RECHTBANK OVERIJSSEL Zittingsplaats Almelo Bestuursrecht zaaknummer: ZWO 24/4289 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [eiser] , uit [woonplaats] , eiser (gemachtigde: mr. S. Klomp), en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen, het UWV (gemachtigde: M.A. Kuilderd). Inleiding
- In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het besluit van het UWV om zijn Werkloosheidswet (WW) uitkering met ingang van 29 juli 2024 niet tot uitbetaling te laten komen. 1.
- Eiser heeft op 1 augustus 2024 een WW-aanvraag gedaan.Het UWV heeft deze aanvraag met het besluit van 8 augustus 2024 (primair besluit I) afgewezen omdat eiser niet aan de wekeneis voldeed. 1.
- Eiser heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt. 1.
- Bij besluit van 24 september 2024 (primair besluit II) heeft het UWV primair besluit I vervallen verklaard. Voorts is bepaald dat eiser met ingang van 29 juli 2024 in aanmerking wordt gebracht voor een WW-uitkering, maar dat deze niet wordt uitbetaald omdat eiser verwijtbaar werkloos is geworden uit zijn voorlaatste dienstverband. 1.
- Met het bestreden besluit van 5 november 2024 op het bezwaar van eiser is het UWV bij de afwijzing van de aanvraag gebleven. 1.
- Het UWV heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. 1.
- De rechtbank heeft het beroep op 6 maart 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van het UWV. Tevens is verschenen de vader van eiser. 1.
- Het onderzoek ter zitting is geschorst om het UWV in de gelegenheid te stellen nadere informatie te overleggen. 1.
- Bij brief van 13 maart 2025 heeft het UWV aanvullende informatie overgelegd. De gemachtigde van eiser heeft hierop gereageerd bij brief van 28 maart
- 1.
- Desgevraagd hebben partijen niet aangegeven behoefte te hebben aan een nadere behandeling ter zitting.Hierop is het onderzoek gesloten. Totstandkoming van het besluit
- Eiser was vanaf 15 oktober 2023 werkzaam voor [bedrijf] B.V., ( [bedrijf] ) voor 32 uur per week als [beroep] . Hij had bij dit bedrijf een contract voor bepaalde tijd voor een jaar, tot 15 oktober 2024.Eiser heeft per 29 maart 2024 ontslag genomen bij [bedrijf] .Eiser is per 5 april 2024 in dienst getreden bij Aktief Werkt B.V (Aktief Werkt). Hij had hierbij een nul uren-oproepcontract tot 4 augustus 2024.Eiser is werkloos geworden met ingang van 29 juli
- Op 1 augustus 2024 heeft hij een WW-aanvraag gedaan. Hierna heeft besluitvorming plaatsgevonden zoals weergegeven onder het kopje “inleiding”. Standpunten van partijen.
- Het UWV heeft zich in het bestreden besluit op het standpunt gesteld dat weliswaar recht op uitkering bestaat met ingang van 29 juli 2024, maar dat dit recht niet tot uitkering komt omdat eiser verwijtbaar werkloos is geworden uit zijn voorlaatste dienstverband. Om een WW-uitkering te kunnen krijgen, moet eiser in ten minste 26 weken loon hebben ontvangen. Bij zijn laatste werkgever, Aktief Werkt, heeft hij minder dan 26 weken loon ontvangen. Daarom is ook gekeken waarom zijn contract bij zijn voorlaatste werkgever, [bedrijf] , is beëindigd. Hij heeft op 29 maart 2024 ontslag genomen bij deze werkgever zonder dat hij zicht had op een nieuwe baan van ten minste 26 weken. Hij nam daarmee het risico werkloos te worden. Uit onderzoek van het UWV blijkt dat eiser bij [bedrijf] in dienst had kunnen blijven na 15 oktober
- Dat betekent dat hij verwijtbaar werkloos is geworden en daarom wordt de WW-uitkering blijvend niet uitbetaald. Bij brief van 13 maart 2025 heeft het UWV een reactie van [bedrijf] bijgevoegd van 13 maart
- Hierin is vermeld: “ Intern hebben wij toen al gezegd dat wij hem zouden laten lopen tot oktober en dan afscheid wilden gaan nemen, tenzij zijn werkgedrag beter zou worden.”
