← Nederland

ECLI:NL:RBOVE:2025:3706

RECHTBANK OVERIJSSEL Zittingsplaats Zwolle Bestuursrecht zaaknummer: ZWO 24/4261 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [eiser], uit [woonplaats], eiser, gemachtigde: mr. K. Aslan, en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen (UWV), gemachtigde: G.A. Tellinga. Inleiding 1.1 Bij besluit van 10 juni 2024 (primair besluit) heeft het UWV eiser meegedeeld dat hij vanaf 8 februari 2024, de datum van ziekmelding, arbeidsgeschikt wordt geacht voor zijn eigen werk en daarom geen recht heeft op een uitkering op grond van de Ziektewet (ZW). 1.2 Eiser heeft tegen dit besluit bezwaar (gronden) ingesteld. Met het bestreden besluit van 29 oktober 2024 heeft het UWV eisers bezwaar gegrond verklaard met dien verstande dat hij vanaf 8 februari 2024 weliswaar arbeidsgeschikt wordt geacht voor zijn werk, maar dat de 'herstelverklaring' niet eerder dan per 5 juni 2024 wordt geëffectueerd. 1.3 Eiser heeft tegen dit besluit beroep ingesteld. Het UWV heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. 1.4 De rechtbank heeft het beroep op 27 februari 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van het UWV. Totstandkoming van het besluit

  1. Eiser is vanaf 30 augustus 2021 werkzaam geweest als [functie] voor 25 uur per week via een uitzendbureau. Op 21 februari 2022 heeft hij zich ziek gemeld. Hij heeft een ZW-uitkering ontvangen. Na verzekeringsgeneeskundig onderzoek is eisers ZW-uitkering beëindigd per 24 november
  2. Hij is daarbij geschikt geacht voor zijn eigen werk. Het bezwaar van eiser daartegen is ongegrond verklaard. Eiser heeft geen beroep ingesteld. Hij heeft een uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW) ontvangen. Op 8 februari 2024 heeft eiser zich vanuit de WW opnieuw ziek gemeld. Bij besluit van 27 maart 2024 is aan eiser een Ziektewetuitkering toegekend. Na verzekeringsgeneeskundig onderzoek heeft besluitvorming plaatsgevonden, zoals vermeld in de Inleiding. Standpunten van partijen 3.1 Het UWV stelt zich op het standpunt dat eiser met zijn beperkingen met ingang van 8 februari 2024 arbeidsgeschikt is voor zijn eigen werk, in dit geval het werk als [functie] voor 25 uur per week. Eiser heeft daarom niet langer recht op een ZW-uitkering. Omdat dit eerst aan eiser door de verzekeringsarts is meegedeeld op 4 juni 2024, heeft het UWV eisers ZW-uitkering vanaf 5 juni 2024 beëindigd. 3.2 Eiser stelt dat niet langer 8 februari 2024, maar 5 juni 2024 de datum in geding is, omdat zijn ZW-uitkering vanaf laatstgenoemde datum is beëindigd. Eiser is van mening dat de doorverwijzingen naar Dimence en Transfore wel van belang zijn voor de ZW-beoordeling. Eiser is op 18 november 2024 gezien voor een intakegesprek. Eiser heeft informatie opgevraagd bij Transfore en zal deze na ontvangst in geding brengen. 3.3 Het UWV ziet in het aangevoerde geen aanleiding zijn standpunt te wijzigen. Daarbij heeft het UWV verwezen naar het rapport van 29 januari 2025 van de verzekeringsarts bezwaar en beroep. Beoordeling door de rechtbank
  3. De rechtbank stelt voorop dat het UWV terecht van 8 februari 2024 is uitgegaan als datum in geding, aangezien dat de datum van de ziekmelding van eiser is geweest. Bij besluit van 27 maart 2024 is aan eiser een Ziektewetuitkering toegekend, maar dit laat onverlet dat het UWV op grond van artikel 30a Ziektewet de uitkering kan intrekken indien dit ten onrechte is verleend. Aangezien op basis van verzekeringsgeneeskundig onderzoek het UWV op 4 juni alsnog tot de conclusie komt dat eiser per 8 februari arbeidsgeschikt was, heeft zij – zo begrijpt de rechtbank – de uitkering alsnog geweigerd (lees: ingetrokken) met het primaire besluit van 10 juni
