← Nederland

ECLI:NL:RBOVE:2025:1785

RECHTBANK OVERIJSSEL Zittingsplaats Zwolle Bestuursrecht zaaknummer: ZWO 24/2386 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [eiser], uit [woonplaats], eiser (gemachtigde: mr. E. Schriemer), en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen, het UWV (gemachtigde: E.H. van den Brink) Inleiding

  1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het besluit van het UWV waarin hem een uitkering Inkomensverzekering voor volledig en duurzaam arbeidsongeschikten (IVA) is geweigerd. 1.
  2. Het UWV heeft bij het besluit van 10 augustus 2023 eiser met ingang van 5 oktober 2023 in aanmerking gebracht voor een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA). Het UWV heeft daarbij aangenomen dat eiser volledig arbeidsongeschikt is, maar niet duurzaam. Hij komt daarom niet in aanmerking voor een IVA-uitkering.Met het bestreden besluit van 10 april 2024 op het bezwaar van eiser is het UWV bij de afwijzing van de aanvraag gebleven. 1.
  3. Het UWV heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. 1.
  4. De rechtbank heeft het beroep op 5 februari 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van het UWV. Totstandkoming van het besluit
  5. Eiser was eerder werkzaam als [beroep] voor 38,73 uur per week. Op 7 oktober 2021 is hij voor deze werkzaamheden uitgevallen als gevolg van psychische klachten. Hierop heeft eiser ziekengeld ontvangen.Aan het einde van de wachttijd heeft eiser een aanvraag gedaan op grond van de Wet WIA. Hierna heeft besluitvorming plaatsgevonden zoals weergegeven onder het kopje ‘inleiding’. Standpunten van partijen
  6. Eiser stelt dat hij duurzaam arbeidsongeschikt is. De verzekeringsarts bezwaar en beroep maakt onvoldoende concreet waaruit blijkt dat er behandelmogelijkheden zijn die de belastbaarheid van eiser verbeteren en op welke punten de belastbaarheid in dat geval wordt vergroot. Ook is het stappenplan uit het beoordelingskader voor de duurzaamheid van arbeidsbeperkingen (stappenplan) onvoldoende en onjuist gevolgd. Eiser stelt dat in het eerste jaar geen verbetering was te verwachten. Die mogelijke verwachting is bovendien ook niet opgetreden. Dit blijkt uit de informatie van de behandelaar alsook uit de latere IVA-toekenning. Daar komt bij dat de behandeling zoals de behandelaar deze aangaf in de bezwaarfase alleen op stabilisatie ziet en niet ook al op verbetering van de belastbaarheid en functionele mogelijkheden in arbeid. Ter onderbouwing heeft eiser gewezen op in bezwaar reeds verstrekte informatie van zijn behandelaar van 6 november 2023, [deskundige], sociaal psychiatrisch verpleegkundige, werkzaam bij GGZ Drenthe-Evenaar.
  7. Volgens het UWV zijn er geen doorslaggevende argumenten om uit te gaan van een situatie waarbij in het eerstkomende jaar niet een redelijke verwachting op verbetering bestaat of van een situatie waarbij in het eerstkomende jaar verbetering van de belastbaarheid nauwelijks is te verwachten. De behandeling is vooraleerst gericht op stabilisatie waarna gestart kan worden met de verdere meer gerichte behandeling van de onderliggende psychische problematiek. De behandeling heeft uiteindelijk tot doel te komen tot persoonlijk en sociaal functioneren van eiser. Er zijn voor eiser behandelopties waardoor de medische situatie voor eiser naar verwachting zal verbeteren. Verder ontbreekt een onderbouwing met (nieuwe) medische gegevens. Het UWV verwijst naar het bestreden besluit en de onderliggende rapportage van de verzekeringsarts bezwaar en beroep. Beoordeling door de rechtbank
  8. De rechtbank beoordeelt het besluit van het UWV waarin staat dat eiser op 5 oktober 2023 niet in aanmerking komt voor een IVA-uitkering omdat zijn arbeidsbeperkingen niet duurzaam zijn. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiser.
  9. Het beroep is gegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
  10. Om in aanmerking te komen voor een IVA-uitkering moet vast komen te staan dat eiser volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is. Op grond van artikel 4, eerste lid, van de Wet WIA is iemand volledig en duurzaam arbeidsongeschikt, wanneer diegene als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebrek duurzaam slechts in staat is om met arbeid ten hoogste 20% te verdienen van het maatmaninkomen per uur. Op grond van het tweede lid van dit artikel wordt onder duurzaam verstaan een medisch stabiele of verslechterende situatie. Op grond van het derde lid van dit artikel wordt onder duurzaam mede verstaan een medische situatie waarbij op lange termijn een geringe kans op herstel bestaat.
  11. Volgens vaste rechtspraak moet de verzekeringsarts zich een oordeel vormen over de duurzaamheid van de arbeidsongeschiktheid in de zin van artikel 4 van de Wet WIA. Hierbij moet hij een inschatting maken van de herstelkansen, in de zin van een verbetering van de functionele mogelijkheden van de verzekerde. De inschatting van de verzekeringsarts van de kans op herstel in het eerste jaar na het ontstaan van het recht op WIA-uitkering en in de periode daarna moet berusten op een concrete en deugdelijke afweging van de feiten en omstandigheden die bij de individuele verzekerde aan de orde zijn, voor zover die feiten en omstandigheden betrekking hebben op de medische situatie van de verzekerde op de datum in geding. Indien die inschatting berust op een (ingezette) medische behandeling, is een onderbouwing vereist die ziet op het mogelijke resultaat daarvan voor de individuele verzekerde. Indien van een stabiele of verslechterende situatie wordt uitgegaan voor het eerste jaar moet de vaststelling dat in de periode daarna sprake is van een meer dan geringe kans op herstel concreet en toereikend worden onderbouwd.