- Eiser stelt dat het UWV de WW-uitkering ten onrechte blijvend geheel geweigerd heeft. Eiser stelt dat het UWV hoogstens een sanctie had kunnen opleggen tot 15 oktober
- Per die datum zou de WW-uitkering alsnog moeten worden uitbetaald.Vaststaat dat de werkloosheid van eiser per 15 oktober 2024 zou zijn ingetreden als gevolg van het einde van zijn jaarcontract en dat dit zou niet verlengd worden. Een sanctie op grond van verwijtbare werkloosheid is alleen mogelijk zijn indien vaststaat dat het tijdelijke contract zou zijn verlengd. Dat is niet het geval, dit heeft [bedrijf] ook aan het UWV bevestigd; hij had alleen het contract had kunnen uitdienen tot 15 oktober
- Het UWV had conform de Beleidsregels toepassing artikelen 24 en 27 WW 2006, (de Beleidsregels) alsook de rechtspraak, het te vroeg werkloos worden van eiser moeten kwalificeren als benadelingshandeling in plaats van als verwijtbare werkloosheid.Het UWV stelt volgens eiser dat om voor een benadelingshandeling in aanmerking te komen, voldaan moet zijn aan de voorwaarde dat tussen de datum van beëindiging van de arbeidsovereenkomst door de werknemer en de datum waarop de arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd zou zijn geëindigd niet meer dan 3 maanden liggen. Omdat eiser het eerdere dienstverband heeft opgezegd per 29 maart 2024 en het contract doorliep tot en met 15 oktober 2024, is daaraan niet voldaan en komt eiser niet in aanmerking voor een benadelingshandeling. Eiser stelt dat dit in strijd is met het evenredigheidsbeginsel. De uitleg van het UWV zou ertoe leiden dat als hij op 29 juli 2024 zijn arbeidsovereenkomst had opgezegd, hij per 15 oktober 2024 wél voor een WW- uitkering in aanmerking zou zijn gekomen. Als hij niet zou hebben opgezegd, dan zou zijn arbeidsovereenkomst op 15 oktober 2024 zijn geëindigd en zou hij ook voor WW-uitkering in aanmerking zijn gekomen. Maar omdat hij eerder zijn baan heeft opgezegd, waarbij hij geen gebruik heeft gemaakt van een WW-uitkering omdat hij vrijwel aansluitend elders in dienst kon treden, en er daar vervolgens geen werk meer is, hij niet per 15 oktober 2024 voor WW in aanmerking komt. De gevolgen van de werkloosheid die niet aan hem zijn toe te rekenen, komen zo alsnog voor zijn rekening. Het beleid dat hierbij geldt is helder, zeker als het gaat om het opzeggen van een dienstverband voor onbepaalde tijd. In dit geval is echter sprake van een contract voor bepaalde tijd dat nog ongeveer 26 weken zou duren. Daarna zou het dienstverband niet verlengd worden gezien de ontstane situatie bij de werkgever. Eiser had dus bij de beëindiging nog maar zicht op een zeer kortdurend dienstverband. In dat geval is het onredelijk om te vragen het uit te dienen. Eiser had inmiddels zelf ander werk gevonden en daarmee zijn werkloosheidsdatum verlegd naar een latere datum. Die datum valt wel binnen de periode dat het voormalige dienstverband binnen 3 maanden zou zijn geëindigd. Eiser wordt door het besluit nu onevenredig benadeeld. In reactie op de brief van 13 maart 2025 heeft eiser gesteld dat uit de reactie van [bedrijf] blijkt dat het contract niet verlengd zou worden. Hetgeen is verklaard stemt overeen met de eerdere verklaring zoals opgenomen in de gespreksnotitie van 24 september
- Toen is verklaard: “Hij had kunnen blijven werken, contract uit kunnen dienen.” Voor eiser was het duidelijk dat er voor hem geen toekomst was bij [bedrijf] . Eiser acht de vraagstelling van het UWV aan [bedrijf] voorts sturend; er is doorgevraagd. Uit zichzelf had [bedrijf] namelijk niets gezegd over een contractverlenging. Eiser heeft zich naar beste kunnen ingezet, een verbetering lag daarmee niet in zijn bereik, en daardoor dus ook geen verlenging van zijn contract. Beoordeling door de rechtbank
- De rechtbank beoordeelt het besluit van UWV dat weliswaar recht op uitkering bestaat, maar dat dit recht niet tot uitbetaling komt omdat eiser verwijtbaar werkloos is geworden.Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiser.
