← Nederland

ECLI:NL:RBOVE:2025:1171

RECHTBANK OVERIJSSEL Zittingsplaats Almelo Bestuursrecht zaaknummer: ZWO 24/2474 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen Buurtdiensten Nederland B.V., uit Almelo, eiseres (gemachtigde: A.M. van den Heuvel), en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen, het UWV (gemachtigde: M.A. Kuilderd). Inleiding

  1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen het opleggen van een loonsanctie. 1.
  2. Bij besluit van 22 januari 2024 heeft het UWV eiseres bericht dat zij niet heeft voldaan aan haar re-integratieverplichtingen en dat zij daarom het loon van (ex-) werkneemster [(ex-) werkneemster] dient door te betalen tot 10 maart 2025.Met het bestreden besluit van 12 april 2024 op het bezwaar van eiseres is het UWV bij dat besluit gebleven. 1.
  3. Het UWV heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. 1.
  4. De rechtbank heeft het beroep op 14 januari 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van het UWV. Totstandkoming van het besluit
  5. Werkneemster is werkzaam geweest als medewerker buurtdiensten voor gemiddeld 12 uur per week. Op 14 maart 2022 heeft zij zich ziek gemeld. Zij heeft het UWV verzocht haar een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) toe te kennen. In het kader van die aanvraag is arbeidskundig onderzoek verricht, waarbij de belastbaarheid van werkneemster en de re-integratie inspanningen zijn beoordeeld. Vervolgens heeft besluitvorming plaatsgevonden, zoals vermeld in de Inleiding.
  6. In het bestreden besluit heeft het UWV aan eiseres een loonsanctie van 52 weken opgelegd. Eiseres moet aan werkneemster tot 10 maart 2025 loon doorbetalen. Het UWV stelt zich op het standpunt dat eiseres tijdens de ziekteperiode van werkneemster onvoldoende re-integratie-inspanningen heeft verricht en dat zij voor deze tekortkomingen geen deugdelijke grond heeft. De tekortkomingen bestaan er uit dat het tweede spoor te laat is opgestart en daarnaast dat het niet adequaat is uitgevoerd. Volgens het UWV kan eiseres de tekortkomingen herstellen. Het UWV heeft zijn standpunt gebaseerd op arbeidskundig onderzoek. Beoordeling door de rechtbank
  7. De rechtbank beoordeelt de rechtmatigheid van de opgelegde loonsanctie. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiseres.
  8. Eiseres stelt dat het UWV een verzekeringsarts had dienen in te schakelen om te kunnen beoordelen of aan de re-integratieverplichtingen is voldaan. Eiseres betoogt dat sprake is van medisch bezwaarschrift, omdat er sprake was van wisselende belastbaarheid van werkneemster. Een verzekeringsarts had contact op moeten nemen met de bedrijfsarts om het verschil in belastbaarheid te bespreken.Uit het dossier komt een consistent beeld naar voren ten aanzien van de medische toestand van werkneemster. De Werkwijzer Poortwachter vereist niet dat spoor 2 wordt ingezet wanneer er geen mogelijkheden voor een betrokken werknemer zijn om daar deel aan te nemen.Een niet tijdige inzet van Spoor 2 kan haar daarom niet worden verweten. In de periode na de opmaak van de Functionele Mogelijkheden Lijst waren de mogelijkheden van werkneemster opnieuw dusdanig beperkt dat er sprake was van onvoorspelbare wisselende belastbaarheid. Werkneemster was marginaal belastbaar en eiseres ziet ook daarom niet welke kansen zijn gemist. Ten slotte voert eiseres aan dat werkneemster vanwege een beperking ten aanzien van visuele prikkels niet lang achter een pc kan zitten. Het lukt werkneemster niet om dit eens in de week 15 tot 30 minuten achter elkaar te doen, laat staan in een hogere frequentie. Dit was ook reden geweest om een verzekeringsarts in te schakelen.
