RECHTBANK Overijssel Civiel recht Zittingsplaats Zwolle Zaaknummer: C/08/302514 / HA ZA 23-360 Vonnis van 31 juli 2024 in de zaak van [eiser] , te [woonplaats 1] , eisende partij, hierna te noemen: [eiser] , advocaat: mr. H.M. van Eerten, tegen [gedaagde] , te [woonplaats 2] , gedaagde partij, hierna te noemen: [gedaagde] , advocaat: mr. T.J. van Veen. 1De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: - de dagvaarding; - de conclusie van antwoord; - de brief waarin een mondelinge behandeling is bepaald; - de akte inbreng producties 11 t/m 23 van [eiser] ; - de mondelinge behandeling van 4 april 2024, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt; - de spreekaantekeningen van de advocaat van [eiser] . 1.2. Ten slotte is vonnis bepaald. 2De feiten 2.1. [eiser] is eigenaar van het perceel aan de [adres 1] . 2.2. [gedaagde] was eigenaar van het naastgelegen perceel aan de [adres 2] . 2.3. Op beide percelen (hierna: de Percelen) werd vroeger het agrarisch bedrijf uitgeoefend, en staan ook bedrijfswoningen. [eiser] en [gedaagde] wonen in de bedrijfswoningen op hun percelen. Beide percelen zijn in de omgeving verder omgeven door woningen, maar op de percelen rust (nog) een agrarische bestemming. 2.4. In oktober 2022 is partijen van de zijde van de gemeente Kampen (hierna: de Gemeente), waaronder [plaats] valt, meegedeeld dat medewerking zou kunnen worden verleend aan de wijziging van de bestemming van de Percelen. Wijziging in die zin dat de daarop rustende bestemming de mogelijkheid zou gaan bieden om daarop meerdere woningen te bouwen. Basis daarvoor zou zijn een in een eerder stadium door de gemeenteraad aanvaardbaar bevonden stedenbouwkundig schetsplan. Dat plan voorziet in de realisatie van zeven woningen op elk van de locaties van de Percelen, naast een herbestemming van de daarop aanwezige bedrijfswoningen tot ‘gewone’, dat wil zeggen niet langer aan een agrarische bestemming gebonden woningen. Daarbij gold wel dat er bij (de bevoegde organen van) de Gemeente enkel bereidheid was om de bestemmingsplanwijziging van de Percelen tezamen te realiseren, dus door middel van één bestemmingsplan. 2.5. Een opinienota van 8 november 2022 die het college van B&W van de Gemeente aan de gemeenteraad van de Gemeente heeft doen toekomen, en die de planontwikkeling van de Percelen tot onderwerp heeft, vermeldt onder meer het volgende: “Samenvatting Na intensief overleg met de eigenaren van de percelen aan de [adres 1] en [adres 2] is consensus bereikt over een stedenbouwkundig schetsplan. Met dit plan wordt bereikt dat een jarenlang conflict wordt beëindigd. (…)” (p. 1) “(…) Dit overleg heeft geleid tot een stedenbouwkundig plan, waarmee beide eigenaren (bij wijze van compromis) kunnen instemmen. Dit plan is ook (ambtelijk) afgestemd met de provincie. Het resultaat is vastgelegd in een verkavelingsschets d.d. 8-9-2022.” (p. 4) 2.6. Partijen hebben zich in hun contacten met (ambtenaren van) de Gemeente laten bijstaan door adviseurs. Er hebben tussen deze personen meerdere gesprekken plaatsgevonden in verband met de voorgenomen bestemmingswijziging. 2.7. In december 2022 heeft [gedaagde] de adviesrelatie beëindigd met de heer [naam 1] (hierna: [naam 1]), die tot dan toe als zijn adviseur optrad. De achtergrond van deze beëindiging was gelegen in een conflict over de vraag of [naam 1] al dan niet tevens de belangen behartigde van de heer [naam 2] , een neef van [gedaagde] , die interesse had in het perceel van [gedaagde] . 2.8. In januari en juli 2023 hebben adviseurs van [eiser] aan (de adviseur van) [gedaagde] aangegeven dat [eiser] van mening is dat [gedaagde] de procedure om tot bestemmingsplanwijziging te komen vertraagt en dat hij aansprakelijk wordt gehouden voor schade die [eiser] als gevolg daarvan lijdt. 2.9. Op 2 augustus 2023 heeft [gedaagde] zijn perceel verkocht aan een vennootschap die in eigendom toebehoort aan [naam 2] . Vanaf dat moment heeft [naam 2] de activiteiten met betrekking tot de beoogde bestemmingswijziging van het perceel van [gedaagde] overgenomen. De levering heeft plaatsgevonden medio september 2023. In de koopovereenkomst is bepaald dat [gedaagde] en zijn echtgenote in de woning mogen blijven wonen totdat sprake is van een onherroepelijke bestemmingswijziging. 2.10. Vanaf omstreeks 2 augustus 2023 is [naam 1] , onder aansturing van [naam 2] , weer als adviseur gaan optreden in de contacten met de adviseur van [eiser] en met (ambtenaren van) de Gemeente. 2.11. Op 23 augustus 2023 heeft [eiser] na daartoe verkregen verlof conservatoir beslag gelegen op het perceel van [gedaagde] . 2.12. Ten tijde van de mondelinge behandeling in deze zaak was de verwachting dat het bestemmingsplan (deelplan) [adres 1] en [adres 2] door de gemeenteraad van de gemeente Kampen tijdens de raadsvergadering van 18 april 2024 (als hamerstuk) zou worden vastgesteld. 