RECHTBANK OVERIJSSEL Zittingsplaats Almelo Bestuursrecht zaaknummer: ZWO 24/3541 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [eiser], uit [woonplaats], eiser (gemachtigde: mr. Y.N. Teke-Bozkurt), en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen, het UWV (gemachtigde: P. Spoelstra). Inleiding
- In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het besluit van het UWV waarin zijn bezwaarschrift niet-ontvankelijk is verklaard vanwege termijnoverschrijding. 1.
- Het UWV heeft de aanvraag van eiser op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA) met het besluit van 15 juli 2024 afgewezen. Met het bestreden besluit van 12 september 2024 op het bezwaar van eiser heeft het UWV het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard vanwege termijnoverschrijding. 1.
- Het UWV heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. 1.
- De rechtbank heeft het beroep op 14 januari 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van het UWV. Tevens is verschenen de echtgenote van eiser. Totstandkoming van het besluit
- Eiser was werkzaam als [beroep] voor gemiddeld 39,77 uur per week. Op 5 september 2022 heeft hij zich ziek gemeld. Eiser heeft op 20 mei 2024 een WIA-uitkering aangevraagd. Vervolgens heeft de verzekeringsgeneeskundige en arbeidsdeskundige beoordeling plaatsgevonden. Daarbij is het arbeidsongeschiktheidspercentage van eiser vastgesteld op 2,10%. Eiser heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt. Het UWV heeft het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard omdat eiser het bezwaar niet binnen de gestelde termijn van 6 weken heeft ingediend en niet gebleken is dat deze termijnoverschrijding verschoonbaar is. Beoordeling door de rechtbank
- Niet in geschil is dat het bezwaarschrift niet tijdig is ingediend. In geschil is de vraag of de termijnoverschrijding verschoonbaar is. 4.1 Eiser stelt dat het UWV zijn bezwaarschrift ontvankelijk had moeten verklaren. Ter onderbouwing heeft hij verwezen naar de op verzoek van het College van Beroep voor het bedrijfsleven (CBb) door de AG Widdershoven genomen conclusie van 7 september 2023, (ECLl:NL:CBB:2023:476). Zijn termijnoverschrijding is verschoonbaar. Het besluit werd verzonden terwijl hij met vakantie was, waardoor hij op dat moment geen kennis kon nemen van het besluit. Het UWV wist dat hij afwezig zou zijn vanwege vakantie in Turkije omdat dit telefonisch tijdens het spreekuur van de arbeidsdeskundige op 11 juli 2024 expliciet is aangegeven. Na terugkomst van vakantie heeft eiser, bij gebrek aan een volledig begrip van de Nederlandse taal en omdat hij afhankelijk is van derden om dergelijke belangrijke correspondentie te kunnen lezen en begrijpen, pas op een later moment adequaat kunnen handelen. De hulp waarop eiser normaliter aangewezen is, was gelijk met hem op vakantie en was toen hij zelf weer terug was, nog niet beschikbaar. Op het moment dat eiser met de ook weer teruggekeerde hulp uiteindelijk kennisnam van het besluit, heeft hij zo spoedig mogelijk actie ondernomen om bezwaar in te dienen. 4.2 Eiser wijst erop dat de AG in genoemde conclusie heeft verduidelijkt dat de verschoonbaarheid van een termijnoverschrijding kan worden aangenomen in geval van overmachtssituaties die buiten de invloedsfeer van de indiener vallen De benadering zoals gehanteerd door het CBb geeft aan dat in gevallen van een geringe verwijtbaarheid van de indiener de termijnoverschrijding verschoonbaar kan zijn. Dit biedt in onderhavige zaak grond voor een meer individuele en contextuele beoordeling, waarbij rekening wordt gehouden met de specifieke belemmeringen van eiser.Gelet op de in de conclusie geformuleerde contextuele benadering, kan volgens eiser zijn situatie worden gekwalificeerd als een situatie met geringe verwijtbaarheid. De persoonlijke omstandigheden van cliënt vallen binnen het kader van bijzondere omstandigheden waarin het CBb het aanmerken van de termijnoverschrijding als verschoonbaar mogelijk acht.
