RECHTBANK OVERIJSSEL Zittingsplaats Almelo Bestuursrecht zaaknummer: ZWO 23/956 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [eiseres], uit [woonplaats], eiseres, (gemachtigde: mr. K. Wevers), en het college van burgemeester en wethouders van Hof van Twente, het college, (gemachtigden: mr. G. Aufderhaar en [gemachtigde]). Inleiding In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen de afwijzing van de aanvraag van eiseres om een handbewogen rolstoel op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo 2015). Het college heeft deze aanvraag met het besluit van 13 juni 2022 afgewezen. Met het bestreden besluit van 8 maart 2023 op het bezwaar van eiseres is het college bij de afwijzing van de aanvraag gebleven. De meervoudige kamer heeft het beroep op 16 november 2023 op zitting in Zwolle behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres (via een digitale beeldverbinding), de gemachtigde van eiseres, mevrouw [naam 1] (begeleidster van eiseres, via een digitale beeldverbinding) en mr. drs. R.H.S. Koopman namens het college. Het beroep is gelijktijdig behandeld met de door eiseres ingestelde beroepen met de zaaknummers 23/955, 23/957 en 23/
- De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting geschorst in afwachting van een door het college te verrichten onderzoek. Bij brief van 22 maart 2024 heeft de rechtbank de verdere behandeling van onder andere deze procedure verwezen naar de enkelvoudige kamer. De enkelvoudige kamer heeft het beroep op 29 april 2025 in Almelo op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres (via een digitale beeldverbinding), de gemachtigde van eiseres, mevrouw [naam 1] (begeleidster van eiseres, via een digitale beeldverbinding) en de gemachtigden van het college. Het beroep is gelijktijdig behandeld met de door eiseres ingestelde beroepen met de zaaknummers 23/955, 23/957, 23/958 en 24/
- Beoordeling door de rechtbank
- De rechtbank beoordeelt het bestreden besluit. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiseres.
- Naar het oordeel van de rechtbank is het beroep gegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Aanleiding
- Eiseres heeft op 21 november 2021 een melding bij het college gedaan op grond van de Wmo
- Eiseres heeft hierbij gevraagd om een nieuwe handbewogen rolstoel. 3.
- Het college heeft advies ingewonnen bij het externe adviesbureau [bedrijf 1]. Ergotherapeut en adviseur sociaal domein de heer De Rek en arts en sociaal geneeskundige de heer Van Diermen hebben onderzoek verricht naar de situatie van eiseres en de bevindingen neergelegd in een rapport van 11 mei
- In dit advies is, voor zover hier relevant, vermeld: “Daarnaast wil mevrouw graag een duwrolstoel voor die momenten, dat zij geen gebruik kan maken van de elektrische rolstoel. (…) Er geldt een positief advies voor een elektrische rolstoel. Er wordt negatief geadviseerd voor de gevraagde tweede duwrolstoel. Een tweede rolstoel draagt niet bij aan een vergroting van de zelfredzaamheid. Bij reparatie of onderhoud van de elektrische rolstoel zal mevrouw tijdelijk het bed moeten houden.” 3.
- Het college heeft, onder verwijzing naar dit advies van [bedrijf 1], de besluiten van 13 juni 2022 en 8 maart 2023 genomen. Nieuwe ontwikkelingen
- Naar aanleiding van de zitting van de meervoudige kamer op 16 november 2023 heeft het college [bedrijf 2] ingeschakeld om advies uit te brengen over de situatie van eiseres en de noodzakelijkheid van Wmo-voorzieningen.
- Bij beslissing op bezwaar van 13 maart 2024 heeft het college eiseres een persoonsgebonden budget toegekend voor de aanschaf van een aangepaste elektrische rolstoel. Eiseres heeft inmiddels de beschikking over deze elektrische rolstoel.
- In de door eiseres overgelegde adviezen van [bedrijf 2] is onder meer het volgende opgenomen. In advies 2024-01632:“Client is voor het vervoer afhankelijk van een autobus waar zij met haar eigen elektrische rolstoel kan inrijden. Daarnaast is zij op locaties welke zij niet met haar elektrische rolstoel kan betreden afhankelijk van een handbewogen rolstoel voor incidenteel gebruik” In advies 2024-01630:“Ons onderzoek is gericht op het kunnen gebruiken van de natte cel en slaapkamer. Gezien de aandoeningen en beperkingen van cliënt, zoals in meerdere medische adviesrapportages beschreven, moet in haar situatie worden uitgegaan van een gelijkvloerse woonsituatie. Hiervan is al sprake, namelijk de slaapkamer en natte cel zijn al gesitueerd op de begane grond. In afwijking van het programma van eisen behorend bij het rapport van [bedrijf 1] zijn de ruimten niet aangrenzend. Echter levert dit in normaal gebruik geen problemen op. Wel is een handbewogen rolstoel voor incidenteel gebruik noodzakelijk, zodat een snelle / makkelijke transfer naar sofa, de natte cel en eventueel het toilet kan plaatsvinden. Deze rolstoel kan ook worden ingezet voor de transfer naar de natte cel om daar een transfer met een tillift naar de douchebrancard te maken.”