- Het beroep is ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. 6.
- De voor de beoordeling van beroep belangrijke wet- en regelgeving is te vinden in de bijlage bij deze uitspraak. 6.
- Niet in geschil is dat eiser bij Aktief Werkt een contract voor bepaalde tijd had, namelijk van 5 april 2024 tot en met 4 augustus 2024 en dat dit contract niet verwijtbaar is beëindigd. Evenmin is in geschil dat eiser zelf ontslag heeft genomen bij [bedrijf] , de voorlaatste werkgever, en dat hij aldaar een contract had tot 15 oktober
- Het geschil spitst zich toe op de vraag of de maatregel van weigering van de WW-uitkering had moeten beperken tot de einddatum van het contract bij [bedrijf] , 15 oktober 2024, omdat eiser op die datum sowieso werkloos zou worden. 6.
- Eiser is werkloos is geworden uit de dienstbetrekking bij Aktief Werkt die niet zo lang heeft geduurd dat de hij uitsluitend op grond van die dienstbetrekking een recht op WW-uitkering kan ontlenen. Uit vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) volgt dat in zo’n situatie, ter beantwoording van de vraag of sprake is van verwijtbare werkloosheid, mede de omstandigheden in aanmerking worden genomen waaronder de voorafgaande dienstbetrekking is geëindigd. In uitspraken van de CRvB is neergelegd dat, indien de werkloosheid uit de nieuwe dienstbetrekking niet verwijtbaar is, geen onderzoek naar de redenen van de baanwisseling behoeft te worden gedaan indien ten tijde van die baanwisseling een reëel vooruitzicht bestond op een dienstverband van ten minste 26 weken in een ongeveer gelijke omvang als in de dienstbetrekking die beëindigd wordt. In het geval van eiser bestond een dergelijk reëel vooruitzicht niet, en daarom moet worden bezien of de omstandigheden die aanleiding waren voor de baanwisseling moeten leiden tot het oordeel dat de werknemer ter zake van de werkloosheid een verwijt treft. Daarbij dienen de persoonlijke beweegredenen van de werknemer om van baan te wisselen en de omvang van het door hem genomen risico om een beroep te moeten doen op een uitkering ingevolge de WW in ogenschouw te worden genomen. 6.
- Niet in geschil is dat eiser zelf het zijn dienstverband bij [bedrijf] per 29 maart 2024 heeft beëindigd, terwijl hij dit dienstverband had kunnen voortzetten tot 15 oktober
- De rechtbank acht hetgeen eiser heeft aangevoerd voor de beëindiging onvoldoende voor het oordeel dat hem dit niet kan worden verweten. Niet aannemelijk is geworden dat de voortzetting van de dienstbetrekking tot 15 oktober 2024 redelijkerwijs niet van eiser kon worden gevergd. De enkele stelling dat er minder werk was en dat de werkgever afspraken niet is nagekomen is daarvoor onvoldoende. Er is dus voldaan aan de omschrijving van de in artikel 24, eerste lid, aanhef en onder a, in samenhang gelezen met artikel 24, tweede lid, aanhef en onder b, van de WW neergelegde variant van verwijtbare werkloosheid. Op grond van artikel 27, eerste lid, van de WW moet het UWV daarom een bedrag blijvend in mindering brengen op de uitkering. In het elfde lid is neergelegd hoe dit bedrag moet worden berekend. Dit komt bij volledige werkloosheid neer op een gehele weigering van de WW-uitkering. 6.