  4. De grondslag voor die intrekking is dus het standpunt van het UWV dat – achteraf na verzekeringsgeneeskundig onderzoek – alsnog is gebleken dat eiser per datum ziekmelding (8 februari 2024) arbeidsgeschikt was. Daarmee is de datum in geding 8 februari
  5. De rechtbank is voor het overige van oordeel dat het beroep gegrond is, omdat het bestreden besluit onzorgvuldig tot stand is gekomen en niet deugdelijk is gemotiveerd. De rechtbank licht dit als volgt toe. 4.1 Op grond van artikel 19, eerste en vierde lid, van de ZW heeft de verzekerde bij ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid, als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebreken, recht op ziekengeld. Onder ‘zijn arbeid’ wordt verstaan de laatstelijk voor de ziekmelding feitelijk verrichte arbeid. Dit betekent dat in deze zaak voor ‘zijn arbeid’ uitgegaan dient te worden van zijn arbeid als [functie] voor 25 uur per week. Indien iemand voorafgaand aan de ziekmelding werkloos was, dient onder ‘zijn arbeid’ te worden verstaan de werkzaamheden die bij een soortgelijke werkgever gewoonlijk kenmerkend voor zijn arbeid zijn. Dit is bepaald in artikel 19, vijfde lid, van de ZW. 4.2 Het UWV baseert zijn standpunt op het rapport van 4 juni 2024 van de primaire arts en het rapport van 23 oktober 2024 van de verzekeringsarts bezwaar en beroep. De primaire arts heeft in zijn rapport geconcludeerd dat er geen sprake is van nieuwe medische klachten. Arbeidsongeschiktheid voor de maatgevende arbeid is niet plausibel. Eiser heeft al lang bestaande klachten waarmee hij ook heeft gewerkt. Een eerder bezwaar is afgewezen, evenals de Wajong-aanvraag. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft vastgesteld dat eiser in de laatste jaren met enige regelmaat is beoordeeld. Duidelijk is dat er sprake zal zijn geweest van een complexe ontwikkelingsgang met daarbij aansluitende gedragsproblematiek en dat er na het geweldsdelict in 2020 herleving dan wel toename van psychische klachten is opgetreden. Al vanaf dat moment worden stemmen in het hoofd gerapporteerd, inmiddels ruim vier jaar geleden. Uit de stukken is niet te herleiden dat er in het beloop een psychotische stoornis is gediagnosticeerd of dat er überhaupt gericht onderzoek naar is gedaan. Ook gebruikte eiser in lijn daarmee geen antipsychotica of is er anderszins eerder op geïntervenieerd en in de recente herverwijzing naar Transfore wordt geen gewag gemaakt van (pseudo)hallucinatiore klachten, al schreef de huisarts in de eerdere verwijzing naar Dimence wel ‘psychosegevoelig?'. Volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep kan aangenomen worden dat deze klachten betekenis gegeven moet worden in het licht van de onderkende gedragsstoornis/persoonlijkheidsstoornis en dat dit als losstaand gegeven niet tot aanvullende beperkingen leidt. Hoe dan ook blijkt niet dat de feitelijke medische situatie op datum ziekmelding een in essentie andere was dan die op 24 november
  6. Het enkele feit van verwijzing naar Dimence is daartoe niet toereikend. Eiser vertelde zelf aan de primaire arts dat hij zich ziek meldde met dezelfde klachten als voorheen en herhaalde dat op de hoorzitting. 4.3 De rechtbank is van oordeel dat onvoldoende is gemotiveerd dat de psychische klachten van eiser niet zouden kunnen leiden tot ongeschiktheid voor eisers maatgevende arbeid. Gelet op de overwegingen van de primaire arts en de verzekeringsarts bezwaar en beroep, moet worden vastgesteld dat het UWV voor zijn standpunt heeft aangesloten bij de beoordeling die heeft geleid tot de herstelverklaring per 24 november 2023 en dat eiser niets heeft aangevoerd waaruit kan worden afgeleid dat de medische situatie op 8 februari 2024 anders was dan die op 24 november