  9. Het beroep is ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. 6.1 Artikel 25, negende lid, van de Wet WIA luidt, voor zover hier van belang, als volgt: ‘Indien bij de behandeling van de aanvraag, bedoeld in artikel 64 en de beoordeling, bedoeld in artikel 65 blijkt dat de werkgever zonder deugdelijke grond (…) onvoldoende re-integratie-inspanningen heeft verricht, verlengt het Uwv het tijdvak gedurende welke de verzekerde jegens die werkgever recht heeft op loon op grond van artikel 629 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek (…), opdat de werkgever zijn tekortkoming ten aanzien van de bedoelde verplichtingen of re-integratie-inspanningen kan herstellen. Het tijdvak bedoeld in de eerste zin, is ten hoogste 52 weken.’ Ingevolge artikel 65 van de Wet WIA, voor zover hier van belang, beoordeelt het Uwv of de werkgever en de verzekerde in redelijkheid hebben kunnen komen tot de re-integratie-inspanningen, die zijn verricht. In artikel 7:658a, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek (BW) is, voor zover hier van belang, bepaald dat de werkgever ten aanzien van de werknemer die in verband met ongeschiktheid ten gevolge van ziekte verhinderd is de bedongen arbeid te verrichten, de inschakeling in de arbeid in zijn bedrijf bevordert. Indien vaststaat dat de eigen arbeid niet meer kan worden verricht en in het bedrijf van de werkgever geen andere passende arbeid voorhanden is, bevordert de werkgever, gedurende het tijdvak waarin de werknemer jegens hem recht op loon heeft op grond van artikel 629, of artikel 25, negende lid, van de Wet WIA, de inschakeling van de werknemer in voor hem passende arbeid in het bedrijf van een andere werkgever. 6.2 Op grond van vaste rechtspraak is een loonsanctiebesluit een belastend besluit. Op verweerder rust de plicht om aannemelijk te maken dat de werkgever onvoldoende re-integratie-inspanningen heeft verricht. Daarbij dient verweerder deugdelijk en concreet te motiveren waaruit de tekortkoming van de werkgever heeft bestaan. 6.3 In de Beleidsregels beoordelingskader poortwachter (Beleidsregels) is een inhoudelijk kader neergelegd voor de beoordeling van de vraag of werkgever en werknemer in redelijkheid konden komen tot de re-integratie-inspanningen die zijn verricht. Daarnaast is de Werkwijzer Poortwachter (Werkwijzer) van belang, waarmee is geprobeerd aan werkgevers duidelijkheid te bieden over wat van hen bij de re-integratie van een werknemer wordt verwacht. Bij de beoordeling van de re-integratie-inspanningen staat het bereikte resultaat voorop. Als een bevredigend resultaat is bereikt, is er voldaan aan de wettelijke eis dat de werkgever en werknemer in redelijkheid konden komen tot de verrichte re-integratie-inspanningen. Indien verweerder het resultaat niet bevredigend acht, zal volgens de Beleidsregels bij de beoordeling worden ingezoomd op datgene wat door de werkgever en werknemer daadwerkelijk ondernomen is. De beoordeling van de re-integratie-inspanningen is geen claimbeoordeling en de bedrijfsarts moet een professionele marge worden gegund. Gelet op het feit dat artikel 65 van de WIA spreekt over het ‘in redelijkheid hebben kunnen komen tot de re-integratie-inspanningen die zijn verricht’ en mede gelet op wat daarover in de Beleidsregels en de Werkwijzer is vermeld, dient de verzekeringsarts te toetsen of de bedrijfsarts op basis van de op dat moment bekende feiten en omstandigheden in redelijkheid tot zijn sociaal medische handelwijze of zijn oordeel over de belastbaarheid van de werknemer heeft kunnen komen. 6.4 Niet in geschil is dat werkneemster ten tijde van de beoordeling van de re-integratie-inspanningen niet in structurele arbeid met een loonwaarde van ten minste 65% van het oorspronkelijke loon had hervat en dat daarmee geen sprake is van een bevredigend resultaat als bedoeld in de Beleidsregels. Het UWV diende dan ook te beoordelen of de re-integratie-inspanningen van eiseres voldoende zijn geweest en, als dat niet het geval is, of voor die tekortkoming een deugdelijke grond bestond. 6.5 Het UWV heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat de re-integratie inspanningen van eiseres onvoldoende zijn geweest. Het UWV heeft twee tekortkomingen aan de loonsanctie ten grondslag gelegd, namelijk het tweede spoor is niet tijdig opgestart en het tweede spoor niet adequaat is uitgevoerd. 6.6.1 De eerstejaarsevaluatie vermeldt op 3 maart 2023 dat werkneemster boventallig meeloopt met een collega (spoor 1). Het tweede spoor is volgens eiseres nog niet opgestart omdat het eerste ziektejaar nog niet voorbij is.De bedrijfsarts heeft werkneemster gezien op het spreekuur van 23 maart