- Daarnaast heeft eiser door ontslag te nemen per 29 maart 2024 gehandeld in strijd met artikel 24, vijfde lid, van de WW. Op grond van dat artikel is de werknemer verplicht zich zodanig te gedragen dat hij de werkloosheidsfondsen niet benadeelt. Op grond van artikel 27, derde lid, van de WW, moet het UWV daarom de uitkering tijdelijk of blijvend, geheel of gedeeltelijk, weigeren. Deze maatregel moet op grond van artikel 27, zesde lid, van de WW worden afgestemd op de ernst van de gedraging en de mate waarin de werknemer de gedraging verweten kan worden. 6.
- In dit geval is dus zowel voldaan aan de omschrijving van een bepaalde vorm van verwijtbare werkloosheid als aan die van een benadelingshandeling. Volgens rechtspraak van de CRvB heeft in zijn algemeenheid een aan overtreding van de in artikel 24 specifiek omschreven verplichtingen verbonden maatregel het primaat ten opzichte van een maatregel die het gevolg is van het plegen van de in die bepaling in algemene termen aangeduide benadelingshandeling. Dit uitganspunt is echter niet absoluut. Daarvan moet worden afgeweken als het effect van de maatregel voor verwijtbare werkloosheid de omvang van de aan betrokkene toe te rekenen werkloosheid aanzienlijk overstijgt. Dat is zo als iemand niet verwijtbaar werkloos wordt uit een dienstverband die niet zo lang heeft geduurd hij uitsluitend aan die dienstbetrekking een recht op WW-uitkering kan ontlenen, wel verwijtbaar werkloos werd uit de voorlaatste dienstbetrekking, en op de datum van beëindiging van het voorlaatste dienstverband al duidelijk was dat de betrokkene op een later gelegen datum, die ligt binnen de periode waarover de maatregel is opgelegd, werkloos zou worden. In dat geval moet de maatregel beperkt blijven tot de periode tussen de ontslagname uit het voorgaande dienstverband en de datum waarop dat dienstverband zou eindigen. 6.
- Uit de in 6.6 genoemde uitspraak blijkt ook dat deze uitzondering niet geldt als het mogelijk, dan wel niet uitgesloten, moet worden geacht dat het voortijdig beëindigd voorlaatste dienstverband voor bepaalde tijd voortgezet had kunnen worden, als de vervroegde beëindiging niet had plaatsgevonden. In dat geval geldt dus onverkort het uitgangspunt dat primaat toekomt aan de maatregel op grond van verwijtbare werkloosheid. 6.
- In het geval van eiser geldt de in 6.6 genoemde uitzondering niet. Uit de brief van 13 maart 2025 van [bedrijf] blijkt namelijk dat deze heeft aangegeven dat eiser zijn contract tot oktober 2024 kon uitdienen en dat ze daarna afscheid van hem zouden nemen, tenzij zijn werkgedrag beter zou worden. Uit deze laatste zin blijkt dat het contract van eiser wel degelijk verlengd had kunnen worden, als eiser zijn werkgedrag zou verbeteren. Het was dus niet uitgesloten dat het dienstverband bij [bedrijf] na 15 oktober 2024 voortgezet kon. De enkele stelling van eiser dat hij zich tot het uiterste heeft ingezet maakt het voorgaande niet anders. Het uitgangspunt dat primaat toekomt aan de maatregel op grond van verwijtbare werkloosheid geldt in het geval van eiser dus onverkort. 6.