3Het geschil 3.1. [eiser] vordert dat de rechtbank, uitvoerbaar bij voorraad: I. verklaart voor recht dat [gedaagde] jegens [eiser] aansprakelijk is voor de vermogensbenadeling van [eiser] ten gevolge van de omstandigheid dat de procedure tot indiening van het ontwerp-bestemmingsplan met betrekking tot de locaties [adres 1] en [adres 2] bij de raad van de gemeente Kampen in de periode vanaf januari 2023 tot en met tenminste augustus 2023 heeft stilgelegen; II. verklaart voor recht dat [eiser] ten gevolge van de hiervóór onder I. verweten gedraging gedurende de aldaar genoemde periode een vertragings(rente)schade heeft gelegen van € 50.120,00 en [gedaagde] veroordeelt dat bedrag aan [eiser] te voldoen, met wettelijke rente vanaf 1 september 2023; III. [gedaagde] veroordeelt in de proceskosten, de beslagkosten (ad € 1.883,11) en de nakosten. 3.2. Aan zijn vorderingen legt [eiser] het volgende ten grondslag. Partijen hebben zich tegenover elkaar verplicht om één gezamenlijk bestemmingsplan met betrekking tot beide Percelen in te dienen. [gedaagde] heeft deze verplichting door stil te zitten in de periode januari tot augustus 2023 volledig verzaakt. Dat heeft schade veroorzaakt voor [eiser] , die hij heeft becijferd op € 50.120,00. [gedaagde] is daarvoor op grond van toerekenbare tekortkoming of onrechtmatige daad aansprakelijk, aldus [eiser] . 3.3. [gedaagde] voert verweer. [gedaagde] concludeert tot afwijzing van de vorderingen van [eiser] , met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [eiser] in de kosten van deze procedure. 3.4. Op de stellingen van partijen wordt hierna verder ingegaan voor zover dat nodig is voor de beoordeling van de vorderingen. 4De beoordeling 4.1. Aan zijn vorderingen legt [eiser] de stelling ten grondslag dat sprake is van een afspraak tussen partijen, die meebrengt dat [gedaagde] (evenals [eiser] zelf) het bestemmingsplantraject voortvarend en zonder vertraging zou moeten doorlopen. [gedaagde] heeft dit volgens [eiser] niet gedaan door in de maanden januari tot aan augustus 2023 stil te zitten. [eiser] stelt in de eerste plaats dat [gedaagde] hierdoor in strijd heeft gehandeld met een overeenkomst tussen partijen, en als dat niet zo zou zijn in elk geval uit onrechtmatige daad jegens hem aansprakelijk is. 4.2. De rechtbank komt tot het oordeel dat [gedaagde] noch in strijd met een overeenkomst tussen partijen, noch onrechtmatig heeft gehandeld. Daartoe geldt het volgende. Geen handelen in strijd met een overeenkomst 4.3. [eiser] stelt zich op het standpunt dat partijen zich – mondeling – tegenover elkaar hebben verplicht om gezamenlijk te komen tot de indiening van één ontwerpbestemmingsplan met betrekking tot de Percelen. Tussen partijen staat niet ter discussie dat dit op enig moment in december 2023 is gebeurd. De verwachting van partijen ten tijde van de mondelinge behandeling was dat het bestemmingsplan op 18 april 2024 ook daadwerkelijk door de gemeenteraad van de Gemeente zal zijn vastgesteld. Het punt is dus niet zozeer het uiteindelijke resultaat, maar de duur van het proces: [eiser] stelt zich op het standpunt dat [gedaagde] gedurende de maanden januari 2023 tot aan begin augustus 2023 volledig heeft stilgezeten, of in ieder geval geen zinvolle medewerking heeft verleend aan de indiening van een ontwerpbestemmingsplan. De afspraken tussen partijen zouden echter meebrengen dat [gedaagde] dat niet zomaar mocht doen. Om die reden is [gedaagde] aansprakelijk voor de schade die voor [eiser] het gevolg is van de vertraging die het proces gedurende die maanden januari tot augustus 2023 heeft opgelopen, aldus nog steeds [eiser] . 4.4. Tijdens de mondelinge behandeling heeft [eiser] op vragen van de rechtbank onder woorden gebracht wat precies de verplichting is die hij [gedaagde] verwijt niet te zijn nagekomen. [eiser] heeft aangegeven dat [gedaagde] (evenals [eiser] ) de verplichting op zich heeft genomen om de procedure tot bestemmingswijziging te doorlopen conform het stedenbouwkundig plan zoals dat in het najaar van 2022 op tafel lag. De opinienota van 8 november 2022 (zie rechtsoverweging 2.5.) zou dat aantonen. Deze verplichting zou [gedaagde] concreet hebben geschonden door niet al in december 2022 een koopovereenkomst ten aanzien van zijn perceel te sluiten met [naam 2] , dan wel deze gestand te doen. [eiser] verwijst hiermee naar een situatie die zich voordeed in december 2022, toen [naam 2] zich tegenover [gedaagde] op het standpunt stelde dat hij (al dan niet via vertegenwoordiging door [naam 1] ) het perceel van [gedaagde] had gekocht. Die koop is toen niet geëffectueerd omdat [gedaagde] zich op het standpunt stelde dat die overeenkomst niet (rechtsgeldig) tussen hen tot stand was gekomen. In verband met dat standpunt heeft [gedaagde] in die periode eveneens de adviesrelatie met zijn toenmalige adviseur [naam 1] , die door [naam 2] werd betaald, beëindigd. De rechtbank heeft [eiser] tijdens de mondelinge behandeling zo begrepen, dat [gedaagde] anders had moeten handelen door (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.