RECHTBANK Overijssel Civiel recht Zittingsplaats Zwolle Zaaknummer: C/08/319681 / HA ZA 24-335 Vonnis van 4 juni 2025 in de zaak van ACHMEA SCHADEVERZEKERINGEN N.V. H.O.D.N. INTERPOLIS, gevestigd te Apeldoorn, eisende partij, hierna te noemen: Achmea, advocaat: mr. M.M.R. Nelissen, tegen [gedaagde] H.O.D.N. [bedrijf 1] EN [bedrijf 2], wonende te [woonplaats] , gedaagde partij, hierna te noemen: [gedaagde] , advocaat: mr. J. Velten. 1Inleiding en samenvatting 1.1. [gedaagde] heeft in opdracht van de verzekerde van Achmea, WiRoSo, werkzaamheden uitgevoerd aan een hotel. In de naast het hotel gelegen woning is een open haard geplaatst door een werknemer van [gedaagde] . Doordat de open haard niet goed is geplaatst is er brand uitgebroken in de woning. Achmea heeft de financiële brandschade vergoed aan WiRoSo en vordert in deze procedure betaling van dit schadebedrag en de expertisekosten door [gedaagde] . Achmea betoogt dat [gedaagde] (risico)aansprakelijk is voor de schade omdat de open haard is geplaatst door een werknemer van [gedaagde] . 1.2. De vordering van Achmea wordt afgewezen. De werknemer van [gedaagde] heeft de werkzaamheden uitgevoerd in privé-tijd en niet in opdracht van [gedaagde] . Om die redenen is er in dit geval geen sprake van het in de wet vereiste functioneel verband tussen de aan de werknemer opgedragen taak en de gestelde fout. 1.3. Dit verkort weergegeven oordeel wordt hierna gemotiveerd. 2De procedure 2.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: - de dagvaarding, uitgebracht op 13 augustus 2024, met producties 1 tot en met 14,- de conclusie van antwoord met producties 1 tot en met 3,- de mondelinge behandeling van 10 maart 2025, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt, - de spreekaantekeningen van Achmea. 2.2. Ten slotte is vonnis bepaald. 3De feiten 3.1. [gedaagde] heeft in 2017 een aannemingsovereenkomst gesloten met WiRoSO Holding B.V. (hierna: WiRoSo) voor de uitbreiding van een hotel in Epe. Naast het hotel, aan de [adres] , is een woning gelegen (hierna: de woning). Het hotel en de woning waren eigendom van WiRoSo. De woning werd door WiRoSo verhuurd aan de directeur van het hotel, de heer [naam 1] (hierna: [naam 1] ) en zijn vrouw. 3.2. In de woning moest een haard geplaatst worden. Deze haard was door [naam 1] op Marktplaats gekocht en is geplaatst door de heer [naam 2] (hierna: [naam 2] ). [naam 2] was voorman tijdens de werkzaamheden aan het hotel en in dienst bij [gedaagde] . 3.3. Op 24 mei 2017 hebben [naam 1] en de vader van [gedaagde] via WhatsApp contact gehad over het plaatsen van de open haard. [naam 1] heeft naar de vader van [gedaagde] het volgende bericht gestuurd: “ [naam 3] – kan je dit plaatje naar [naam 4] sturen. Dan heeft hij het juiste beeld voor zich. Ook qua schouw. Thanks!” De vader van [gedaagde] heeft hierop gereageerd met het volgende bericht: “Is goed en ik zal je [naam 4] z’n nr. ook appen. Grt. [naam 3] ” 3.4. Vervolgens heeft de vader van [gedaagde] het bericht van [naam 1] doorgestuurd aan [naam 2] en het telefoonnummer van [naam 2] aan [naam 1] verstuurd. 3.5. De haard is door [naam 2] medio 2017 geplaatst. In december 2019 is er brand ontstaan in de woning. In opdracht van Achmea is door BMT Netherlands B.V. (hierna: BMT) onderzoek gedaan naar de oorzaak van de brand. In haar rapport van 20 juli 2020 concludeert BMT: “Op basis van de onderzoeksbevindingen, de verkregen informatie van verzekerde en de installatie instructies wordt gesteld dat de oorzaak van de brand is gelegen in warmteoverdracht vanuit een niet conform de installatie instructies en geldende regelgeving van het nationale Bouwbesluit geïnstalleerde inbouw/opbouw open haard. Hierdoor zijn, onderhevig aan pyrolyse, de houten delen van de achterwand spontaan tot ontbranding gekomen tijdens het stoken van de haard op 22 december 2019.” 3.6. WiRoSo was ten tijde van de brand verzekerd bij Achmea. Achmea heeft daarom de schade vergoed aan WiRoSo. Achmea heeft ook kosten gemaakt voor de inschakeling van experts. Volgens Achmea bedraagt de totale materiële schade door de brand € 84.250,04. 