- Het UWV heeft in zijn beleidsregels neergelegd dat wordt afgezien van een blijvend gehele weigering in situaties waarin weliswaar sprake is van verwijtbare werkloosheid, maar tevens vaststaat dat het dienstbetrekking binnen drie maanden niet verwijtbaar zou zijn geëindigd. In dat geval wordt door UWV een maatregel wegens benadeling opgelegd voor de duur van de periode dat de werknemer nog in dienst had kunnen zijn. De beroepsgrond dat het UWV deze uitzondering ook moet toepassen als vaststaat dat de voorlaatste dienstbetrekking op een langere termijn zou zijn geëindigd slaagt niet. In het geval van eiser staat namelijk in het geheel niet vast dat de dienstbetrekking bij [bedrijf] op 15 oktober 2024 zou zijn beëindigd. 6.
- Eiser kan ten slotte geen geslaagd beroep doen op het evenredigheidsbeginsel. Volgens vaste rechtspraak van de CRvB heeft de wetgever met de keuze van de verplichte maatregel in artikel 27, eerste lid, van de WW beoogd een volledige afweging te maken met betrekking tot de evenredigheid van die maatregel. De essentie van de dwingend geformuleerde maatregel is dat degene die niet verminderd verwijtbaar werkloos wordt geacht, geen aanspraak kan maken op een WW-uitkering. Deze essentie kan de wetgever bij het vaststellen van de wet niet zijn ontgaan, zodat moet worden aangenomen dat de wetgever dit gevolg heeft bedoeld en voorzien.
- Het UWV heeft de WW-uitkering daarom terecht blijvend geheel geweigerd, omdat sprake is van verwijtbare werkloosheid. Conclusie en gevolgen
- Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de uitkering van eiser terecht niet tot uitbetaling is gekomen. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Eikelenboom, rechter, in aanwezigheid van mr. E.G.M. ten Kate, griffier. Uitgesproken in het openbaar op griffier rechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hoger beroepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hoger beroepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving Werkloosheidswet (WW) Artikel 24
- De werknemer voorkomt dat hij: verwijtbaar werkloos wordt; werkloos is of blijft, doordat hij: 1°. in onvoldoende mate tracht passende arbeid te verkrijgen; 2°. nalaat aangeboden passende arbeid te aanvaarden of door eigen toedoen geen passende arbeid verkrijgt; 3°.door eigen toedoen geen passende arbeid behoudt; of 4°.in verband met door hem te verrichten arbeid eisen stelt die het aanvaarden of verkrijgen van passende arbeid belemmeren. 2 De werknemer is verwijtbaar werkloos geworden indien: an de werkloosheid een dringende reden ten grondslag ligt in de zin van artikel 678 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek en de werknemer terzake een verwijt kan worden gemaakt; de dienstbetrekking is beëindigd door of op verzoek van de werknemer zonder dat aan de voortzetting ervan zodanige bezwaren waren verbonden, dat deze voortzetting redelijkerwijs niet van hem kon worden gevergd. (…) Artikel 27
- Het UWV brengt een bedrag blijvend op de uitkering in mindering indien de werknemer een verplichting als bedoeld in artikel 24, eerste lid, onderdeel a, of onderdeel b, onder 3°, niet is nagekomen, tenzij het niet nakomen van de verplichting de werknemer niet in overwegende mate kan worden verweten. In dat geval brengt het UWV de helft van het bedrag, bedoeld in de eerste zin, in mindering over ten hoogste een periode van 26 weken. 2 Het UWV brengt een bedrag blijvend op de uitkering in mindering indien de werknemer een verplichting als bedoeld in artikel 24, eerste lid, onderdeel b, onder 2°, niet is nagekomen. 3 Het UWV weigert de uitkering tijdelijk of blijvend, geheel of gedeeltelijk ter zake van het niet of niet behoorlijk nakomen door de werknemer van een verplichting als bedoeld in de artikelen 24, eerste lid, onderdeel b, onder 1° of 4°, of vijfde lid, of 26, artikel 55, tweede lid, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen of artikel 28, tweede lid, van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen, dan wel ter zake van het niet binnen de door het UWV daarvoor vastgestelde termijn nakomen door de werknemer van een verplichting als bedoeld in artikel