- Het beroep is gegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
- In de uitspraken van 8 mei 2024 heeft de Centrale Raad van Beroep (CRvB) het nieuwe toetsingskader aangaande termijnoverschrijdingen uiteengezet, waarbij is aangesloten bij de eerdere rechtspraak van het CBb, naar aanleiding van de eerder genoemde conclusie. 6.1 Op grond van artikel 6:11 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) blijft ten aanzien van een na afloop van de termijn ingediend bezwaarschrift niet-ontvankelijkverklaring op grond daarvan achterwege indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest. Bij de toepassing van dit artikel moeten, naast toegang tot de rechter, ook de rechtszekerheid, voorspelbaarheid en rechtsgelijkheid worden betrokken. Dat geldt ook voor het belang van een goed uitvoerbare bestuurspraktijk en een efficiënte rechtspleging. Belangen die met het materiële geschil zijn gemoeid, zijn bij die beoordeling niet relevant. 6.2 Beoordeeld moet worden of het niet tijdig indienen van het bezwaarschrift aan de indiener kan worden toegerekend. Daarbij is van belang of de termijnoverschrijding het gevolg is van bijzondere omstandigheden die de indiener betreffen, of deze is veroorzaakt door het handelen of nalaten van het bestuursorgaan en of sprake is van een andere reden die tot die overschrijding heeft geleid. Bij bijzondere omstandigheden die de indiener betreffen kan in de eerste plaats gedacht worden aan persoonlijke omstandigheden aan de zijde van de indiener zelf, zoals psychisch onvermogen, ernstige ziekte of ongeval van de indiener, of ziekte of overlijden van diens naasten en de zorgtaken die daarmee gepaard gaan. In de tweede plaats valt te denken aan externe omstandigheden die voor overbelasting of stress bij de indiener zorgen. 6.3 Bij de beoordeling van de verschoonbaarheid in geval van een beroep op bijzondere omstandigheden die de indiener betreffen wordt een op het individuele geval gerichte, contextuele benadering gevolgd. Dit betekent dat alle omstandigheden van het geval in hun samenhang moeten worden bezien. Als zich bijzondere omstandigheden voordoen, moet de indiener minder snel worden tegengeworpen dat deze zaken had kunnen organiseren om termijnoverschrijding te voorkomen. 6.4 Als onderdeel van de contextuele benadering kan bij de beoordeling van de vraag naar de toerekening aandacht worden besteed aan de hoedanigheid van de indiener, of de indiener zich heeft laten bijstaan door een rechtshulpverlener of andere derde, de omvang van de termijnoverschrijding, de partijconstellatie en de positie van het bestuursorgaan.Als het gaat om het bewijs van bijzondere omstandigheden die de indiener betreffen, bestaat aanleiding voor een minder strikte benadering dan uit vroegere rechtspraak volgt. Dit betekent onder meer dat aan de bewijsmiddelen en de daaraan te verbinden bewijskracht geen in de context van het geval onnodig hoge eisen mogen worden gesteld.
- Naar het oordeel van de rechtbank geeft de samenloop van de door eiser aangevoerde omstandigheden blijk van bijzondere omstandigheden op grond waarvan het niet tijdig indienen van het bezwaarschrift hem niet kan worden toegerekend. Hiervoor is het volgende van belang. 7.1 Eiser is op 5 juli 2024 op het spreekuur verschenen bij de verzekeringsarts, waarbij eiser is bijgestaan door zijn echtgenote. Uit de rapportage van de verzekeringsarts van 7 juli 2024 blijkt dat eiser daar heeft gemeld dat hij voor vier of vijf weken naar Turkije wil voor vakantie, maar dat hij de exacte data nog niet weet en dat hij ook niet weet wat hij verder moet doen om dit bij het UWV te melden.Op 11 juli 2024 heeft de echtgenote van eiser telefonisch contact gehad met de arbeidsdeskundige. Zij heeft daarbij aangegeven dat zij en eiser op 15 juli 2024 voor een aantal weken naar Turkije zullen vertrekken. Blijkens het betreffende rapport, heeft de arbeidsdeskundige in dit gesprek verteld dat eiser niet in aanmerking zal komen voor een WIA-uitkering en dat als hij het daar niet mee eens is, hij bezwaar kan maken.Op 15 juli 2024 heeft het UWV de bestreden beslissing afgegeven. Degenen die normaliter de post van eiser in de gaten konden houden waren ook op vakantie. Eiser en zijn echtgenote keerden terug van hun verblijf in Turkije op 21 augustus
