RECHTBANK OVERIJSSEL Team Strafrecht Zittingsplaats Almelo Parketnummer: 08-952675-17 Datum vonnis: 23 december 2024 Vonnis op tegenspraak van de rechtbank Overijssel, meervoudige kamer voor strafzaken, rechtdoende op de vordering op grond van artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht (Sr) van de officier van justitie ten aanzien van de veroordeelde: [veroordeelde], geboren op [geboortedatum] 1982 in [geboorteplaats], wonende aan de [adres], bijgestaan door zijn raadsman mr. R.J.H. van der Wal, advocaat in Hengelo (O). 1De vordering van de officier van justitie De officier van justitie vordert dat de rechtbank het bedrag vaststelt waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel als bedoeld in artikel 36e Sr wordt geschat en [veroordeelde] de verplichting oplegt tot betaling aan de Staat van het geschatte voordeel tot een bedrag van € 336.702,
- 2De procedure De vordering is behandeld op de openbare terechtzittingen van 5 november 2024, 7 november 2024 en 12 december
- Standpunt van de officier van justitie Op de zitting van 5 november 2024 heeft de officier van justitie verzocht om de vordering tot ontneming af te wijzen, omdat niet concreet is vast te stellen of en in welke mate sprake is van wederrechtelijk verkregen voordeel. Standpunt van de verdediging De raadsman heeft, vanwege de door hem in de hoofdzaak bepleite vrijspraak van feit 2 (het medeplegen van witwassen), op de zitting van 7 november 2024 verzocht om de ontnemingsvordering af te wijzen. 3De beoordeling van de vordering De vordering tot ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel is gebaseerd op voordeel dat zou zijn verkregen uit het medeplegen van de uitvoer van en handel in verdovende middelen (harddrugs) alsmede witwassen, zoals in de hoofdzaak onder feit 1 respectievelijk feit 2 is ten laste gelegd. [veroordeelde] is bij vonnis van 23 december 2024 vrijgesproken van het onder feit 2 ten laste gelegde. Voor het onder feit 1 ten laste gelegde is [veroordeelde] veroordeeld, maar enkel voor wat betreft het opzettelijk aanwezig hebben van een hoeveelheid amfetamine. De rechtbank overweegt dat het dossier onvoldoende concrete aanwijzingen bevat dat daadwerkelijk voordeel is verkregen uit het feit waarvoor [veroordeelde] is veroordeeld of uit andere strafbare feiten die door hem zijn begaan, zodat op grond van artikel 36e, tweede lid Sr, geen wederrechtelijk verkregen voordeel kan worden ontnomen. De rechtbank komt dan ook tot de conclusie dat de vordering tot ontneming moet worden afgewezen. 4De beslissing De rechtbank: - wijst de vordering tot ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel af. Dit vonnis is gewezen door mr. E. Venekatte, voorzitter, mr. R.G.J. Gehring en mr. T.M. Weeda, rechters, in tegenwoordigheid van mr. S.R. Kuiper en mr. E.A.B. Kroeze, griffiers, en is in het openbaar uitgesproken op 23 december
- Mr. R.G.J. Gehring is niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.