← Nederland

ECLI:NL:RBOVE:2025:2943

RECHTBANK OVERIJSSEL Zittingsplaats Almelo Bestuursrecht zaaknummer: ZWO 24/3072 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [eiser] , uit [woonplaats] , eiser (gemachtigde: mr. A.P. Drosten), en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen, het UWV (gemachtigde: M.A. Kuilderd). Inleiding

  1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de hoogte van zijn arbeidsongeschiktheidspercentage in het kader van een beoordeling op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA). 1.
  2. Het UWV heeft eiser naar aanleiding van zijn WIA- aanvraag bij besluit van 15 augustus 2023 in aanmerking gebracht voor een WIA-uitkering per 3 augustus
  3. Zijn arbeidsongeschiktheidspercentage is vastgesteld op 47,37%.Bij separaat besluit van 15 augustus 2023 heeft het UWV eiser met ingang van 2 december 2023 in aanmerking gebracht voor een vervolguitkering op grond van de WIA. Eisers arbeidsongeschiktheidspercentage is onverminderd 47,37%.Met het bestreden besluit van 7 juni 2024 op de bezwaren van eiser is het UWV bij de besluiten van 15 augustus 2023 gebleven. 1.
  4. Het UWV heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. 1.
  5. De rechtbank heeft het beroep op 6 maart 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van het UWV. 1.
  6. Eiser is in de gelegenheid gesteld om te reageren op een nader stuk van het UWV. Bij brief van 11 maart 2025 heeft gemachtigde aan de rechtbank bericht hier geen gebruik van te zullen maken. 1.
  7. Nadat partijen desgevraagd niet om een nadere zitting hebben verzocht, is het onderzoek gesloten. Totstandkoming van het besluit
  8. Eiser heeft gewerkt als [beroep] voor 37,93 uur per week. Zijn dienstverband is beëindigd met ingang van 30 juli
  9. Op 5 augustus 2021 heeft eiser zich bij het UWV ziekgemeld.Het UWV heeft eiser bij besluit van 24 oktober 2022 met ingang van 2 november 2021 voor een Ziektewet (ZW) uitkering in aanmerking gebracht.Na de eerstejaarsziektewetbeoordeling is bij besluit van 24 oktober 2022 de ZW-uitkering van eiser onverminderd voortgezet omdat hij minder dan 65% kon verdienen van het loon dat hij verdiende voordat hij ziek werd.Per einde wachttijd heeft het UWV verzekeringsgeneeskundig en arbeidskundig onderzoek verricht. Dit heeft geleid tot de besluitvorming zoals weergegeven onder het kopje ‘inleiding’. Beoordeling door de rechtbank
  10. De rechtbank beoordeelt de rechtmatigheid van het bestreden besluit waarbij het arbeidsongeschiktheidspercentage van eiser is vastgesteld op 47,37%. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiser.
  11. Eiser stelt dat het UWV zijn klachten en beperkingen onjuist heeft gewogen.Eiser heeft een rapportage overgelegd van 2 december 2024 van verzekeringsarts [verzekeringsarts] ( [verzekeringsarts] ), werkzaam bij het Expertise Instituut. Het UWV zou van deze bevindingen moeten uitgaan, waaronder ten aanzien van de urenbeperking. [verzekeringsarts] heeft aanvullend gereageerd op 12 december 2024, 7 januari 2025 en 6 februari 2025.Voorts heeft eiser gewezen op het behandelplan van Mediant van 6 december 2024 en de vragenlijsten zoals deze zijn afgenomen door Mediant in augustus
  12. Als gevolg van de onjuiste weging en duiding van zijn klachten in de FML is eiser niet geschikt voor de geduide functies die met inachtneming van deze FML zijn opgesteld. In een aantal van de functies die zijn geduid wordt gewerkt met machines, waardoor een wegraking ernstig risico op bijvoorbeeld lichamelijk letsel kan opleveren, nog los van de overige beperkingen die dergelijke klachten met zich meebrengen. Eiser communiceert moeizaam, zoals blijkt uit de overgelegde informatie in bezwaar en beroep. In de functies die zijn geduid, is communicatie essentieel.