  7. De rechtbank acht de verwijzing naar de beoordeling in november 2023 onvoldoende, aangezien de motivering van die herstelverklaring destijds onvoldoende draagkrachtig moet worden geacht. Die motivering bestond er in de kern in dat eiser onvoldoende behandeling had gezocht voor zijn klachten. Zonder nadere motivering valt niet in te zien dat het enkele niet zoeken van een behandeling betekent dat de klachten niet ernstig zijn. Er kunnen immers andere redenen zijn waarom geen behandeling wordt gezocht, waaronder de ernst van de klachten die bij een betrokkene spelen. Daar komt bij dat eiser inmiddels zijn behandeling kennelijk wel weer heeft gestart. Hij is hiertoe verwezen door zijn huisarts. Dat die nog niet heeft geleid tot een daadwerkelijke start van een behandeling, is mogelijk het gevolg van lange wachtlijsten bij GGZ-instellingen, zoals ook aangevoerd door gemachtigde; daaruit kan aldus niet worden afgeleid dat de klachten niet tot arbeidsongeschiktheid zouden kunnen leiden. 4.4 De rechtbank merkt bij het vorenstaande op dat het besluit van 27 november 2023, waarmee eiser vanaf 24 november 2023 hersteld is geacht, weliswaar formele rechtskracht heeft gekregen, maar dat deze formele rechtskracht zich niet uitstrekt tot de feiten en omstandigheden die aan dat besluit ten grondslag liggen. In dit geval is immers sprake van een beoordeling per latere datum. Conclusie en gevolgen
  8. Gelet op het vorenstaande is het bestreden besluit niet deugdelijk gemotiveerd en onzorgvuldig tot stand is gekomen. Het bestreden besluit moet dan ook in strijd worden geacht met artikel 3:2 en artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht.
  9. Het beroep is gegrond. De rechtbank zal het bestreden besluit van 29 oktober 2024 vernietigen, voor zover daarbij is vastgesteld dat eiser met ingang van 8 februari 2024 in staat is tot het verrichten van zijn eigen werk en voor zover daarbij die herstelverklaring met ingang van 5 juni 2024 zal worden geëffectueerd. De rechtbank zal het UWV opdragen in zoverre een nieuw besluit te nemen op het bezwaar van eiser. De rechtbank geeft het UWV hiervoor een termijn van acht weken.
  10. Tot slot overweegt de rechtbank dat als het UWV bij het nieuw te nemen besluit op bezwaar opnieuw tot de conclusie komt dat in de primaire beslissing terecht is vastgesteld dat eiser per 8 februari 2024 arbeidsgeschikt was, zij de intrekking pas mag effectueren per 11 juni 2024, nu een intrekking in beginsel niet met terugwerkende kracht mag geschieden en de primaire beslissing dateert van 10 juni
  11. Omdat het beroep gegrond is moet het UWV het griffierecht aan eiser vergoeden en krijgt eiser ook een vergoeding van zijn proceskosten. Het UWV moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.814,- (1 punt voor het beroepschrift en 1 punt voor deelname aan de zitting met een waarde van € 907,- per punt). Beslissing De rechtbank: - verklaart het beroep gegrond; - vernietigt het bestreden besluit van 29 oktober 2024, voor zover eiser hierbij vanaf 8 februari 2024 in staat is geacht zijn arbeid te verrichten en voor zover hierbij die herstelverklaring is geëffectueerd per 5 juni 2024; - draagt het UWV op binnen acht weken na de dag van verzending van deze uitspraak in zoverre een nieuw besluit te nemen op het bezwaar van eiser met inachtneming van wat in deze uitspraak is overwogen; - bepaalt dat het UWV het griffierecht van € 51,- aan eiser moet vergoeden; - veroordeelt het UWV tot betaling van € 1.814,- aan proceskosten aan eiser. Deze uitspraak is gedaan door mr. T.J. Thurlings-Rassa, rechter, in aanwezigheid van W. Veldman, griffier. Uitgesproken in het openbaar op De griffier is verhinderd deze uitspraak te ondertekenen. rechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 15 februari 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:
  12. Vgl. CRvB 29 mei 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:1945, r.o. 4.2 en Rb Den Haag 16 juli 2024, ECLI:NL:RBDHA:2024:12061, r.o. 6.3.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.