- (…)
- Het bedrag, bedoeld in het eerste en tweede lid, wordt als volgt berekend: A x B x (C / D). Hierbij staat:A voor 0,75 in de eerste twee maanden waarop recht op uitkering bestaat en daarna voor 0,7;B voor het aantal uren in een kalendermaand dat de werknemer gewerkt zou hebben indien hij de arbeid, bedoeld in het eerste of tweede lid, zou hebben aanvaard, verkregen of behouden;C voor het dagloon; enD voor het gemiddeld aantal arbeidsuren per kalenderweek, bedoeld in artikel 16, tweede en zesde lid, gedeeld door
- Beleidsregels toepassing artikelen 24 en 27 WW 2006 Paragraaf
- Eindiging van de dienstbetrekking op initiatief werkgever of werknemer en beoordeling arbeidsrechtelijke dringende reden Een beëindiging van de dienstbetrekking op initiatief van de werkgever (dat wil zeggen dat de werknemer er niet om heeft gevraagd) leidt alleen tot verwijtbare werkloosheid als er een arbeidsrechtelijke dringende reden als bedoeld in artikel 7:678 BW aan ten grondslag ligt. In dat geval is er in beginsel sprake van verwijtbare werkloosheid in de zin van artikel 24, lid 2, onder a, WW. Dit betekent dat elke andere beëindiging van de dienstbetrekking op initiatief van de werkgever, ook al is die bijvoorbeeld in strijd met een opzegverbod, niet leidt tot verwijtbare werkloosheid. Van de werknemer wordt in deze situaties niet langer verwacht dat hij zich verzet tegen een voorgenomen beëindiging van zijn dienstbetrekking. Vanuit het oogpunt van de WW wordt van de werknemer slechts in één situatie verlangd dat hij zich verzet tegen het einde van zijn dienstbetrekking, namelijk tegen een voorgenomen beëindiging van de dienstbetrekking tijdens een opgelegde loonsanctie. Als hij dat nalaat kan er sprake zijn van benadeling. Hierop wordt nader ingegaan in paragraaf
- Ook in het geval de dienstbetrekking onnodig vroeg tot een einde is gekomen, is er in beginsel sprake van benadeling. Zie in dit verband verder paragraaf
- Indien na onderzoek door UWV onduidelijk blijft of werkgever dan wel werknemer het initiatief heeft genomen, gaat UWV er vanuit dat het initiatief aan de kant van de werkgever ligt. Wanneer de werknemer het initiatief neemt tot beëindiging van de dienstbetrekking zal beoordeeld worden of voortzetting van de dienstbetrekking van de werknemer te vergen is geweest. Indien dit het geval is, dan is er in beginsel sprake van verwijtbare werkloosheid op grond van artikel 24, tweede lid, onder b, WW. Ten opzichte van de beoordeling vóór 1 oktober 2006 verandert hierin niets. (…) Paragraaf
- Duur van de maatregel bij niet-verwijtbare eindiging van de dienst betrekking binnen 3 maanden na een verwijtbare eindiging De hoofdregel is dat bij verwijtbare werkloosheid door UWV een blijvend gehele weigering wordt opgelegd of een verlaging van de uitkering tot 35% gedu rende (maximaal) 26 weken (bij vermin derde verwijtbaarheid). Op deze hoofdregel wordt één uitzondering gemaakt. Die uitzondering geldt voor situaties waarin weliswaar sprake is van verwijtbare werkloosheid, maar tevens vaststaat dat het dienstbetrekking binnen drie maanden niet verwijtbaar zou zijn geëindigd. In dat geval wordt door UWV een maatregel wegens benadeling opgelegd voor de duur van de periode dat de werknemer nog in dienst had kun nen zijn. Zie de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 30 juni 2022, ECLI:NL:CRVB:2022:1518 Zie de uitspraken van 24 juni 2009, ECLI:NL:CRVB:2009:BJ2443, BJ2446 en BJ2452 Uitspraak van 13 september 2000, ECLI:NL:CRVB:2000:ZB8966 Uitspraak van 6 maart 2024, ECLI:NL:CRVB:2024:428