RECHTBANK OVERIJSSEL Civiel recht Kantonrechter Zittingsplaats Zwolle Zaaknummer: 11652016 \ CV EXPL 25-1252 Vonnis in kort geding van 17 juni 2025 in de zaak van BELEGGINGEN NOORD C.V., te Groningen, eisende partij, hierna te noemen: Beleggingen Noord, gemachtigde: mr. B.M.B. Gruppen, tegen [gedaagde] , te [woonplaats], gedaagde partij, hierna te noemen: [gedaagde], procederend in persoon. 1De zaak in het kort [gedaagde] huurt een appartement van Beleggingen Noord. Beleggingen Noord vordert in dit kort geding ontruiming althans voorwaardelijke ontruiming van het gehuurde. De kantonrechter wijst de vorderingen van Beleggingen Noord af. Weliswaar is niet in geschil dat [gedaagde] geluidsoverlast heeft veroorzaakt, maar Beleggingen Noord heeft in kort geding onvoldoende aannemelijk gemaakt dat sprake is van ernstige en structurele geluidsoverlast. Het is dan ook niet gerechtvaardigd om vooruitlopend op de bodemprocedure een voorziening te treffen zoals is gevorderd. Dit oordeel wordt hierna uitgelegd. 2De procedure 2.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: - het verwijzingsvonnis van 15 april 2025 van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Groningen, - de dagvaarding van 30 april 2025, - de akte overlegging producties 1 tot en met 10 van Beleggingen Noord, - de akte overlegging aanvullende productie 11 met usb-stick van Beleggingen Noord, - de akte overlegging aanvullende producties 11 en 12 van Beleggingen Noord, - de toelichting van [gedaagde] met producties 1 tot en met 5, - de mondelinge behandeling van 3 juni 2025, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt. 2.2. Ten slotte is bepaald dat de kantonrechter vandaag uitspraak zal doen. 3De feiten 3.1. Met ingang van 1 maart 2018 huurt [gedaagde] van Beleggingen Noord, althans haar rechtsvoorganger, het appartement aan de [adres 1] (hierna: het gehuurde). 3.2. Op de huurovereenkomst zijn de huisregels en de algemene bepalingen huurovereenkomst woonruimte model ROZ van 20 maart 2017 (hierna: de algemene bepalingen) van toepassing. 3.3. Het gehuurde bevindt zich op de tweede verdieping van een pand met meerdere woonlagen. Op de begane grond en de eerste verdieping bevinden zich de appartementen van de andere bewoners/huurders van Beleggingen Noord. [naam 1] huurt het appartement recht onder [gedaagde] en in het andere appartement verblijft [naam 2]. Alle drie huurders delen een gemeenschappelijke trapopgang. 3.4. Op 9 januari 2025 heeft de beheerder, Solide Vastgoed Beheer (hierna: de beheerder), een klacht van [naam 2] ontvangen over [gedaagde]. De klacht ziet op het opslaan van spullen in de trapopgang. Ook meldt [naam 2] dat ondanks zijn verzoek daartoe [gedaagde] weigert om zijn spullen weg te halen. 3.5. Op 10 januari 2025 heeft de beheerder de drie huurders van het pand per e-mail bericht dat er geen persoonlijke eigendommen mogen worden opgeslagen in de algemene ruimten. Ook zijn de huurders gesommeerd om de spullen te verwijderen. Vervolgens heeft [gedaagde] zijn spullen weggehaald. 3.6. Op 27 januari 2025 heeft de beheerder een klacht van [naam 1] ontvangen en op 28 januari 2025 één van [naam 2] vanwege geluidsoverlast veroorzaakt door [gedaagde]. Zij melden daarin als volgt: [naam 1]: ‘‘Ik ervaar overlast en voel me niet veilig in m’n eigen woning. De afgelopen tijd heeft [gedaagde] langdurig lopen schreeuwen, met de kenmerken van een psychose’’. [naam 2]: ‘‘Nu is er een andere klacht over het feit dat [gedaagde] vanwege een langdurig trauma verwerkingstraject aan schreeuwtherapie doet. Dit houdt in dat hij op vol volume door het huis schreeuwt met enige regelmaat. Ik heb er zelf door gedempt geluid nooit zoveel last van gehad, maar mijn huisgenote van [adres 1] woont direct onder hem en beleeft dit heel anders. Ook heeft [gedaagde] aangegeven ook ’s nachts te willen schreeuwen en wilde niet meewerken aan een alternatieve oplossing.’’ 