  13. Het beroep is gegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Zorgvuldigheid van het onderzoek
  14. Aan het bestreden besluit ligt een zorgvuldig medisch onderzoek ten grondslag. De arts heeft eiser zelf gesproken en lichamelijk en psychisch onderzocht op het spreekuur van 4 augustus
  15. Op verzoek van het UWV heeft psychiater Buiten ( Buiten ) gerapporteerd bij rapportage van 19 juli
  16. Deze is betrokken bij de beoordeling.Zijn conclusies heeft de arts voldoende begrijpelijk neergelegd in de rapportage van 8 augustus
  17. Het medisch oordeel is getoetst en akkoord bevonden door een verzekeringsarts.De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft eiser gezien op zijn spreekuur van 25 april
  18. Tevens was hij aanwezig op de hoorzitting. Hij heeft de door eiser in bezwaar ingebrachte (medische) informatie van 30 oktober 2023 van Mediant, van neuroloog [neuroloog] en een huisartsenjournaal bij zijn beoordeling betrokken.De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft zijn visie voldoende inzichtelijk gemaakt in de rapportage van 22 mei
  19. Uit hetgeen eiser aanvoert, volgt niet dat de wijze van onderzoek, in zijn geheel bezien, gebreken vertoont. De medische grondslag 7.1 De belastbaarheid van eiser op de datum in geding is naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende inzichtelijk gemaakt. De rechtbank betrekt daarbij het volgende. 7.2 De arts heeft een psychiatrische expertise aan Buiten verzocht. Deze heeft gerapporteerd bij rapportage van 19 juli
  20. Hij heeft volgens de DSM5 een aanpassingsstoornis met emotionele en gedragsmatige kenmerken als diagnose aangenomen. Voorts heeft hij een aantal differentiaal diagnoses opgenomen. Voor zover thans van belang vermeldt hij: “(…) psychotische stoornis. Betrokkene maakt een voor mij niet te begrijpen opmerking over een balpen, komt daarna hierop nog terug en wil aan het eind van het gesprek een instemmingsformulier alleen maar ondertekenen met een zwarte pen. Dit zou kunnen berusten op magisch denken, mogelijk onderdeel van een psychotische stoornis in ontwikkeling wat tezamen met zijn achterdochtige benadering van zijn omgeving zou kunnen passen bij een psychotische stoornis in ontwikkeling. Uiteindelijk heb ik deze uitingen niet geduid als een psychiatrisch fenomeen, zodat ik voorlopig deze diagnose moet verwerpen.”(…) “Zoals reeds aangegeven is de betrouwbaarheid van de diagnostiek enigszins beperkt omdat alles min of meer direct moet worden uitgevraagd en betrokkene tamelijk gesloten was.”De arts heeft vervolgens in de rapportage het volgende opgenomen. “(…) Uitgaande van de diagnose aanpassingsstoornis met emotionele en gedragsmatige kenmerken, een passief copingspatroon en verminderde slaapkwaliteit, is het aannemelijk dat cliënt kwetsbaar is op psychomentaal en psychosociaal vlak. Dit blijkt uit de bevindingen tijdens het spreekuur en de psychiatrische expertise. Wanneer het gaat om arbeid, hetgeen door structuur en afleiding revaliderend kan zijn voor cliënt, is hij aangewezen op beperkingen ten aanzien van het persoonlijk en sociaal functioneren.”De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft zich aangesloten bij de verzekeringsarts ten aanzien van eisers belastbaarheid. Hij geeft aan: “(..) De primaire arts is uitgegaan van de diagnose die psychiater Buiten gesteld had: aanpassingsstoornis. Dit is nog steeds de laatst bekende psychiatrische diagnose. De heer [eiser] geeft aan in behandeling te zijn bij Mediant, hier wordt echter geen informatie van verkregen. Men verwijst terug naar de belanghebbende zelf. Blijkbaar is men van mening dat de belanghebbende voldoende in staat is de gegevens te reproduceren.” Eiser heeft in beroep