ECLI:NL:RBOVE:2025:340
RECHTBANK Overijssel Civiel recht Zittingsplaats Almelo Zaaknummer: C/08/319204 / HA ZA 24-317 Vonnis van 22 januari 2025 in de zaak van [de vrouw] , te [woonplaats 1], eisende partij, hierna te noemen: de vrouw, advocaat: mr. A.J.W. Bovenmars-Wilmink, tegen [de man] , te [woonplaats 2], gedaagde partij, hierna te noemen: de man, thans zonder advocaat.
1De procedure 1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
1.2.
Het vonnis is bepaald op vandaag.
2De beoordeling 2.1.
De man heeft geen conclusie van antwoord genomen. Dit betekent dat de man de stellingen van de vrouw niet gemotiveerd heeft betwist. Daarom zal de rechtbank het door de vrouw gevorderde toewijzen, met inachtneming van en behoudens het navolgende.
2.2.
Het gevorderde strekt er – zeer kort gezegd – toe om tot verdeling van de woning aan de [adres] (hierna: de woning) te komen. Daarbij overweegt de rechtbank op grond van de door de vrouw in de dagvaarding verstrekte informatie dat partijen gemeenschappelijk eigenaar zijn van de woning en derhalve deelgenoten. Indien de deelgenoten in een gemeenschap geen overeenstemming over de verdeling van een gemeenschap kunnen bereiken, kan de rechter de wijze van verdeling daarvan op de voet van artikel 3:185 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) vaststellen. Daarbij dient, zoals in dat artikel is bepaald, naar billijkheid rekening te worden gehouden met de belangen van partijen en het algemeen belang. De rechter die de verdeling vaststelt, geniet een mate van vrijheid en is niet gebonden aan hetgeen partijen hebben gevorderd en hij behoeft niet expliciet in te gaan op hetgeen partijen aanvoeren (HR 17 april 1998, ECLI:NL:HR:1998:ZC2631).
2.3.
De rechtbank stelt vast dat het onder I en II gevorderde er in feite op neerkomt dat (het aandeel van de vrouw in) de woning (binnen een bepaalde termijn) alsnog aan de man wordt toegedeeld onder bepaalde voorwaarden, waaronder het ontslag uit de hoofdelijke aansprakelijkheid van de vrouw jegens de hypotheekverstrekker en betaling van een bedrag van € 30.000,- (aan overbedelingsvergoeding) aan de vrouw. Het onder III gevorderde komt er in feite op neer dat - als overname van (het aandeel van de vrouw in) de woning (onder de door de vrouw genoemde voorwaarden) niet lukt - de vrouw zonder medewerking van de man en met toepassing van artikel 3:300 lid 2 BW de woning kan verkopen en leveren aan een derde, waarbij de netto-verkoopopbrengst, tussen partijen bij helfte wordt gedeeld.
2.4.
Met inachtneming van hetgeen is overwogen onder 2.2. zal de rechtbank overgaan tot vaststelling van de verdeling van de woning en de daaraan verbonden hypotheekschuld. De rechtbank zal daarbij rekening houden met de door de vrouw gestelde voorwaarde dat de hypotheekverstrekker bereid is haar te ontslaan uit de hoofdelijke aansprakelijkheid betreffende de hypothecaire geldlening.
2.5.
De rechtbank zal bepalen dat (het aandeel van de vrouw in) de woning aan de man wordt toegedeeld onder de in de beslissing opgenomen verplichtingen en bepalingen. Gelet op het onder III gevorderde ziet de rechtbank geen aanleiding om aan deze verplichtingen/ bepalingen een dwangsom te koppelen dan wel een dwangvertegenwoordiger te benoemen om namens de man bepaalde handelingen te verrichten. De man krijgt nog één mogelijkheid om de woning over te nemen. Als hij de woning niet wil of kan overnemen onder de in de beslissing opgenomen verplichtingen/ bepalingen dan zal de woning moeten worden verkocht en geleverd aan een derde. De rechtbank gaat er vanuit dat de vrouw meewerkt aan de toedeling van de woning aan de man, nu haar vordering ook daartoe strekt. Zekerheidshalve zal de rechtbank dat ook in de beslissing bepalen onder 3.1. onder a.
2.6.
Voor het geval de man de woning niet wil of kan overnemen moet de woning dus worden verkocht en geleverd aan een derde. De rechtbank zal de man eerst nog enige tijd geven om vrijwillig zijn medewerking te verlenen aan de verkoop en levering van de woning aan een derde. Ingeval hij dat niet doet mag artikel 3:300 BW worden toegepast. De verkoop en levering van de woning zal in dat geval onder de in de beslissing opgenomen bepalingen moeten plaatsvinden.
2.7.
De rechtbank ziet geen aanleiding af te wijken van het gebruikelijke uitgangspunt om bij gewezen partners te bepalen dat partijen belast blijven met de eigen proceskosten.
3De beslissing 3.1.
Stelt de verdeling van de gezamenlijk in eigendom aan partijen toebehorende woning aan de [adres] (hierna: de woning) en de daaraan verbonden hypotheekschuld als volgt vast: a. deelt de woning toe aan de man onder de verplichting om: i. de hypothecaire geldlening bij de hypotheekverstrekker Aegon (onder nummer [nummer]) geheel voor zijn rekening te nemen en als eigen schuld te voldoen en de vrouw te doen ontslaan uit de hoofdelijke aansprakelijkheid voor deze hypothecaire geldlening, waarbij het ontslag uit de voornoemde hoofdelijke aansprakelijkheid moet blijken uit een schriftelijke verklaring van de hypotheekverstrekker aan de vrouw, en; ii. aan de vrouw het bedrag van € 30.000,- aan overbedelingsvergoeding te betalen; onder bepaling dat:
3.2. bepaalt dat, in geval de man de in het dictumonderdeel 3.1. onder b, opgedragen medewerking niet (volledig) verleent, dit vonnis op grond van artikel 3:300 BW in de plaats komt van de noodzakelijke toestemming en/of wilsverklaring en/of handtekening van de man die nodig is voor respectievelijk de verkoopopdracht, de verkoop en de levering en het notariële transport van de woning, mits die verkoopopdracht en/of verkoopovereenkomst en/of notariële akte geen bepalingen inhoudt/inhouden die afwijken van wat in de gegeven omstandigheden gebruikelijk is, zulks ter beoordeling van de betreffende makelaar en/of de notaris ten overstaan van wie de betreffende akte gepasseerd wordt;
3.3. verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
3.4. compenseert de proceskosten, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;
3.5. wijst af het meer of anders gevorderde.
Dit vonnis is gewezen door mr. A. Smedes en in het openbaar uitgesproken op 22 januari 2025.