RECHTBANK Overijssel Civiel recht Zittingsplaats Almelo Zaaknummer: C/08/327997 / HA ZA 25-34 Vonnis van 28 mei 2025 in de zaak van de vennootschap onder firma [partij A] V.O.F., gevestigd in [vestigingsplaats 1] , eisende partij, hierna te noemen: [partij A] , advocaat: mr. J.F.H. Teunissen, tegen de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [partij B] B.V., gevestigd in [vestigingsplaats 2] , gedaagde partij, hierna te noemen: [partij B] , advocaat: mr. P.H.A. Mulder. 1De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: - de dagvaarding;- de conclusie van antwoord tevens houdende exceptie van niet-ontvankelijkheid tevens houdende eis in (voorwaardelijke) reconventie;- de conclusie van antwoord in incident, tevens conclusie van antwoord in reconventie. 1.2 Aansluitend is vonnis bepaald. 2Het geschil tussen partijen 2.1 [partij A] vordert in de hoofdzaak een verklaring voor recht dat “de franchiseovereenkomst” tussen partijen rechtsgeldig is beëindigd per 1 januari 2025, althans per 18 juli 2025. 2.2 [partij B] voert verweer. [partij B] heeft primair een exceptie van niet-ontvankelijkheid opgeworpen. [partij B] betoogt dat [partij A] in deze zaak niet ontvankelijk is als eisende partij (en in het verlengde daarvan: dat de zaak niet ontvankelijk is). [partij B] legt daaraan ten grondslag dat niet zij maar de vennootschap [bedrijf] B.V. partij is bij de overeenkomst. [partij B] voert ook nog aan dat dat de overeenkomst is aangegaan door de vennootschap [bedrijf] B.V. enerzijds en de vennootschap onder firma [naam vof] vof anderzijds. [partij A] is daarom volgens [partij B] niet de juiste partij om de vordering in de onderhavige procedure in te stellen. Subsidiair concludeert [partij B] tot afwijzing van de vordering van [partij A] . [partij B] heeft ook een reconventionele vordering ingesteld. Kort gezegd vordert [partij B] daarin een verklaring voor recht dat de overeenkomst tussen partijen niet tussentijds kan worden opgezegd en dus nog steeds doorloopt. [partij B] vordert tevens nakoming van de overeenkomst en een bedrag aan schadevergoeding. 2.3 [partij A] concludeert tot afwijzing van de opgeworpen exceptie. [partij A] erkent dat de eisende partij de vennootschap onder firma [naam vof] vof had moeten zijn, en niet [partij A] . [partij A] erkent eveneens dat de gedaagde partij niet [partij B] had moeten zijn, maar de vennootschap [bedrijf] B.V. [partij A] meent dat sprake is geweest van kennelijke verschrijvingen. [partij A] verzoekt in dat kader tot rectificatie van deze kennelijke verschrijvingen, nu [partij B] niet in haar verdediging zou zijn geschaad en niet-ontvankelijkheid zou leiden tot onnodige vertraging. [partij A] concludeert verder tot afwijzing van de vordering van [partij B] in reconventie. 2.4 De rechtbank merkt op dat de door [partij B] opgeworpen exceptie per abuis is gekwalificeerd als incidentele vordering (artikel 208 lid 1 Rv), waarna [partij A] heeft geantwoord in het incident en in reconventie. De kwalificatie als incident is onjuist nu hetgeen ten grondslag is gelegd aan de exceptie de beoordeling van een materieel geschilpunt vereist, namelijk de vraag wie partij zijn bij de overeenkomst. De beoordeling van een materieel geschilpunt leent zich niet voor behandeling in een incident. 3De beoordeling 3.1. De rechtbank ziet aanleiding om een mondelinge behandeling te bepalen in deze zaak, over de opgeworpen exceptie en de andere stellingen en verweren. 3.2. De rechtbank wil het tijdens de mondelinge behandeling met partijen onder meer over de volgende punten hebben: (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.