  12. Niet in geschil is dat er sprake is van volledige arbeidsongeschiktheid. De vraag die voorligt is of het UWV terecht heeft gesteld dat eiser volledig, maar niet duurzaam arbeidsongeschikt is. De duurzaamheid van de arbeidsbeperkingen 10.1 De rechtbank is van oordeel dat het UWV onvoldoende heeft gemotiveerd dat de beperkingen van eiser niet duurzaam zijn. Hierbij is het volgende redengevend. 10.2 De verzekeringsarts heeft gesteld dat bij eiser sprake is van een ernstig beeld van PTSS met comorbide depressie met randpsychotische verschijnselen. Er is sprake van een zodanig ernstig beeld dat er volgens de richtlijnen geen belastbaarheid kan worden aangegeven. De verzekeringsarts bezwaar en beroep stelt dat niet in geschil is dat sprake is van complexe problematiek en dat eiser als gevolg daarvan op en na 5 oktober 2023 volledig arbeidsongeschikt moet worden geacht. De vraag die dan beantwoord moet worden is of er een meer dan geringe kans is op (functioneel) herstel van enige omvang en duurzaamheid en zo ja, langs welk (tijds)pad dit dan bereikt zou kunnen worden. De behandelaar van eiser vermeldt dat: (…) 'de behandeling bestaat op dit moment uit ondersteunende gesprekken en farmacotherapie en richt zich op stabilisatie alvorens gestart wordt met de traumabehandeling'. Als perspectief wordt het volgende overwogen 'het slagen van de behandeling hangt van verschillende factoren af en het is lastig vooraf al aan te geven op welke termijn de behandeldoelen behaald zullen worden'. Hierin zit het nodige voorbehoud verscholen, passend ook bij de aard en complexiteit van de problematiek, aldus de verzekeringsarts bezwaar en beroep. Deze verzekeringsarts geeft voorts aan dat de verwachtingen uiteraard geen meer concrete contouren krijgen dan de behandelaar aangeeft. De gebruikte medicatie op zich geeft onvoldoende richting aan de prognose. De verzekeringsarts bezwaar en beroep herleid uit de gestelde prognose dat niet zozeer in dubio is óf behandeldoelen behaald zullen worden maar vooral wanneer. 10.3 Gelet op het vorenstaande, en hetgeen besproken is ter zitting, concludeert de rechtbank dat partijen het er over eens zijn dat de behandeling van eiser ten tijde in geding, zijnde 5 oktober 2023, zich vooralsnog enkel richtte op stabilisatie van zijn gezondheidssituatie. De omstandigheid dat werd gestreefd naar stabilisatie van de gezondheid van eiser zegt op zich echter nog niets over zijn functioneren in arbeid. Waarom de verzekeringsarts bezwaar en beroep meent dat er desalniettemin een meer dan geringe kans is op (functioneel) herstel van enige omvang en duurzaamheid, volgt dan ook niet uit diens motivering en is ook anderszins niet begrijpelijk. De voorgestelde traumabehandeling was op de datum in geding ook nog niet aangevangen. Over het eventuele aanvangsmoment daarvan en de mogelijke slagingskansen is ook geen duidelijkheid verschaft door de verzekeringsarts bezwaar en beroep. Of er een eventuele verbetering van de functionele mogelijkheden in arbeid als gevolg van een geslaagde traumabehandeling valt te verwachten, heeft het UWV niet gesteld, en voor zover zij meent dat dit het geval is, heeft zij dit niet gemotiveerd. Dat sprake was van een meer dan geringe kans op herstel is dan ook niet concreet en toereikend onderbouwd. Conclusie en gevolgen
  13. Het beroep is gegrond. Het bestreden besluit dient te worden vernietigd wegens strijd met het bepaalde in artikel 7:12 van de Awb.
  14. De rechtbank ziet aanleiding zelf in de zaak te voorzien. Gelet op de stabilisatie als enig behandeldoel en het gebrek aan inschatting van slagingskansen van andere behandelingen, valt in redelijkheid niet meer te verwachten dat het UWV er alsnog in zal slagen om de weigering van een IVA-uitkering van een draagkrachtige motivering te voorzien. De rechtbank zal daarom het primaire besluit herroepen en bepalen dat eiser met ingang van 5 oktober 2023 recht heeft op een IVA-uitkering. 5.
  15. Omdat beroep gegrond is moet het UWV het griffierecht aan eiser vergoeden en krijgt eiser ook een vergoeding van zijn proceskosten. Het UWV moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 3.108,- omdat de gemachtigde van eiser een bezwaarschrift heeft ingediend en aan een hoorzitting in bezwaar heeft deelgenomen (twee punten x € 647,-) en verder een beroepschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen (twee punten x € 907,-). Daarnaast dient het griffierecht door het UWV aan eiser te worden betaald. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden. Beslissing De rechtbank - verklaart beroep gegrond; - vernietigt het besluit van 10 april 2024; - herroept het besluit van 10 augustus 2023; - bepaalt dat eiser per 5 oktober 2023 in aanmerking wordt gebracht voor een IVA-uitkering en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats komt van het vernietigde besluit; - bepaalt dat het UWV het griffierecht van € 51,- aan eiser moet vergoeden; - veroordeelt het UWV tot betaling van € 3.108,- aan proceskosten aan eiser. Deze uitspraak is gedaan door mr. T.J. Thurlings-Rassa, rechter, in aanwezigheid van mr.E.G.M. ten Kate, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op griffier Rechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) van 17 februari 2021 (ECLI:NL:CRVB:2021:353)

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.