de rapportages van [verzekeringsarts] overgelegd. [verzekeringsarts] heeft eiser ook gezien op zijn spreekuur en tevens de beschikbare medische informatie bij zijn beoordeling betrokken. Uit de rapportage(s) van [verzekeringsarts] blijkt dat naar zijn oordeel bij eiser al langere tijd sprake is van ernstige psychische problematiek. Eiser maakt een psychotische indruk en heeft ook heteroanamnestisch psychotische symptomen, zowel positieve als negatieve symptomen. Hiertoe wordt vermeld “(…) Er is sprake van ernstig dysfunctioneren in de drie rollen. Eiser is dan ook al volledig arbeidsongeschikt te beschouwen vanaf datum ziekmelding, hetgeen nog altijd het geval is. Als diagnoses zijn gesteld beta thalassemie, momenteel ernstige psychische problematiek; psychose met sterk beperkte slaap, aanvallen van bewustzijnsverlies eci en hypothyreoïde.Intensivering van behandeling gaat nog volgen. (…) Per datum in geding was er nog onduidelijkheid met betrekking tot de ernst van de psychische klachten en met betrekking tot de diagnose. Toch werd er een functionele mogelijkhedenlijst opgesteld (FML). Ondanks de ernstige slaapstoornis is geen urenbeperking aangenomen. Bij eiser is er een gevaar voor over en onderschatting van respectievelijk functioneren en klachten. Het slaaptekort kan gezien worden als zijnde het gevolg/systeem van ziekte/psychiatrische aandoening en leidt tot recuperatie noodzaak op de dag.” [verzekeringsarts] ziet daarom wel reden voor een urenbeperking van 20 uur per week, vier uur per dag. Daarnaast is er vanaf de datum van nieuwe ziekmelding sprake van geen benutbare mogelijkheden. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft gereageerd op de rapportage van [verzekeringsarts] bij rapportage van 6 januari
  21. Hier is opgemerkt: “De diagnose van welke tijdens bezwaar is uitgegaan is: aanpassingsstoornis/somatische symptoomstoornis. De huidige informatie geeft geen reden aan die diagnose in die tijd te twijfelen. Een jaar later wordt er door Mediant gedacht aan een psychotische kwetsbaarheid. Dat zou een reden kunnen zijn om per datum ziekmelding 4 april 2024 meer beperkingen aan te nemen welke een urenbeperking zouden kunnen rechtvaardigen. Dit is aan de orde indien er een herbeoordeling WIA plaats vindt (AMBER). Overigens is er in 2024 sprake van een no risk polis. Er is mij gevraagd aandacht te besteden aan de standaard duurbeperking. Een urenbeperking kan worden gegeven indien er sprake is van een ziekte met energetische beperking (zoals aangetoond hartlijden, COPD, MS), indien er sprake is van niet beschikbaarheid wegens bijvoorbeeld dagbehandeling (rond datum in geding was de heer [eiser] niet in intensieve behandeling maar in kortdurende gesprektherapie, CGT) of indien er sprake is van een ziektebeeld waarbij overbelasting een risico vormt voor verdere ziekte (zoals MS, maar ook zoals schizofrenie). Per datum in geding waren al de voorgaande overwegingen niet van toepassing.”. Voorts is aanvullend gerapporteerd door de verzekeringsarts bezwaar en beroep op 23 januari
  22. “(…) De heer [eiser] heeft de medicatie in de zomer 2024 gestopt. Daarop namen de paranoïde ideeën weer toe(…)De informatie van [naam] is in lijn met de eerdere rapportage. De diagnose "aanpassingsstoornis" die gesteld in door psychiater Buiten blijft geldig. Het betreft een man met een aanpassingsstoornis en een psychotische kwetsbaarheid, en een sterke neiging tot vermijding. Dit heeft zich ook in 2024 voortgezet, meer dan een jaar na datum in geding.” [verzekeringsarts] heeft daarop aanvullend gerapporteerd op 6 februari