3.7. Achmea heeft vervolgens op 30 juli 2020 met een beroep op subrogatie [gedaagde] aansprakelijk gesteld voor de schade die is ontstaan aan de woning en die is vergoed door Achmea alsmede de expertisekosten. [gedaagde] heeft op 24 augustus 2020 gereageerd op deze aansprakelijkstelling en gesteld dat de claim ten onrechte bij hem is neergelegd. 3.8. Op 30 augustus 2023 heeft er een voorlopig getuigenverhoor plaatsgevonden, waarbij door Achmea de volgende getuigen zijn opgeroepen en gehoord: [gedaagde] , zijn vader, [naam 1] , [naam 2] en [naam 5] . Op 13 februari 2024 heeft er een contra-enquête plaatsgevonden waarbij door [gedaagde] [naam 2] is opgeroepen en gehoord. 3.9. Verdere correspondentie over de schade heeft niet tot een oplossing tussen partijen geleid. 4Het geschil 4.1. Achmea vordert - samengevat - veroordeling van [gedaagde] tot betaling van het schadebedrag en de expertisekosten van in totaal € 90.175,45, vermeerderd met rente en kosten. 4.2. Achmea legt aan haar vordering ten grondslag dat de brand is veroorzaakt door een fout bij de plaatsing van de open haard door [naam 2] . Omdat [naam 2] in dienst was van [gedaagde] en hij van [gedaagde] de opdracht tot het plaatsen van de open haard heeft gekregen, is hij aan te merken als een ondergeschikte van [gedaagde] . [gedaagde] heeft daarom volgens Achmea onrechtmatig jegens Achmea gehandeld, of is aansprakelijk op grond van artikel 6:170 BW. 4.3. [gedaagde] voert verweer en voert aan dat [naam 2] in privé-tijd de open haard heeft geplaatst. Voor de plaatsing is een mondelinge overeenkomst van aanneming van werk gesloten tussen [naam 1] en [naam 2] . Er is geen sprake van een opdracht aan [gedaagde] en daarmee ondergeschiktheid van [naam 2] . [gedaagde] is daarom niet aansprakelijk voor de schade. Subsidiair beroept [gedaagde] zich op verrekening omdat de eindfactuur van € 12.100,00 niet is betaald door WiRoSo. [gedaagde] concludeert tot niet-ontvankelijkheid van Achmea, dan wel tot afwijzing van de vorderingen van Achmea, met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van Achmea in de kosten van deze procedure. 4.4. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan. 5De beoordeling 5.1. Achmea vordert de door haar aan haar verzekerde, WiRoSo, uitgekeerde schade en de kosten voor het expertiseonderzoek van [gedaagde] . Dat de brand, die de schade heeft veroorzaakt, is ontstaan doordat de open haard niet conform het Bouwbesluit 2012 en de installatie-instructie is gebouwd staat tussen partijen niet ter discussie. Achmea stelt dat [naam 2] moet worden aangemerkt als een ondergeschikte van [gedaagde] in de zin van artikel 6:170 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW). Om die reden zou [gedaagde] aansprakelijk zijn voor de schade van Achmea. [gedaagde] heeft betwist dat WiRoSo een vordering op [gedaagde] heeft en dat er sprake is van functioneel verband tussen de handelingen van [naam 2] en de aan hem door [gedaagde] opgedragen taken en bevoegdheden, omdat [naam 2] de werkzaamheden in privé-tijd heeft uitgevoerd. [gedaagde] heeft daarom geen zeggenschap over de uitgevoerde werkzaamheden gehad. Om die reden kan [gedaagde] geen onrechtmatige gedraging worden verweten, aldus [gedaagde] . Vorderingsrecht Achmea 5.2. Achmea heeft als verzekeraar de schade vergoed die WiRoSo als eigenaar van de woning heeft geleden als gevolg van de brand. Door die uitkering is Achmea in de rechten van WiroSo getreden. Achmea heeft daarmee op grond van artikel 7:962 BW in beginsel een vorderingsrecht. Het verweer hiertegen van [gedaagde] , wordt dan ook verworpen. Dat de contractuele afspraak is gemaakt tussen [naam 1] en [naam 2] , zoals [gedaagde] heeft betoogd, is niet genoeg voor een ander oordeel op dit punt, omdat de vorderingen zijn gebaseerd op artikel 6:162 BW en 6:170 BW. 5.3. Het belangrijkste geschilpunt tussen partijen is of [naam 2] als ondergeschikte kan worden aangemerkt in de zin van artikel 6:170 BW. Om die reden zal de rechtbank eerst een oordeel geven over het beroep van Achmea op dit artikel en daarna het beroep op de onrechtmatige gedraging uit artikel 6:162 BW beoordelen. Voordat de rechtbank over de ondergeschiktheid van [naam 2] zal oordelen zal eerst het juridisch kader uit artikel 6:170 BW worden geschetst. Juridisch kader 6:170 BW 5.4. Voor een beroep op artikel 6:170 BW eist de wet: (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.