- Op 26 augustus 2024 verstreek de bezwaartermijn. Eiser heeft ter zitting aangegeven dat hij in de dagen na zijn terugkeer gezocht heeft naar hulp om het besluit te begrijpen. Hij spreekt gebrekkig Nederlands. De communicatie met instanties verloopt daarom doorgaans via zijn echtgenote, die evenmin vloeiend Nederlands spreekt.Zoals door het UWV naar voren is gebracht heeft eiser op 26 augustus 2024 een digitale Werkloosheidswet (WW) aanvraag gedaan. De gemachtigde van eiser heeft ter zitting uitgelegd, dat eiser de website liet vertalen en op die manier wist wat hij waar in moest vullen.Uit de overgelegde telefoonrapporten van het UWV blijkt dat de echtgenote van eiser op 3 september 2024 contact heeft gehad met het Klantcontact centrum (KCC) van het UWV met de vraag waarom de WIA-aanvraag was afgewezen. Voorts zijn op 5 september 2024 opnieuw telefonisch contacten geweest met het KCC met de vragen of gesolliciteerd moest worden als sprake is van ziekte, hoe eiser een nieuwe ziekmelding door moet geven en hoe hij gebruik kan maken van de no-riskpolis.Het bezwaarschrift dateert van 6 september
- De gemachtigde van eiser heeft toegelicht dat hij dit heeft opgesteld met hulp van een kennis, die inmiddels weer was teruggekeerd van vakantie.Deze gang van zaken is door het UWV als zodanig niet bestreden. 7.2 Gelet op deze feiten en omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat het verschoonbaar is dat eiser niet tijdig bezwaar heeft gemaakt tegen het primaire besluit. Daarbij is van belang dat eiser bij zowel de verzekeringsarts als bij de arbeidsdeskundige heeft gemeld dat hij langdurig op vakantie zal gaan naar Turkije. Eiser spreekt gebrekkig Nederlands en heeft een voornamelijk Turkse vriendenkring/kennissenkring. Het is aannemelijk dat eiser daarom, ook gelet op de periode van de zomervakantie, waarbij een groot deel van zijn vriendenkring eveneens langdurig in Turkije verbleef, niet tijdig iemand heeft kunnen benaderen voor het in ontvangst nemen van zijn post. Dit zelfde geldt voor het alsnog snel inschakelen van hulp voor vertaling van het besluit. Eiser heeft verklaard dat hij begin september 2024 een vriend bereid heeft gevonden tot het vertalen van het besluit en tot het geven van hulp bij het schrijven van het bezwaarschrift. Eiser heeft toen alsnog zo spoedig als mogelijk was bezwaar gemaakt, waardoor de termijnoverschrijding relatief kort is gebleven.Uit de KCC verslagen blijkt dat de echtgenote van eiser veelvuldig contact heeft gehad met het UWV, juist omdat zij beiden beperkt het Nederlands machtig zijn. Zij waren daardoor niet altijd in staat tijdig op te treden. De rechtbank hecht daarom minder waarde aan de WW-aanvraag dan verweerder. Gemachtigde heeft toegelicht dat het aanvraagformulier digitaal beschikbaar was en eiser het daardoor kon laten vertalen.Ten slotte acht de rechtbank van belang dat hierbij vooralsnog sprake is van een tweepartijen geding, waarbij de belangen van eiser, een geschil over een WIA-beoordeling, groot zijn. Eiser heeft zich ook pas in beroep laten bij staan door een professionele gemachtigde. 7.3 Dit alles tezamen maakt dat de termijnoverschrijding naar het oordeel van de rechtbank verschoonbaar is en het bezwaarschrift ontvankelijk. Conclusie en gevolgen
- Het beroep is gegrond. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit. Het UWV moet opnieuw op het bezwaarschrift van eiser beslissen met inachtneming van deze uitspraak.
- Omdat het beroep gegrond is moet het UWV het griffierecht aan eiser vergoeden en krijgt eiser ook een vergoeding van zijn proceskosten. Het UWV moet deze vergoeding betalen. De vergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgt eiser een vast bedrag per proceshandeling. In beroep heeft elke proceshandeling een waarde van € 907,-. De gemachtigde heeft een beroepschrift ingediend en heeft aan de zitting van de rechtbank deelgenomen. De vergoeding bedraagt dan in totaal € 1.814,--. Voorts heeft eiser verzocht om vergoeding van zijn reiskosten ten bedrage van € 8,
- Deze kosten komen volledig voor vergoeding in aanmerking. Beslissing De rechtbank - verklaart beroep gegrond; - vernietigt het besluit van 12 september 2024; - bepaalt dat het UWV het griffierecht van € 51,- aan eiser moet vergoeden; - veroordeelt het UWV tot betaling van € 1.822,40 aan proceskosten aan eiser. Deze uitspraak is gedaan door mr. A. T. de Kwaasteniet, rechter, in aanwezigheid van mr. E.G.M. ten Kate, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op griffier rechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. ECLI:NL:CRVB:2024:932, ECLI:NL:CRVB:2024:935 en ECLI:NL:CRVB:2024:972 in het bijzonder bij de uitspraak van 30 januari 2024 (ECLI:NL:CBB:2024:31)