengekomen maar ook door acht te slaan op de betekenis die partijen in de gegeven omstandigheden van het geval over en weer redelijkerwijs aan elkaars verklaringen en gedragingen mochten toekennen en op hetgeen zij in dat opzicht redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten. Daarbij zijn alle omstandigheden van het geval van belang, in hun onderlinge samenhang bezien. Ook gedragingen van partijen na het sluiten van de overeenkomst kunnen van belang zijn voor de aan de overeenkomst te geven uitleg. 5.6. Op de zitting hebben partijen uitgelegd hoe het vennootschapscontract tot stand is gekomen. Eén van de drie vennoten heeft een modelovereenkomst van internet gehaald, waarna zij het contract hebben ingevuld en waar nodig aangepast. Dit heeft volgens partijen niet meer dan een uur geduurd. Over de inhoud of de betekenis van de specifieke bepalingen in het contract hebben partijen het niet gehad. Dit maakt dat de voorzieningenrechter is aangewezen op de bewoordingen van artikel 12 onder D. Naar het voorlopige oordeel van de voorzieningenrechter moeten die als volgt worden uitgelegd. In artikel 12 onder D staat dat ieder van de vennoten het recht heeft onmiddellijk de ontbinding van de vennootschap te vorderen. Onder “vorderen” moet naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter het instellen van een vordering bij de rechter worden verstaan. Als bedoeld was om de vennoten de bevoegdheid te geven om de vof buitengerechtelijk te ontbinden, ligt de bewoording “vorderen” namelijk niet voor de hand. In dat geval zou “inroepen” een meer logische woordkeuze zijn, of de neutrale bewoordingen dat de vennoten “bevoegd zijn de vof te ontbinden”. Ook geeft de tekst van artikel 12 onder D naar het voorlopige oordeel van de voorzieningenrechter geen aanleiding om aan te nemen dat bedoeld is een (of meer) ontbindende voorwaarde(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.