  23. “(…) Dat pas na datum in geding de ernst van de klachten en het disfunctioneren per datum in geding duidelijk wordt als gevolg van ziekte meteen aanvullende diagnose doet daar niets aan af. De door cliënt ervaren klachten en belemmeringen ook t.a.v. diens energetische beperkingen zijn ook op datum in geding het gevolg van ziekte. Er is sprake van psychiatrische problematiek met o.a. slaapproblematiek als gevolg daarvan en energetische klachten als gevolg daarvan. Met name de langdurige recuperatie overdag bij een ernstig slaapgebrek als gevolg van een ernstige psychiatrische aandoening is daarbij aan de orde. Per datum in geding werden mogelijk psychotische kenmerken ook onderkend, gelet op de psychiatrische expertise. Dat een diagnose inzake psychose lang op zich laat wachten is geen onbekend fenomeen.” Het behandelplan van Mediant vermeldt:“De patiënt presenteert zich met een complexe psychotische kwetsbaarheid, waarbij zowel psychotische als affectieve symptomen duidelijk naar voren komen. Hij ervaart bijzondere belevingen, waaronder auditieve en visuele hallucinaties, paranoïde ideeën en gevoelens van beïnvloeding, wat leidt tot een aanzienlijke achterdocht ten opzichte van zijn omgeving. (…) Aanvullende diagnostische onderzoeken, zoals een lumbaalpunctie, zijn overwogen om auto-immuun encefalitis uit te sluiten, maar gezien het langdurige beloop en het ontbreken van duidelijke somatische verschijnselen lijkt dit op dit moment onwaarschijnlijk. Het behandelteam is het eens dat de huidige aanpak, gericht op zowel medicamenteuze als psychotherapeutische interventies, passend is en dat regelmatige evaluaties essentieel blijven om tijdig bij te sturen indien de klachten verergeren of nieuwe problematiek optreedt. 19-2-2025 Na overleg is besloten dat cl., gezien de psychotische symptomatologie, wordt overgenomen door afd. ABC.” 7.3 De rechtbank is van oordeel dat een urenbeperking van maximaal 4 uur per dag en maximaal 20 uur per week moet worden aangenomen. Daarvoor is het volgende van belang. 7.3.
  24. In de ‘Standaard duurbelastbaarheid in arbeid’ (Standaard) worden drie indicaties gegeven voor het aannemen van een aanvullende beperking: 1) stoornis in de energiehuishouding, 2) preventief, en 3) verminderde belastbaarheid. Over de indicatie onder 1) is in de Standaard onder meer het volgende opgenomen: “Een stoornis in de energiehuishouding kan het gevolg zijn van zeer uiteenlopende klachten en aandoeningen. Klachten en aandoeningen zowel van lichamelijke als ook van psychische aard. (…) Slaap-waakstoornissen kunnen (…) een symptoom zijn van ziekte (…).”. 7.3.
  25. De verzekeringsarts heeft hierover overwogen: “Met de aard en ernst van het onderliggende medische beeld hangt soms samen dat er extra recuperatieperiodes noodzakelijk zijn, echter in dit geval is dat niet aan de orde gebleken”. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft hierover overwogen: “Een urenbeperking kan worden gegeven indien er sprake is van een ziekte met energetische beperking (zoals aangetoond hartlijden, COPD, MS) (…). Per datum in geding waren al de voorgaande overwegingen niet van toepassing. 7.3.
  26. De verzekeringsarts en de verzekeringsarts bezwaar en beroep hebben hiermee naar het oordeel van de rechtbank niet goed gemotiveerd waarom er geen urenbeperking moet worden aangenomen. Zij hebben enkel gesteld dat er geen recuperatieperiodes nodig zijn / er geen ziekte met energetische beperking is. Dit terwijl toen al duidelijk was dat eiser flinke slaapproblemen had die werden veroorzaakt door psychische klachten. Dat bleek namelijk ook al uit de informatie van de neuroloog, van Mediant en van de psychiater Buiten . Dat de diagnose ‘psychose’ pas later is gesteld doet daaraan niet af, alleen al niet omdat die diagnose niet noodzakelijk is om een urenbeperking aan te nemen. 7.3.
