← Nederland

ECLI:NL:RBOVE:2025:2789

RECHTBANK OVERIJSSEL Bestuursrecht zaaknummer: ZWO 25/612 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [eiseres], uit [woonplaats], eiseres (gemachtigde: mr. Y.N. Teke-Bozkurt), en Dienst Toeslagen, verweerder. Procesverloop In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep dat eiseres heeft ingesteld omdat verweerder volgens haar niet tijdig een besluit heeft genomen op haar bezwaar van 20 september 2022 tegen de besluiten van verweerder van 12 september 2022 met kenmerken: UHT-DC-I A (definitieve beschikking afwijzing compensatie kinderopvangtoeslag 2012); UHT-DHR (beschikking herbeoordeling kinderopvangtoeslag 2011); UHT-DC I (definitieve beschikking compensatie kinderopvangtoeslag 2009 en 2010); UHT-DH5 A (beschikking herbeoordeling kinderopvangtoeslag 2012). Eiseres heeft verweerder op 31 maart 2023 in gebreke gesteld. Verweerder heeft op 31 mei 2023 vier keer de maximale dwangsom van € 1.442,- aan eiseres toegekend. In de uitspraak van 14 juli 2023 (kenmerk ZWO 23/1124) heeft de rechtbank – voor zover relevant – het beroep gegrond verklaard, verweerder opgedragen om binnen twaalf weken na de datum van het verweerschrift een besluit op het bezwaar van eiseres bekend te maken en bepaald dat verweerder aan eiseres een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee hij de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 15.000,-. Eiseres heeft op 14 februari 2024 opnieuw beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op haar bezwaar. In de uitspraak van 28 juni 2024 (kenmerk ZWO 24/1978) heeft de rechtbank – voor zover relevant – het beroep gegrond verklaard, verweerder opgedragen om binnen zes weken na de dag van verzending van die uitspraak een besluit op het bezwaar van eiseres bekend te maken en bepaald dat verweerder aan eiseres een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee hij de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 15.000,-. Eiseres heeft op 21 januari 2025 voor de derde keer beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op haar bezwaar. Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift, dat op 12 februari 2025 door de rechtbank is ontvangen. Omdat het beroep kennelijk gegrond is, doet de rechtbank uitspraak zonder zitting. Artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk. Beoordeling door de rechtbank

  1. In de eerdergenoemde uitspraak van 28 juni 2024 heeft de rechtbank het eerdere beroep van eiseres tegen het niet tijdig nemen van een besluit op haar bezwaar gegrond verklaard en verweerder opgedragen om binnen de in die uitspraak genoemde termijn een besluit bekend te maken, op straffe van een dwangsom van € 100,- per dag, met een maximum van € 15.000,-. Omdat verweerder nog steeds geen besluit heeft genomen en het maximum van de dwangsom is bereikt, heeft eiseres een herhaald beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit ingediend. Omdat de door de rechtbank gestelde beslistermijn is overschreden en het maximum van de dwangsom is bereikt, is het beroep ontvankelijk en gegrond. Welke beslistermijn moet aan verweerder worden opgelegd?
  2. Als het beroep gegrond is en het bestuursorgaan nog geen besluit bekendgemaakt heeft, bepaalt de rechtbank dat het bestuursorgaan binnen twee weken na de dag van verzending van de uitspraak alsnog een besluit bekendmaakt. Alleen in bijzondere gevallen kan de rechtbank een andere termijn bepalen. Vanwege de zeer grote omvang van de hersteloperatie toeslagen is naar het oordeel van de rechtbank sprake van een bijzonder geval als hiervoor bedoeld.
  3. Onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 26 maart 2025 bepaalt de rechtbank dat verweerder voor het nemen van een besluit op bezwaar een termijn krijgt van 60 weken na de datum waarop de wettelijke beslistermijn voor het nemen van een besluit op bezwaar is verstreken. In geval ten tijde van de uitspraak op het beroep al 60 weken zijn verstreken na de datum van de beslistermijn op bezwaar, geldt een nadere beslistermijn van twee weken na de dag waarop de uitspraak wordt verzonden. 3.
  4. In het geval van eiseres is de wettelijke beslistermijn op 17 januari 2023 verstreken. De termijn van 60 na de datum van de beslistermijn op bezwaar is in dit geval op 12 maart 2024 verstreken. Dit betekent dat verweerder binnen twee weken na de dag van verzending van deze uitspraak alsnog een besluit op bezwaar moet nemen. Welke dwangsom wordt aan verweerder opgelegd?
  5. De rechtbank bepaalt dat verweerder een dwangsom van € 250,- moet betalen voor elke dag waarmee de beslistermijn nu nog wordt overschreden. Daarbij geldt wel een maximum van € 37.500,-. Conclusie en gevolgen
  6. Het beroep is kennelijk gegrond. Dat betekent dat eiseres gelijk krijgt, verweerder binnen twee weken alsnog een besluit op bezwaar moet nemen en aan verweerder een dwangsom wordt opgelegd van € 250,- voor elke dag waarmee de hiervoor genoemde termijn wordt overschreden, met een maximum van € 37.500,-.
  7. Omdat het beroep gegrond is moet verweerder het griffierecht aan eiseres vergoeden en krijgt eiseres ook een vergoeding voor haar proceskosten. Verweerder moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 453,50, omdat de gemachtigde van eiseres een beroepschrift heeft ingediend en de zaak alleen gaat over de vraag of de beslistermijn is overschreden. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden. Beslissing De rechtbank: verklaart het beroep gegrond; vernietigt het, met een besluit gelijk te stellen, niet tijdig nemen van een besluit; draagt verweerder op om binnen twee weken na de dag van verzending van deze uitspraak alsnog een besluit op bezwaar bekend te maken; - bepaalt dat verweerder aan eiseres een dwangsom van € 250,- moet betalen voor elke dag waarmee hij de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 37.500,-; bepaalt dat verweerder het griffierecht van € 53,- aan eiseres moet vergoeden; veroordeelt verweerder tot betaling van € 453,50 aan proceskosten aan eiseres. Deze uitspraak is gedaan door mr. E.C. Rozeboom, rechter, in aanwezigheid van S.H.J. van de Looi, griffier. Uitgesproken in het openbaar op griffier rechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Informatie over verzet Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden. Dit volgt uit artikel 8:55d, eerste en derde lid, van de Awb. ECLI:NL:RVS:2025:1301, r.o.
  8. ECLI:NL:RVS:2025:1301, r.o.
  9. ECLI:NL:RVS:2025:1301, r.o. 15.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.