3.7. Op 31 januari 2025 heeft de beheerder [gedaagde] per e-mail een officiële waarschuwing gegeven voor de door hem veroorzaakte overlast. Op dezelfde dag vraagt [gedaagde] aan de beheerder per e-mail wanneer de geluidsoverlast zou hebben plaatsgevonden. 3.8. Op 5 maart 2025 heeft de beheerder twee klachten ontvangen van [naam 2] en [naam 1] vanwege geluidsoverlast veroorzaakt door [gedaagde]. In deze klachten staat: [naam 2]: ‘‘Van mijn huisgenote [naam 1] van [adres 2] heb ik vernomen dat hij midden in de nacht op vol volume heeft lopen schreeuwen in huis. Ik ben zelf doordeweeks van dinsdag t/m donderdag niet thuis, dus ik heb het zelf niet vernomen dit keer.’’ [naam 1]: ‘‘Afgelopen nacht heb ik overlast ervaren en ik voel mij niet veilig in m’n eigen woning. [gedaagde] heeft langdurig lopen gillen en schreeuwen, met de kenmerken van een psychose. (…) Ook de buren hebben opnieuw overlast gehad en met hun jonge zoon zijn ze hier niet van gediend. (…) Mijn werk, studie en woonplezier lijden hieronder.’’ 3.9. Op 13 maart 2025 heeft de beheerder een klacht ontvangen van buurvrouw [naam 3] over [gedaagde] inzake geluidsoverlast. Hierin staat opgenomen: ‘‘Op de nacht vrijdag 7 mrt, zaterdag 8 mrt, te [adres 3], werd ik wakker van een enorm gekrijs, geschreeuw en gestamp van [adres 1], dit is al eens eerder gebeurd, nu echter was het vele malen erger’’ 3.10. In de periode van 26 januari 2025 tot 12 maart 2025 zijn er zes meldingen van de andere twee medebewoners over [gedaagde] bij de politie binnengekomen. 3.11. Beleggingen Noord heeft vervolgens [gedaagde] in kort geding betrokken. 4Het geschil 4.1. Beleggingen Noord vordert samengevat, na wijziging van eis, primair ontruiming en subsidiair voorwaardelijke ontruiming van het gehuurde, met in beide gevallen veroordeling van [gedaagde] in de proceskosten en nakosten, te vermeerderen met de wettelijke rente. Ter onderbouwing van haar vorderingen stelt Beleggingen Noord dat [gedaagde] ernstig tekortgeschoten is in de nakoming van zijn verplichtingen uit de huurovereenkomst, de algemene bepalingen, de huisregels en de wet. 4.2. [gedaagde] voert verweer. Hij erkent dat hij geluidsoverlast heeft veroorzaakt, maar betwist dat het structureel is geweest. Volgens [gedaagde] gaat het nu al bijna drie maanden goed en is een ontbinding van de huurovereenkomst en vooruitlopend daarop een ontruiming niet gerechtvaardigd. 4.3. De kantonrechter gaat hierna, voor zover dat nodig is voor de beslissing, verder in op de stellingen van beide partijen. 5De beoordeling Het toetsingskader 5.1. Ontruiming is een maatregel die diep ingrijpt in het woonrecht van een huurder en die in de praktijk tot onomkeerbare gevolgen kan leiden. Daarom kan een vordering in kort geding tot ontruiming alleen worden toegewezen als de partij die de vordering heeft ingesteld, zoveel spoed heeft dat zij de uitkomst van een gewone procedure (bodemprocedure) niet hoeft af te wachten en de kans groot is dat in de bodemprocedure de bodemrechter de huurovereenkomst zal beëindigen (ontbinden) en de huurder zal veroordelen tot ontruiming. In dat geval kan het gerechtvaardigd zijn om in een kort geding door het geven van een voorlopige voorziening op het oordeel van de bodemrechter vooruit te lopen. 5.2. Of de vorderingen van Beleggingen Noord toewijsbaar zijn, hangt af van de vraag of [gedaagde] tekortgeschoten is en het aan de hand van artikel 6:265 lid 2 Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) voldoende aannemelijk is dat de bodemrechter de huurovereenkomst ontbindt en de ontruiming toewijst. Artikel 6:265 lid 2 BW bepaalt namelijk - kort gezegd - dat een overeenkomst bij iedere tekortkoming van de andere partij kan worden ontbonden, tenzij de ontbinding niet gerechtvaardigd is. De primaire vordering: ontruiming 5.3. Beleggingen Noord vordert primair ontruiming van het gehuurde. Beleggingen Noord stelt dat [gedaagde] tekortgeschoten is in de nakoming van zijn verplichtingen als huurder omdat hij (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.