  27. De verzekeringsarts [verzekeringsarts] heeft daarentegen wel goed gemotiveerd dat en waarom er een urenbeperking van 4 uur per dag, en 20 uur per week moet worden aangenomen. In de rapportage van 2 december 2024 staat dat het slaaptekort kan worden gezien als zijnde het gevolg/symptoom van ziekte / psychiatrische aandoening en leidt tot recuperatie noodzaak op de dag. In de rapportage van 6 februari 2024 heeft hij dit nog verder toegelicht: “De door cliënt ervaren klachten en belemmeringen ook t.a.v. diens energetische beperkingen zijn ook op datum in geding het gevolg van ziekte. Er is sprake van psychiatrische problematiek met o.a. slaapproblematiek als gevolg daarvan en energetische klachten als gevolg daarvan. M.n. de langdurige recuperatie overdag bij een ernstig slaapgebrek als gevolg van een ernstige psychiatrische aandoening is daarbij aan de orde. Per datum in geding werden mogelijk psychotische kenmerken ook onderkend, gelet op de psychiatrische expertise. Dat een diagnose inzake psychose lang op zich laat wachten is geen onbekend fenomeen.” 7.
  28. De rechtbank is verder van oordeel dat het Uwv niet goed heeft gemotiveerd waarom geen beperkingen moeten worden aangenomen in verband met de wegrakingen en op het gebied van communicatie. Dat voor de wegrakingen geen aanwijsbare oorzaak is gevonden, betekent niet per definitie dat deze niet kunnen worden geobjectiveerd. Volgens vaste rechtspraak kan in bijzondere gevallen worden aangenomen dat aan de objectiveringseis is voldaan, ook al is niet geheel duidelijk aan welke ziekte of aan welk gebrek het onvermogen om arbeid te verrichten valt toe te schrijven. In die bijzondere gevallen geldt dan wel als (minimum)eis dat bij de (onafhankelijke) medisch deskundigen een vrijwel eenduidige, consistente en naar behoren medisch gemotiveerde en verantwoorde opvatting bestaat dat de verzekerde als gevolg van ziekte of gebrek niet in staat is de desbetreffende arbeid te verrichten. Omdat de wegrakingen in het medisch dossier veelvuldig door verschillende medici worden benoemd en kennelijk reëel worden geacht, kon het UWV niet volstaan met de enkele stelling dat de wegrakingen niet zijn geobjectiveerd. Conclusie en gevolgen
  29. Het beroep is gegrond omdat het bestreden besluit in strijd is met het motiveringsbeginsel zoals bedoeld in artikel 7:12 , eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit. 8.1 De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb dat het UWV een nieuw besluit moet nemen met inachtneming van deze uitspraak. Het UWV zal daarbij moeten uitgaan van de door [verzekeringsarts] gestelde urenbeperking en daarnaast een nader, goed gemotiveerd standpunt over de wegrakingen moeten innemen. De rechtbank geeft het UWV hiervoor zes weken. 8.2 Omdat het beroep gegrond is moet het UWV het griffierecht aan eiser vergoeden en krijgt eiser ook een vergoeding van haar proceskosten. Het UWV moet deze vergoeding betalen. De vergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgt eiser een vast bedrag per proceshandeling. In beroep heeft elke proceshandeling een waarde van € 907,-. Eiser heeft in bezwaar gevraagd om vergoeding van de proceskosten. De gemachtigde heeft een beroepschrift ingediend en de zitting bijgewoond. De vergoeding bedraagt dan in totaal € 1814,-. 8.3 Er bestaat geen aanleiding om het UWV te veroordelen in de kosten die eiser heeft gemaakt voor de door hem ingeschakelde deskundige. Eiser heeft weliswaar een factuur van in het geding gebracht, maar daaruit valt niet op te maken welk uurtarief de deskundige hanteert en hoeveel uur in rekening is gebracht. Beslissing De rechtbank: - verklaart het beroep gegrond; - vernietigt het besluit van 7 juni 2024; - draagt het UWV op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak; - bepaalt dat het UWV het griffierecht van € 51,- aan eiser moet vergoeden; - veroordeelt het UWV tot betaling van € 3.108,- aan proceskosten aan eiser. Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Eikelenboom, rechter, in aanwezigheid van mr.E.G.M. ten Kate, griffier. Uitgesproken in het openbaar op De rechter is verhinderd de uitspraak te ondertekenen Griffier rechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hoger beroepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hoger beroepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. ECLI:NL:CRVB:2023:549

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.