- Op de zitting van 29 april 2025 heeft het college toegelicht dat eiseres een elektrische rolstoel heeft die geschikt is voor de verplaatsingen in huis. Volgens het college is er geen noodzaak voor een tweede voorziening met hetzelfde gebruiksdoel en is de handbewogen rolstoel aanvankelijk als een reserverolstoel gepresenteerd. Het college heeft verder opgemerkt dat de adviezen van [bedrijf 2] en [bedrijf 1] verschillen en dat het voor het college lastig is om te beoordelen welke deskundige moet worden gevolgd.
- Op de zitting van 29 april 2025 heeft eiseres gesteld dat de elektrische rolstoel en de handbewogen rolstoel elkaar aanvullen. De handbewogen rolstoel is nodig voor de plekken waar de elektrische rolstoel niet kan komen. Overwegingen van de rechtbank
- Op grond van artikel 2.3.5, derde lid, van de Wmo 2015 beslist het college tot verstrekking van een maatwerkvoorziening ter compensatie van de beperkingen in de zelfredzaamheid of participatie die de cliënt ondervindt, voor zover de cliënt deze beperkingen naar het oordeel van het college niet op eigen kracht, met een algemeen gebruikelijke voorziening, met gebruikelijke hulp, met mantelzorg of met hulp van andere personen uit zijn sociale netwerk dan wel met gebruikmaking van algemene voorzieningen kan verminderen of wegnemen. De maatwerkvoorziening levert, rekening houdend met de uitkomsten van het in artikel 2.3.2 bedoelde onderzoek, een passende bijdrage aan het realiseren van een situatie waarin de cliënt in staat wordt gesteld tot zelfredzaamheid of participatie en zo lang mogelijk in de eigen leefomgeving kan blijven.
- Het college heeft de besluitvorming ten aanzien van de aanvraag om een handbewogen rolstoel niet gewijzigd sinds het bestreden besluit van 8 maart
- Naar het oordeel van de rechtbank is het bestreden besluit, met de verwijzing naar de elektrische rolstoel en de overweging dat een tweede rolstoel niet bijdraagt aan een vergroting van de zelfredzaamheid, onvoldoende deugdelijk gemotiveerd. [bedrijf 2] heeft in de adviezen expliciet vermeld dat de handbewogen rolstoel voor eiseres noodzakelijk is bij verplaatsingen binnenshuis en buitenshuis. Het college heeft niet uitgelegd waarom de adviezen van [bedrijf 2] niet worden gevolgd. Voor zover het college er bij de besluitvorming vanuit is gegaan dat de handbewogen rolstoel als reserverolstoel voor de elektrische rolstoel is bedoeld, volgt de rechtbank dat niet. Al in de Wmo-melding is aangegeven dat de handbewogen rolstoel (ook) bedoeld is voor alle plaatsen waar een elektrische rolstoel niet naar binnen kan. Het bestreden besluit wordt vernietigd wegens strijd met artikel 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht en het beroep is gegrond. De rechtbank draagt het college op opnieuw op het bezwaar van eiseres te beslissen met inachtneming van deze uitspraak. Daarbij is ook van belang of het mogelijk is om de rolstoel geschikt te maken voor eiseres.
- Er bestaat aanleiding om het college te veroordelen in de proceskosten in beroep. De rechtbank stelt de proceskosten voor door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, conform het Besluit proceskosten bestuursrecht, vast op een bedrag van € 907,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, met een waarde per punt van € 907,-) . Voor het verschijnen op de zitting van 16 november 2023 en voor de nadere zitting op 29 april 2025 heeft de rechtbank reeds proceskosten toegekend in de procedure met zaaknummer 23/
- Het college zal aan eiseres het door haar betaalde griffierecht dienen te vergoeden. Beslissing De rechtbank: - verklaart het beroep gegrond; - vernietigt het bestreden besluit; - draagt het college op opnieuw op het bezwaar van eiseres te beslissen met inachtneming van wat in deze uitspraak is overwogen; - veroordeelt het college in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 907,-; - bepaalt dat het college het door eiseres betaalde griffierecht van € 50,- vergoedt. Deze uitspraak is gedaan door mr. A.T. de Kwaasteniet, rechter, in aanwezigheid van mr. H. Richart, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op griffier rechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.