  10. Dit is vlak nadat werkneemster een jaar ziek was op 14 maart
  11. In het verslag heeft de bedrijfsarts opgemerkt dat er beperkingen waren en dat deze vastgelegd dienden te worden in een functionele mogelijkheden lijst (FML). Daarbij werd aangegeven dat als rekening wordt gehouden met de beperkingen, werkneemster in staat wordt geacht passende taken te verrichten. De bedrijfsarts adviseert om een arbeidsdeskundige onderzoek in te zetten ter verdere advisering betreffende de re-integratie in het tweede ziektejaar. Hierop heeft eiseres verder niet geacteerd, maar zij heeft werkneemster verder laten re-integreren in het eerste spoor.Op 17 mei 2023 is werkneemster opnieuw gezien door de bedrijfsarts. Het verslag van de bedrijfsarts vermeldt dat geadviseerd wordt de huidige hervatting in de eigen werkzaamheden bij een cliënt voor 2 uur per week te continueren (spoor 1). Daarnaast wordt geadviseerd de stappen in spoor 2 verder vorm te geven (wellicht middels inzet van een coach/re-integratiebegeleider). De intakerapportage die is opgemaakt in het kader van het opstarten van het tweede spoor dateert van 20 juni
  12. 6.6.2 Gelet op bovenstaande heeft het UWV zich op goede gronden op het standpunt gesteld dat het tweede spoor niet tijdig is opgestart. Uit de Werkwijzer poortwachter onder pararaaf 4.3 staat vermeld dat zodra er geen zicht (meer) bestaat op een structurele hervatting binnen de eigen organisatie, er een adequaat tweede-spoortraject moet worden gestart om de hervattingskansen van de arbeidsongeschikte werknemer zo veel mogelijk te vergroten. Een tweede-spoortraject moet uiterlijk binnen 6 weken na de Eerstejaarsevaluatie (in de 52e verzuimweek) worden gestart. Gelet op het voorgaande had uiterlijk half april 2023 het tweede spoor opgestart moeten worden. Dat een tweede spoor mogelijk was blijkt ook uit de informatie van de bedrijfsarts zoals weer gegeven in de verslagen van de bedrijfsarts zoals genoemd in rechtsoverweging 6.6.
  13. Voor het niet eerder opstarten van het tweede spoor bestaat geen deugdelijke grond. De loonsanctie kan daarom reeds hierom standhouden en de tweede grondslag behoeft daarom thans geen bespreking. 6.7 Eiseres wordt ten slotte niet gevolgd in haar betoog dat het UWV een verzekeringsarts had dienen in te schakelen om de re-integratie inspanningen te beoordelen.Daarbij is het volgende van belang. In paragraaf 10 van de Werkwijzer Poortwachter staat dat de arbeidsdeskundige medische vragen of onduidelijkheden voorlegt aan de verzekeringsarts. Inschakeling van de verzekeringsarts is met name verplicht in de volgende situaties: - De bedrijfsarts heeft een medische urenbeperking gesteld. - De bedrijfsarts stelde perioden vast waarin geen re-integratiemogelijkheden of marginale mogelijkheden bestonden. - De bedrijfsarts heeft mogelijk een re-integratie belemmerend advies aan de werkgever gegeven.”De bedrijfsarts heeft, blijkens wat is overwogen onder 6.6.1 zich steeds op het standpunt gesteld dat sprake was van benutbare mogelijkheden en heeft dienovereenkomstig een FML opgestart. Het UWV heeft het standpunt van de bedrijfsarts niet bestreden en zich bij diens beoordeling aangesloten. Onder die omstandigheden is er geen noodzaak tot het inschakelen van een verzekeringsarts. Conclusie en gevolgen
  14. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de loonsanctie terecht is opgelegd. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door mr. A.T. de Kwaasteniet, rechter, in aanwezigheid van mr.E.G.M. ten Kate, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op griffier rechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. ECLI:NL:CRVB:2017:2095 ECLI:NL:CRVB:2022:2717

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.